VERHANDELINGEN, UITGEGEEVEN DOOR DE HOLLANDSCHE MAATSCHAPPYE D E R W E ETENSCHAPPEN, T E HAARLEM. XXFIII. DEEL, m,lpm "fc-4 > H IO< . A r/f ^f CTCr YERHANDEL1NGEN, UITGEGEEVEN DOOR DE H O L L A N D S C H E MAATSCHAPPYE D E R WEETENSCHAPPEN* T E ; HAARLEM. XXVI1L DEELi I Te HAERLEM en BY C. P L A A T en J. A L L A R T Drukkers van de Hollandfche Maatfchapp^ der Wectenfchappen , 1792* Met Privilegie der Ed. Groot Mog. Heereu Staatefi van Holland en West-VriesUuul* OTIU : 1 < - 1 ; ' ., 3YVTAK J'i'AAM : VOORBERICHT VAN DE HOLLANDSGHE MAATSCHAPPYE DER WEETENSCHAPPEN. OPGERICHT TE HAARLEM* Je Maatfchappy floot haar laatfte Bericht aan het Publicxj op den 9 Oc- tober 1789 - zedertdien tyd heeft zy de volgende Programmata van het Jaar 1790, 1791, en 1792 aan het Publicq bekend gemaakt. De V O R B E R I C H T, 3 I H De Hollandfche Maatfchappy der Weetenfchap- pen, opgericht te Haarlem, hcefc beflooten in haare Vergaderinge , welke zy op den 21 Mey 1790 lieeft gehouden, omXaan het algemeen by dcezcn te berichten : i. ftjet opzicht toe de vraagen welker termyn ze-. dert de laadtc vergadering is ver(;chcencn. - - * liu wel op dc vraag. A. Daar hec zeker is, dat de grootbcid der tiomifche Kejra&ie verfchillende is , naar den vcrfcbil- lenden (land van den Barometer en ThermometQr, vraagt de Maatfchappyc ; , Eene Theone der Aflronomifcbe Refraclie , y^idt^ voor elken gegeev en ft and van den Barometer en Thermometer, en voor alle hoogte van *t Hemel- 9 licht boven den Gezicht-einder , de grootheld der ? Slftronomifche Refraftie naauwkeurig kan warder* bcpaald." De Maatfchappy voegt hier nog by: . . 1. Dat dceze Theohe of moct zyn afgcleid uic naauwkeurige Aftronomifche Obfcrvatjen , of teri min- lle met dezelve overeenkomdig zyn. 2. Zy geeft in bedenking, of de verfchillende graad yan yogtigheid des Dampkrings , ook met eenen mcr- kc- V O R B E R I C H T. ^ kelyken invloed hebbe op de veranderlykheid der Re- fractie? 3. Meent zy $ok te mqeten herrinneren aan deFor- mule, welke de Heer DE LA GRANGE (Nouveauoc Memoir es de rAcademie de Berlin pour 1772. pag. 2 590 gegeeven heeft, en de daar over gemaakte Aan- merkingen van den Heer Prof. D A M E N ( Disfert. ds Montium altitudine Baromet. met ley da * Hagse Com. 1783 in Addttam. Opgegeeven 21 May 1788 ojn te beantwoorden voor primo November I78<)geene Antwoorden zynde iri- gekomen word dezelve wederom ter beandwoordinge voorgefteld voor primo November 1793. onderaanbpd van den DUBBELEN EERPRYS. B.) Op de vraag, 5 Nademaal een zuiv ere Damp- , kring van zo grootbelang, is voorde gezondheid der , Ingezetenen , en dezelve by 'tftaande ofte te lang- , zaam afloopende Water in de Rivier , ( die dage* - , lyks in den omtrek van Batavia met veele dnlzen^en , ponden viiiligheedcn aangevuld wordocc ? men aanmerkcn , dat volgens de tegenwoordige g die op genbomene Proeven allee'n lyk kan bfevestigd worden. 5. Het is niet vreemd, dat een Arts, bot vierencte aan zyne zugt om eenig middel of handelwyze : , ten beste der menfchen in zwang te brengen, of tedoen verwerpen , opgemerkte verichynfelen Vergrootof ver- kleint, en uit byzondere gevallen te algemeene evol- gen trekt. Weshalven ge^ne Proeven opgegeeven , ter ilaaving eener gewigtige Leere 9 ook fchoon men de goede trouw van den Waarneemererkent, ons totnaa- volginge behooren te bepaalen, dan zulken, die men naa overweeging der omfhndigheden bevoelt , dan yerjchillende metnlngen , die in ons bevoorens misfchien hebben plaats gehad, doen vefdwyne dige ondery'mdingen in ons ontzcnuwen. . E.) De Vraag: Hoe verre kan men thans de na- zuurlyke Hi ft or ie des Dampkr ings van onsFaderland, tilt de METEOROLOGISCHE Waarneemingen , op Zwaa- nenburg genomen*, vergeleeken met die van andere plaatfen , opmaaken? Men bedoeld by- zonderlyk , dat men hier uit aantoone: i. Welken de doorgaande of meest gewoone gevolgen van het wedcr zyn, die men- naa het vermeerderen of ver- min- V O 6 R B E R I C H Ti ^ minderen van de zwaurtc of dichtheid van den Daiup* kring, dat is, naa hcc'ryzen of dual en van den Ba- rometer > als nicdc naa de vcrandcringen van Warm- ce en Koudc , en van de kracht en itrcek der Win- den, op vcrlchillcnde tyden van her jaar en plaat- fcn, waarneemt 2-. Of de vcrandering van Wind en Wecler hicr te Lande ook fomtyds een zekeren loop houde? 3, Wclken invlocd de verfchillende Hand dcr Maane op dezelven hebbe? 4. Of'er aan de verfchillencfe ftanden dcr planeeten ook eenige invloed op den Dampkring zy toe te fchiyven? 5* Welki ovcrccnikmming 'er is tusfcheh de verfehil- lende afwykingen van dc Compasnaalden en de Weers- verandenngc ? 6. Welke Regelen 'er uit deeze Waar- neemingcn kunnen worden afgeleid, volgens welkeii men in Ibmmige gevallen, eene aanftaande verandc- ring van Wind en Weder met Waarfchynlykheid kail voor uit zicn? . Men zag hier ook gaarne by- gcvoegd : of 'er , behalven dcezen , ook eenige an- dcre Voortckencn voor aanflaande Weersveranderiii- gen , in ons Vaderland waargenorncn worden ? zo jaa: welken? - - In l>ct jaar ' 1778. voorgefteld om te beantwoorden voor primo January 1781. Is befloten in de Vergadering ' van 1781. de gemel- de Vraag nog eens op te geeven, om ze te beant- woorden voor primo January 1785. onder aanbod van ecne dubbelde Gotide Me da ilk aan den 6*chry- er, die ze vollcdig beantwoordt* Hier op is toen vvel geantwoord, doch c-) zoo dat men met hecft kunnen den Eer- ~prys uitdeelen. - Dan, overmits de Maatfchap- py toch gaarne zou zien , dat dezelve eens wel be- antwoord wierdt ; is den ai; Mey. 1787. be- ilooren ? om de beantwoording van deeze Vraag VO O RBE R I CHT, w i bpen te ftellen utter lyk tot primo November 1790. zoo en in dicr voege, dat het den geenen , die goed- vindt om dezelve te beamtwqorden , ten, alien tyde zal vryftaan 5 om aan den Secretaris van deeze Maat- fchappye te zenden zyn Antwoord , en dat dan daar- over op de eerst daaraan volgende Groote Verga- clering zal worden beilist, indien hetzelvc Antwoord voor primo November, en dus tydig genoeg, om behoorelyk geexamineerd te worden, zal zyn inge- komen, en ingeval het voor voldoende gekeurd word , alsdan aan hem de uitgeloofde dubhelde Gou+ de Medaille zal worden uitgcleverd. F.) Wegens de Theorie van Dodtor CRAWFORD emtrent het Vuur en de JFarmte^ in 1783 opgegee- ven inhoudende, in hoe v err e dezelve Theorie door Proefneemingen kan bevcstigdofwederlegchvorden (*) tn , zo deeze Theorie door de ondervznding geheel oj- >ee gedeeltztyk geftaafd word, we Ik een licht dezelve geeve in de b r imrkunde\ met byvoeginge, dat de Maatfchappy eischt eenc zeer duidlyke befchryving der Proefoeerningcn , .waardoor men deeze Theoris ilaaft of wederlegc ; en zo men tor dezelve Werktui- gen van een buitengewoonenaauvvkeurigheidgebruikt, de Maatfchappy verlangt eenc opgaave, hoe foort- gelyke Werktuigen te verkrygen , ten eindc zy zulks goedvindende, zoodaanige Proefneemingen zou kunnen herhaalen. Voor 178,6. g^en voldoende Aur- vvoord ingekoomen zynde, is op den 22. Mey 17.86". gen (*) Zid Experiments and obfervations on animal boat find the inflammation ofcombuftible hodies by H. CRAWFORD , Loud. 1779. Esfai fur la Noiiveile Theorie du Fen Eltmentaire far J. H. DE MAGELLAN, Loud. 1780. dn Examina* lion of Dr. CRAWFORDS Theoris by WILLIAM MORGAN, London xrt V O OR B E R I C II TV beilooten om dc Vraag op nicuw optegeeven, 0m te bcantwoorden voor pi* into November 1788. en toon om te beantwoorden vdor primo Novem- ber 1791- wcder opgegeeven* 'd L.) De Vraag, in het jaar 1781 voor de eerjle en in 1787 voor de tweede maal opgegeeven om te beantwoordcn voor primo November 1792: Welke zyn de beste en vaardigfte Middelen^oin Tiet gebruik der Nederduitfche Spraak onder de Ma- ]ajers, Javaanen, Cingaleezen en Malabaaren intevoe- ren , en meer en meer algemeen gebruikelyk te maa- ken? Nademaal het ontegenzeggelyk Is, dat het ge* bruik der fpraak eener Natie, de andert, die ze aanleert, meer a an Jiaar verblnd^ haar meer gene- genheid en yver voor die natie inboezemt; zegejckik- ter maakt) zo het *een nog onbefchaafde Natie is, tot betere begrippen van Godsdienst, Zedekunde, Natuurkundige Naafpeuringen^ om bejchaafdheid van het verftand te ontvangen, en dus bntikbaarer tot- de Zeevaart , Wapenoeffenlng ^ en veele andere fiuttige en noodzaaklyke Konften en Handwerken $e worden? M.) De Vraag, opgegeeven in '1782 omte beant- woorden voor ij %$ over debehoudenis der Gezondheid ztdker menfchen , welken m Oost-Indien aankoomen; en toen weder opgegeeven , om te bcantwoorden voor den i Juny 1793^ deezervoege: - Kan men op voldoende gronden ,zoo nit de aantekt- wingen in de Hospitaalen en Doodlysten , als ander* tints, bewyzen, dat *er in eene reden van fcej V O O a B E 111 C H T. xct der Ingezetenen , inzonderheid van de niemvUngs tilt, Europa te Batavia aangelanden , thans ongelyk mee*' Menfchen aldaar sick w or den en ft erven 5 dan voor- keen, met byvocgingc wanncer de kennelyke ver- m&erdering begonnen , en van tyd tot tyd toegeno* men w? Wdken zyn liieryan de voornaame oorzaaken'l En- k#n men ult den aart der -ziekten 9 en tdt vergely* kings met an der e plaatfen in Europa zoo wel als in Oost-Indien 5 maar vooral uit de gefchiedkundi- gc plaatsbefchryvinge van Batavia, tot eenen trqpvan, de hoogfte waarfchynlykheid betoogen, dat die St$d toen de gragten binnen dezdven , welke wetter , t'oeni zy voor dene der gezondfte P-laatfen m Oost-Indien. gehouden werd, vol water w$ren, nu in jommlg& tyden van V Jaar zecr ondlep en droog zyn ^ en ftin- kende Dampen zich over de Stad verjpreldcn , in evenredigheld (behalven anderc naadeelige gevolgen ) jteeds ongezonder gvworden, en zulks derhalven als de Hoofdoorzaak der meerdere ongezondheid teftellen - En einddyk, hoedanige Verlcicrlngen zyn hier- wntrent met hoope yan ecn goed gevolg uiitedenken ., eii werkftellig te maaken? N.) De Vraag Wat moet men denken van de TRAP'S" WYZE OP.KLIMMINGE, wdke veele ^zoo Oude ah hefon~ daagfche Wysgeeren hebbcn gefteld plaats te hebbev ins jc hen de Natmirlyke Weezcns^ en tot wdkseene- zekerheld kunnen wy- gcraaken onitrer t t het daadly* ke beftaan van die Opktimmtnge , en van tie orde? welke de Natuur da^rln volgt? In hot jaar I7i voor de cerfte reizc opgegccvcn 0111 te bcaiKwooroVn *'* IT Vobr xx VOORBE RIGHT. voorprinto January 1783. en toen niet voldoenr- de beantwoord zynde, op den 21 Mey 1783 voorde tweede reize voorgeftcld am te beantwoorden voor primo January 1789 , met by voeginge , dac de Maat- fchappy op deeze Vraage gene Overnatuurkundige Verhandclingen verlangt, maar Antwoorden, uit de Natuurlyke Historic ontleend, alleen in aanmerking zal neemen. Insgelyks niec beantwoord zynde, is goedgevonden dezelve op nieuw optegeeven, om te beantwoorden voor een onbepaalden tyd,zoo dat de Maatfchappy jaarlyks daarop Antwoorden voor primo November zal afwagten, tot dat dezelve tot genoe> gen der Maatfchappye zal beantwoord zyn. IV.) De Prys-Verhandeling van wylen den Heere PAULUS FRISI, dienende tot Antwoord op de Vraa- ge nopens hetverklaaren der Ongelykheeden derSa* telliten van Jupiter, thans zynde uitgegeeven, her* haak de Maatfchappy haare verklaaring, dat haars oordeels de Schryver daarvan weinig of niets heefc gevoegd by het geene reeds te vooren door de be- roemde Heeren 15 A ILLY, DE LA GRANGE en F R i s i ( zelven ) gedaan was , omtrent die onder- werp*, en dat hy aan het voornaame oogmerk der Vraage, om naamentlyk de Theoriev&n de Waarne- mingen te toetfen , en daardoor de gegrondheid zyner Theorie boven die der gemelde Heeren aantetoonen, in het geheel niet heeft voldaan. Zy noodigt derhalven op nieuw, onder aanbod van den D'UBBE- LEN EERP^RYS, elk eenen uit, om te voldoen aan het geene by haar hier te voren tot volmaakinge van gemelde Verhandeling is begeerd: 9 Zy verlangt niet zoo zeer , dat de Schryver zich 5 bezig houde met de enkele Thevrie uit de Wet der V O R B E R I C H T, xxi V aantrekkings-kragt afgelcid > maar vcel meer enweJ , voornaamlyk, dat hy de Theorle op de Waarnee- 5 mingen toepasfe , en met dezeiven ^ergelyke , op , dac men, door de meerdere of iftindere over , eenkomst met de Waarneemingen over den Graad , vanjuistheid,zoowelvan zyne,als van andere,7/fe>. , r;^ 9 zoude kunnen oordeelen. Met voornaame s oogmerk der Maatfchappye is , om langs dien weg , van de Beweegingen der Satelliten van Jupiter zul- , ke Tafels te verkrygen , welken naauwkeuriger zyn dan de tot hier toe bekenden; 't zy dan dat die Tafels volgens die enkele Theorle wierden zamen* gefteld,- of wel , zo deeze alleen onvoldoende be- vonden wierd; met behulp vznEmpirifche Mquct* tien , uit de Waarneemingen afgeleid. En 9 dewyl de Waarneemingen van den der den en vierden Tra- it ant onnaauwkeuriger en zeldzaamerzyn; dan die der twee overigen , zal de Maatfchappy zich vergenoe- gen, wanneer, het geene zy verlangt, voornaainlyk maar omtrent den eerften en tweeden Trawant , wier waarneeming wel den grootflen invloed heeft op de Zeevaartendardrykskunde, door den Schryver word volbragt,' NB. DeVoorwaarden op welken men de Antwoorden moet inzenden, en de bekendmaaking voor hen, die iets aan de Maatfchappy gelievcn te zen- om in haare werkengeplaatst te ** 5 wor- V O O R B E il I C H T. xvorden , als mode de vryheid diezy haa- re leden gegeeven heefc , oui na de Prys- vraagen te dingen, zullen agter het Programma van 1792 te vinden zyn. Tot DIRECTEUREN zyn aangefteld DE HEEREN PIENDRIK VANSTOCKUM, Dircc* tear Generaal van 'Neef lands In- die w 9 etc. etc. JACOBUS VAN DER Dr. voorheen Dirigeerend Lid van let Bataviafcbe Genootfcbap , Di~ refteur van de Maatf chappy teVtis* Jingen, &c. &c. te Qroningen. Tot LEDEN de Heeren: mdder JOSEPH BANKS, Pre/M. van de KoningL Sockteitvan Londen. JACOB VAN BREDA 9 'Med. Dotfor, n en Raadder Stad Delft. VEI- VOORBERICHT. xxm J. VEIRAC , Med. Dr. van den Ed. Hove en Hooge Fler- fchaar van Schieland^ &c. te -Rot- terdam. W. L. BROWN, Pb. & Tfaol. Dofior PMlofophU Maralis & Ju- ris Nattirtf Profcsfor Ordinarius & Predikant der Engelfche Gemeen- U te Utrecht. HENRICUS FRIDERICUS D- LIUS , Prof. Med. Primarius , &c. &c. te Erlangen* JACOBUS LUDOV. SCHURER, Pr. Phyf* Experim. aan de Uni~ verfiteit te Straatsburg. FRID. LUDOV. SCHURER,P^/. Phyf.enChym. aan deEcoleR.oyah d'Artillerie te Straatsburg. Mr. GERRIT VAN DER VOORT, Adwcaat voor de Ed. Mog. Hoven van Justitie m tiolland^ In 9 sfla~ ge. nu Prof, te Groningen. * * 4 THEOD. VOORBERICHT, THEOD. VERMEER f Pred u tavia. STEVEN JAN VAN GEUNSX L Phil Dr. & Mid. Licenciaius Prof, te Utrecht. * * * De Hollandfche Maatfchappy der Weerenfchappeiv opgericht te Haarlem , hceft in haare Vergade- fjnge , wejke zy op den ^3 Mi-y 17^1, heefc ge- houden, beflooceh hec algemeen by deepen te hurich- ten; I.) Met opzkht cot c'e vrazgen , v^ ilke-r termyn federt de laatile vergadern; s verfc 1 ee-ien, ofwel- ken voor een onb.^paaldui tyd waren p.pgegqeven -- en wel 9 Nademaal een zuivere Dampkring vein zoo, cttfug fa voor de gtzondhdd der Ingezete-: nen^endezelve ly't ftaande oftete langzaam afloo- , pende Water in de Rivicr , {die dagelyks in dev 9 omfrek van Bacayia met vccle diiizend$n ponden vui- ^ ligheeden aangeVuld word? ) onmogelyk kan verkree- gtn worde: Ifolk is het beste mid del omeen 9 fhrhere fchuuring en afvoering deezer vuilejtofen te ' 'verkrygen en te onderhouden , en aan Baiayia qew 5 zuiverer en gezonder lucht te bezorgen ? * In den jaare 1779 opgegeeven om te b.eantwoorden v66r primo January 1785. En toen onvoldoende. beant\yoprd zynde , wevd dezelve op nieuw voorge- V Q R B E R I C H T, xxv fteld om te heantwoarden v66rprim& November 1789 dan daarop toen insgelyks geen Antwoorcl ingeko;neu zynde, werd dezelve wederoader dezelfde uitlooving* opgegeeven , om te beantwoorderi voor een onbe-. paalden tyd, dat is, dan en wanneer eenig Schryver zulks niogt goedvinden, Hierop is een antwoorcl irn gekomen, dan hetzelve nice voldqende geoordeeli \vordende, biyfc deeze vraag als voren,no.g ter beant- woording open yoar een qnb,epa,alden tyd, B.) Op de Vraage dps luidende. , De Goude Me- , daille of %oD.ucaten: aan den gcenen, die, naar , het begrip der Maatfchappye, bestzal aantoonen^ , wat men te denken hebbe, van het Moreele bewys 9 van Gods aanweezen , en wel zoo als hetzelve door , den Heer Kant (*) is. opgegeeven als ware dlt het 9 eenige, in 1789 opgegecven om te , beantwoorden vdor primo November 1790,.' Zyn verfcheide Antwoorden ingekomen : en is de voornoemde eerprysvaneene goude Medaille ofDertig Ducaaten toegeweezen aan den Schryver onder de Zinfpreuk: Tina-* P* - - -. . ..... , III. De Vraagen , door de Maatfchappy te voorea opgcgecven , en waarop zy vdldoende Ancwoorden met verlangen te gemoec ziec , zyii de volgeiiden A. De Vraag in 1790 opgegeeven, om te be- nntvvoordcn vodr primo November i.7>'i Eeii der voornaarae gebreken van de gewoone Schep- radmolens . is ongecwyffeld daarih gelegen $ dat hct Rad ondieper in het water ftaat* naarmaate bet fiieller omloopt^ en dus dat dc weerdand of last ver- mindert naarmaate de bcw.eegkracht toeneemt, en om gekeerd. Daar echter in dit geval , buiten kyf, kracht en tyd nutteloos verfpild, mitsdien ook tegen de ecrfte regels der werkruigkunde gebaudeld word ; zo word gevraagd : ^ op welke. wyze kdn het gewoone , fthet)rad;> behoudens deszelfs overige volkomenhec- , den , zoodanig verbeterd en toegejteld v/ or den , daty 9 ds ioevoar van water gedtturiv aan ds ontla$tin% xxrui DHL **. *-; VOORBERICHT, , gelivenredigd zynde, het rad altoos, Jiet zy Tiet- 9 zelve fnel of langzaam beweege, even diep in het , water hangel" Als een tweede gebrek moet 5 men aanmcrkcn , dat volgens dc tegenwoordige ge- fleldheid der fchepradmolens , de weerftand of lasc niet vermindert, of gcmaatigd kan worden, naar- maate de bevveegkrachc vermindert, waardoor de Mo- lens, by verflapping van den wind, genoodzaakt zyn il te ftaan: men vraagt derhalve in de tweede plaats, ' Welk het gefchiktfte middel zy , om dit gebrek te ? yergoeden , mits hetzelve zonder aanmerkelyk tyd* 5 verlies werkfleltig gemaakt kan worden 9 en gie'ns , groote^ noch geduurige oplettenheid yan den Mole- j naar vereische" B.) Wegens de Theorle van Dodlor CRAWFORB omtrent het Vuur en de Warmte, in 1783 opgegee- yen , inhoudende , in hoe verre dezehe Theorie door Proefneemingen kan bevestigd ofwederlegdworden^) en , zo deezeTheorle door de ondervindlng geheel of- te gedeeltelyk geftaafd word? welk een licJit dezelve geeve in de Vuurkundel met byvoeginge, dat de Maatfchappy eischt eene zeer duidlyke befc'hryving der Proefneemingen , waardoor men deeze Theorie llaaft ofwederlegt ; en zo men tot dezelveWerktui- gen van eene buitengewoone naauvvkeurigheid gebruikc, de Maatfchappy verlangt eene opgaave, hoe foort- gelyke Werktuigen te verkrygen , ten einde zy zulks nrin- (*) 2ie Experiments mid obfervatiom on animal hoat and the inflammation of combuftible bodies by H. CRAWFORD , Lond. *779' Es fat fur la Nouvelle Thtorie du Feu Element airs par J. H. DE MAGELLAN, Lonci. 1780. An Examina- tion 0/Dr. CRAWFORDS Tfaorie by WILLIAM MORGAN, Loadoa. V O R B E R I C H IV xxxv goedvindende ? zoodaanige Proefneemingenzoukunneix herhaalen. Voor 1786. ge&i voldoende Ant* woord ingekoomen zynde, is op den 22. Mey 17862 beflooten om de Vraag op nicuw optcgecvcn: oin te bcantwoorden voor prime November 1788* en toen om te beantwoorden- vddr prlmo Novem- ber 1791. weder opgegeeven : doch, om het federc dcrzelver opgaave nog ten dien opzichte ontdekte? in dcezer voege: Hoe ver-re kan men thans uit welbeyestigde en be* flisfende Proefneemlngen en Qndervindingen eene. wel gegronde Theorle omtrent den aart van het Vttur ,' en de oorzaak der warmte opinaaken ? En wat heeft men Jiier omtrent noch als twyfelachtig aantemer* ken? De Maatfchappy zaggaarne, dat de geenen , die na 1 den uitgeloofden Prys willen dingen, de Proefnee mingen van anderen, welken zy tot ftaaving eener Theorle bybrengen, herhaalden, indien dezelven nice by herhaalingen reeds genoegzaam bevestigd zyn. - C.) De Vraag, voorgefteld op den 22. Mey 1786** om te beantwoorden voor prlmo November 1788, in cleezer voege: , Dewy I eene outlasting van Water tenaanzlen vail haare nuttlge gevolgen nlet beoordeeld kan worden 9 zonder tevens den toevoer en verdere plaatslyke om-. ftandigheden , die zoodanige ontlasting verzellen , in aanmerking te neemen : zoo word gevraagd ,, , Kail , de nutngheid^ en derhalven ook de noodzaaklyk-: , held van den Rhynlandfchen Slaperdyk, in geval t van overloop, het zy ,Mt de befchouwing van voo* ' Crtevt V b O R B E R I fc H t. , ren , of ook door ontwyffelbaare bevindlngen aan- , getoondwordcnT In 1788. geen antwoord inge- 5 komen zynde , is beflooten dezelve weder optegee- veii om te beancwdorden voor pnmo November 175*1. D.) tlit heiFonds van wylen deri Heer Dire&eui N. W. KOPS, 1788 opgegeeven 6m te beaiitwoor- den voor primo November 1791 : , Welken zjrn de DELFSTOFFEN bihneri den , ommekring def Zeven vereenigde Provintieh en dcr- j Zelver Geasfocieerde Laridfchappen te vinden, van f xvelkei* verdere naafpooririg men met genoegzaame , i*edenehnut voor 'cVaderland kan verwachten?' Men begeert genen enkelen lyst van gemelde Delf- iloffen, maar tevens de redenen, waarom men zich van derzelver verdere naafpooringe voordeel voor het Vaderland hebbe te belooven. E.) En uit het Fonds van wylen den tfeer Direc- rN. W. Koi>s i789voorgefteld om tebeantvvoor^ den voor primo November 1792. De Vraag: JJfelken zyn de Onderwerpen , betrefende de Diereft onzes VaderlandS) van welker verdere najpooringmeri wet genoegfaame redenen nut voor het I/adwlandkan yerwachteti ? Van zoodanige OnderWerpeh verlangt de fchappy echter geenen enkelen Lyst, maar tevens de 1 redenen , waarom men van derzelver verdere nafpoo-' tinge voordeel voor het Vaderland hcbbe te verwach- cen. F.) VQQRBERIOHT. xxxva F.) P e Vraag, den 22 Mey 1786 voor de eerfte en den 21 Mey 17 87 voor de tweede reize vaorgefteld, am te beantwoorden. voor primo. November 1792, Welke is de beste inrichting , om aan de Jeu-gd. te Bacavia eene Opvoeding te geeven, die meest ge- fchlkt is om haar Ferftand te befchaaven , haar in nuttige Kunften enWeetenjlhappen'bedreeven temaa- ken , en haar goede zedelyke gevoelens inteboezemeift G.) De Vraag, in hetjaar 1781 vopr de en in 1787 voor de tweede maal opgegeeven, om te beantwoorden voor prlmo November 1792: Welke zyn de beste en vaardigjle middelen^ om bet gebruik der Nederduitfche Spraak onder de Ma- lajers, Javaanen, Cingaleezen en^ Malabaaren intevoe* ren, en meer en meer algemeen gebruikelyk te maa* ken? Nademaal het ontegenzeggelyk is, dat hee. gebruik der fprnak eener Natle, de andere, die zt aanleerty meer aan haar verbind-, haar meer ge- fiegenheid en yver voor die Natie inboezemt; ze ge~ fchikter maakt , zo het een nog onbefchaafde Natie is , tot- bet ere begrlppen van Qodsdlenst^ Zedekun- de, Natuurkundige Naafpeuringen , om befchaafd* held van het Ferfland te ontvangen , en dus bruik* baarer tot de Zeevaart^ Wapenoeffenlng^ en veele andere nuttige en noodzaaklyke Konften : en Hand* werken.te H.) En uic het Fonds van wylen den Heer Di- r.ecteur N. W. K o p s om te beantwoorden v66r pri* mo November 1792 de vraag, opgegeeven den 21 Mey 1 790. srxvm V O O R B E R l c H T. " 9 Wat her en de I a at ere, entdekkingen in defckei- 9 bunde? omtrent den aart der gist ing, en welke 2 voordcelen zouden zommige Trafiequen'-hier-uit kun- 9 nen trekken , by welkcn gistende ft oft en gebezigd 5 worden?' - I.) De Vraag', opgegeeven in 1782 om'te beant- Vroordcn voor 1788 over de bchoudenis der Gezon.d held ziilker menfchen, welke in Oost-lndicn aahko- 'mm; en toen we der opgegeeven, om te be- antwoorden voor den i iimy I?(OQ in deezer voeke: J j ' ' * . O Kan men op vodoendegronden, zoo nit de aarite- J&ningeii in de 'Hospitaalen en Doodlyften? ah -an- derzints, b^wyzen, dat "*er in eene rede 'van het ge- tal der Ingezetcnen, inzonderheid van de niemviings #..Europa te Batavia dangelanden , thans ongclyk me.er Menfchen aldaar ziek ^vorden en flerven^ dan xwrheen , itoet byvoeginge wanneer de kennelyke ver- meerdcring.begonnen^ en van tyd tot tyd toegeno.- men is? Welken zyn hiervan de voornaame oorzaak'en ? En Itcin men uit den aart der ziekten, en uit Vzrgelyk-in- ge met andere plaatf'en in Europe zoo wel ah /Oost- Jnditin r maar vooral uit de 'gej'chiedkundige plaats* befchryvinge van Batavia, tot eenen trap vftn dehoog- fie waarfchynlykheid be too gen. ? dat die Stad, tocn de Gragten binneti dezelven , welken wele'cr , toen zy. yoor eene der 'gezondfle Plaatfen in Oost-Indien .ge- houdenwerd, vol water waren, nu in fommige tyden Van "tj.aarzeerondiep en droog ' $yn , enftinkendt Dampen zich over de Stad verjpreiden , .in evenre- digheid ( behalven andere nadeelige gevolgen ) fteeds. geworden , en zulks derfiahen ah de " Y Hoofd- VOORBERICHT, Jioofdoorzaak der meerdere ongezondheld te ftdkn V$l En eindelyk , hoedaanlge verbeeteringen zyn tier- wntrent met hoope van eengoed gevolg uit t$ denizen en werkftellig te maaken ? K. Daar hetzekeris, dat de groothatd der dftro* nomifche Refraftie verfchillende is , naar den verfchil- Jenden fland van den Barometer en Thermometer, yraagt de Maatfchappy ? ? Eene Theorie der Aftronomifche Refradie , waar* 9 uit^ voor elken gegeev en ft and van den Barometer , en Thermometer, en voor alle hoogte van^tHemel- 5 llcht boven den Gezicht-einder ^ de grootheld der \ Aftronomifche\Refraftie naau'wkenrig kan words^n , bepaald" De Maatfchappy voegt hier nog by: 1. Dat deeze Theorie of moet zyn afgeleid ulc naauwkeurige Aftronomifche Obfervatien , of ten mii^- ite met dezelve overeenkomflig zyn. 03 2. Zygeeft in bedenking, of de verfchillende graad ,van vogtigheid des Dampkrings, ook niet eenen mer^ kelyken invloed hebbe op de veranderlykheid der Re- fradie? ' 3. Meent zy ook te moeten herrinneren aan deFor- mule, welke de Heer DELA GRANGE (Nouveaux \Memoires de V. Academic de Berlin pour 1772. pag. 259.) gegeeven heeft, en de daar over gemaakte Aan- merkingen van den Heer Prof. DA MEN ^Disfert. 4& 4 XL V R B E R I G H T-. Montium ahhudine Baromct, ntethnda^ tkgce Com, 1783 in Additam. Opgegeeven 21 May 1788 om te beantwoorden voor. prlmo November' 178-9 geene Aritwoorden zynde m- gekomen word dezelve wederom ter beandwoordjng* voorgefteld v6dr/>r/;#0 November 1793. onderuanbod van den DUCUELDEN EERPRYS/ K. ) Op de vraag, , /H^elke is de tegenwoordige Ge- , nees- en Heelwyze for OOST- IN bis CHE VOL- , K E N, ookder C H i N E E z EN ; en welken zyn de na- , iuurlyke Foortbrengjclt'^ die zy aaartoe bezigen? (Voprgefteld in 1784. om beantwoord re worden,, ' voor prlmo November 1789.') geen Aritwoord inge-' komen zynde, fs dezelve op nieuw voorgelteld ter beantwoording voor prlmo November 1795. ond^r aaub.od van den Dubbelden Eerfrys. IV.) Pe Prysverh an deling van wylcn den Heere. PAULW FRISI, dienende tot f Ancwoord op de Vraage tiooperis het-verklaaren der Qngelykheden der Satef- lit en van Jupiter, thans zyndeuitgegeeven, herhaalt de Maatfchappy haare verklaaring, dac haars cordeels, de Schryver daar van weinig of niets heeft gevoegd by het geene reeds ce vooren door de beroemdc He'ef- renBAiLLY, DE LA GRANGE en FRISI (zelven) gedaan was , omtrent dit onderwerp , en dat tiy aan het voornaame oogmerk der Vraage, om namentlyk de Theorie aan de Wtiarneefhingen te'tbetfen,endaar door de gegrondheid zyner Theorie boyen die der gernelde Heeren aantetoonen, in hetgeheel niec heeft voldaan. Zy noodigc derhalven op nieuw, onder aanbodvan den OUBBELDEN EERp&ys^ik eenen uit 9 om te voldoen aan het geene by haar hiervoren toe VQORBERICHT. volmaakinge van gemelcje Verhandcling is be- Zy vertangt nice zoo zeer, dac de Schryver bezjg hoijlde met deenkeje Tbeyrie^i^ dp ^?/ der aantrekkingskrachi afgcleul, inaarveelmeeren wel voornaamlyk, dac hy de Theorie, op, te Waarne&* mingen.. toepasft.; en met'dczelv^n v vej?gelyjce, op dat men, door"de meerdere of raindere oyereen- kdmsc mec de Waarneemingen over den graad van juistheid,zoowel van zyne als yaii andere Theorien, zoude kunnen oprdeelen. > Het voprnaarae oogmerkder Maatfchappye is,om, langs dieh weg , van de Beweegingen der Satelliten van Jupiter zulke T,qfels te verkrygen , vye|ken naauwkeuriger zyn dan de toe hier toe bekenden; 'czy dan dat die Tafels volgens die enkele Theqrie wieyden zamenr* gefteld ; of' wel zo deeze^ alleen onvoldoende be* vonden wierd, met behulp van Empirifche Aequa- tien^ uit de Waarneemingen afgeleid. En, dewyl de Waarneemingen van den der den en vlerden Tra want onnaauwkeiiriger en zeldzagimer zyn, dan dip der twee overigen , zal de Maatfchappy zich verge- noegen, waniieer , net geene zy verlangt, voornaam- lyk maar omtrentden eerftcn en tweeden Trawant* wier waarneeming wel den grootften invloed heeft op de Zeevaart en /4Wfh ke de natuur da arm volgt? In hetjaar 1781 voor de eerfie reize opgegeeven om te beantwoorden voor prlmo January 1783. en toen niet voldoende beantwoord zynde, op den 2 1 Mey 1783 voor de tweede reize voorgefteld om te be- antwoorden voor primo January I7j8p met byvoegingc dat V 6 O R B E R I C H ft ? 'Sat de Maatfchappy op deeze Vraage ge*ne Qverna* iuurkundige Verhandelingen Verlangt, maar Antwoor* den, uit de Natuurlyke Historic ontleend, alleen in aanmerking zal neernen: insgelyks niec beantwoord 2ynde, is toen goedgevondeil dezelve op nieuw opte- geven , om te beahtwoorden voof een onbepaalden tyd. In 1791 is wel Weder een Antwoord ingeko- inen maar onvoldoende geoordeeld , ook is die jaar weder een Antwoord ingekomn onder de Zin- Iprelik Non fingenduin , aut excogitandum 9 fed in* b&niendum & obfervandum , quid natura faciat aut ferat. B AGO het welk ryplyk over- woogen zynde is geoordeeld, en beilooten, offchooa gem. Antwoord vaneene zeer bekwaame hand kwam, en eenige goede verdienilen had, heczelve nietaande> bpgegeeven vraage v r oldeed, en het derhalven niec met den Eerprys kon bekroond worden; -* maar dat men de gem. Vraag voor het vervolg nog voor een onbepaalden tyd zal openlaaten. B.) Op de Vraag in 1 790 opgegeeven om te be* antwoorden voor primo November 1791 dus luidende. Edn der voornaame gebreken van de gewoone Schepradmolens is ongetwyfeld daarin gelegen, dac het Rad ondieper in het water flaat, naarmaate het fneller omloopt, en dds dat de weerfland of last vermindert^ naarmate de beweegkracht toeneemt, en omgekeerd. paar echter in , dit geval , buiten kyf , kracht en tyd iiutteloos verfpild, mltsdien ook tegen de eerfle regels der wcrktuigkunde gehandeld word; zo word gevraagd : , op i welke wyze kan het gcwoone fcheprad^ behoudens 9 deszelfs oyerige volkomenheeden^ zoodanig verbe- 9 beterd en toegefteldworden ^ dat^ de toevoer van water , geduurig aan de ontlasting geevenredigd zynde XLv-1 V O O R B E R I C H t< , het rad altoos , het zy hetzelve fnel of l % beweege even diep in het 'water hangeT Als een tweede gebrck moet men aamnerken, dat, vqlgens de rcgenwoordige gellcldheid der Schepradmolens , de wccrftand of last nice verminderd of gematigd kan wordcn, naafmaate dc beweegkragt vermindert, vvaar door de Molens by verflapping van den wind, genood- zaakc zyn ftil te flaan, men vraagt derhalve in dc tweede plaacs , Welk het gefchiktfte middel ^y, om, , dit gebrek te vergoeden , mits hstzelve zonder aan- > merkelyk tydverlies werkftellig gemaakt kan wor- , den en geene grootenoch geduurige oplettenheid van i den Molenaar vereifche. Zyn verfcheiden antwoorden ingekomen en is de Eerprys van een GOUDE MECAILLE toegeweezeni aan den Schryver, onder de Zinfpreuk: Hollands grootfte zo met eenlge hoop tot bewooning en Land- bouw, dewelke by de opening van het Billet is geblee- ken te zyn de Heer J. B LAN KEN JANSZ. Luite- want by V Corps Artillerie, ten dlenfte dezer Ian- jden en opzlchter van 9 s lands fortlficatien te Brlelle^ op aangeeven van deszelfs Vader J. T. BLANKED Fabricq en Dykmeester van de Krimpenrewaard cnz. Voorts een Zilvere Medaille als een Accesfit aan den Schryver der Verhandeling onder de Zinfpreuk/ Est quodam prodire tenus^fi non deturultra^ indien dezelve goedvind zynen naam te melden. (*) Als (*) Het billet op verkreegene toeftemminge des Schryvers geopend zynde , is gcbleeken, dat was de Heer J. D Hui"* CHELDOS VAN LIENUER te Rotterdam, aan wien dan opk d Zilyere Medaille ak een ACCESSJT, is bezorgd; V O O R B E R I C H T. Als mede een Zilvere Medaille aan den Schryver der Verhandeling onder de Zinfpreuk: met lust^ als cene erkentenis voor deszelfs aangewende moeite , in- dien hy goedvinden mogt, zynen naam te melden. Q*) De Maatfchappy acht het wyders nice ondienftig by deeze gelegenheid aantemerken 9 dat zy de hier in de eerfle plaats gemelde vcrhandeling, en het daarby voorgedraagen on twerp , om door niiddel van drie fchepraderen in een zelfde Moleri , van den wind hcc voordeeligst gebruik te maaken , bekroond heeft , niec tegenftaande haar bekend is, dat zoo wei in hec CROOT MOLENBOEK als ook daadelyk in deeze Provin- cie, Molens met meer dan ecu fcheprad gevonden worden, oordeelende dat deeze laatstgemelde Molens in zeer weezentlyke deelen verfchillen , van het ont- werp , zoo als hetzelve door den Schryver der Prys- \erhandeling word voorgefteld, het zy met betrekking tot het getal en het gebruik der fchepraderen , het zy ten aanzien der verdere verbeteringen , welken ter be- reikinge van het oogmerk, by de vraag, der Maat- fchappye bedoeld, allefints vereischt worden : verklaa- rende wyders de Maatfchappy ten overvloede dat zy met de verdienften deezer Verhandeling te erkennen, en te bekroonen , egter geenzints verflaan wil worden dezelve in haar geheel en bepaaldelyk de daarby ge- ^iielde toepasfing van t de fchroef zonder einde goedte- kcuren. C. Op de Vraag. Wegens de Theorie van Doctor CRAWFOKD, omtrent het Fuur en de Warmte , in 1783 opgegeeven , by voorgaande Programmata te meermaalen uitvoerig gemeld. D.) Op' (*) De Schryver is bevonden te zyn de Heer JAN MAH- cus VERKUYL te Zaandyk: dcvvelken in gcvolgc van dien das ok de beloofde lYIedaille is s:egeeven. *Lvm vbdkBERI'CH f , D.) Op de Vraag. Over de nuttigheid^ en 'ckr\ i halven obk ''de nbodzaaklykheid van een Rhynland- , fche Slaperdyk, in geval van over 'loop , insgclyks voormaals uitvoerig voorgefteld mede geeri Antwoord ingekomen zynde is beflooten dezelve beiden weder op te geeveri, bm te beant\vodrdeii voor eenonbepaal den tyd. .) <3p de Vraag uit het Fdnds van wylen den Heer N. W. KOPS, 1788. opgegeeven om to beantwoorden voor primo November , Welkeh zyn de.DELFSTOFFEN bitirieri den ^ oramekring der Zeven vereenlgde Provincien ^ en derzelver Geasfocleerde Landfchappen te vihden, , van welker vefdere naafpooring men rhet gehoegzaa- ; me redenen nut voor 'c Vaderland kah verwach- j ten?' met byvoegirige, dat mefi g6^nen en- kelen lyst van gemelde Delflloffan begeert, maar te- vens de redenen , waarom men zich van derzelve^ verdere naafpooringen vobrdeel voor het Vaderland bebbe te belooveri. Antwoord ingeicoineh zynde , is dezelve ge- continueerd om te beantvvoorden voor primo Novem- ber 1793. II.) Vervolgens overgaande tot bet Arresteeren van Nieuwe vraagsn voor dit jaar, heeft zy beflooten ter beantwoordinge voor primo November 1793 voor ce ftellen de Vraagen. a.) Welken zyn de redenen en oorzaaken , dat fommlge Frouwen $ op fommige plaatfen , naa eene natuurlyke verlos/mg , dlkke lighaamen behottden ? -*- .V O O R B E R I C H T, yelken zyn de middelen om zulks voortekoomen , of, die daarmede behebt zyn, daarvan te geneezen, zon~ der eenlg nadeel toetebrengen , voor eene volgende zwangerheid. B. Uic hec Fonds van wylen den Heer Directeur N. W. KOPS, om te beancwoorden voor primo No* vember 1795 de Vraag: Welk llcht verfpreidt het Scheikundig leerflelzel van LAVOISIER, en de wyze van , volgens hetzel~ ve, de beftanddeelen van dierlyke, plantaanige en andere flojfen te onderzoeken, over de Natuurken- ms van V menschlyk lighaam, en over de kennls van het geene^ het welk voor hetzehe voordeclig of I'chadelyk is , en welke voordeelen kan de genees- konst thans reeds daaruit trekkent III. De vraagen , door de Maatfchappy tc vooren op- gegeeven , en waarop zy voldoende Antvvoorden race verlangen te gemoet ziet, zyn de volgenden. A.) Om te beantwoorden voor primo November Sedert lange zoekt wen na den eerften en algemeenen grond van zedelykc Verplichting^ uit welken men alle meer byzondere Jioofdfoorten van Plig* ten zou knnnen afleiden; de Schryvers over het ZE- DELYK GEVOEL fchynen zig hleromtrent in eenige yerleegenheid te bevmden (*) en de Heer KANT heeft (*) HulshofF over Gods Wetgeevende mngt , in de Stolp* Verhand: gedrukt te Leyden 1766 Hoofdft. IV. Byzonderlyk S3- 35- Ded. ;, VOORBERICHT. beeft eene grondftelling aangeweezen (*) welk&fonf* ungen duister , anderen onzeker of onvruchtbaar yoorkomt (f). Hierop word gevraagd: is het rede- lyk, noodig of nut tig na zulk ceir 9 eerjte Algemeeno, grondftelling te zocken ? zo jaa ; w elke is dezel- B.) Uic het Fonds van wylen den Heer Direc- teur N. W. KOPS, 1789. voorgefteld om te beant- woorden voorfrimo November 1792. De Vraag: Welken zyn de Onderwerpen , betrejfende de Die- ren onzes Vaderlands, van welker verdere naafpoo- ring men met genoegzaame redenen nut voor het Va- derland kan verwachten? Van zoodanige Onderwerpen verlangt de Maatfchap- py insgelyks geeneenkeleLyst, inaar tevens de rede- nen , waarom men van derzelver verdere nafpooringen vooideel voor het Vaderland hebbe te verwachten. C.) De Vraag, clen 22. Mey 1786 voor de eerfte, tnden 21 Mey 1787 voorde tweede reize voorgefteld , om te beantwoorden voor primo November 1792: Wtlke is de beste inrichting , om aan de Jeugd te Batavia eene opvoedwg te geeven , die meest ge- fchikt is om hciar Ferfland te befchaaven, haar in mtttige Runs ten en Wfeetenfchappen bedreeven te mva- (*) Grundlegnng zur Metaph der Sitten bl. 52. Zweyte aufl: by J. K. Hartknoch Riga 1786. (f) Kant Critik der Praft- Vernunft ibid. 1788. Voorrede bl. 14 17. ZENO over ongeloof en zeden bl. 10. V O O R B E R I C H t. maaken l> en haar goede Zedefyke gevoekns zemen, ' D.) De Vraag , in het jaar 1781 voor de eerfte, en in 1787 voor de tweede maal Qpgegeeven om te beantwoorden voor primo November 1792: Welken zyn de beste en va.ardigfte . Middelen , ont 'het gebruik der Nederduitfche Spraak o.nder de. Ma- \ lajers , Javaanen , Cingaleeze.n en Malabaaren intevoe- ren > en nicer en meer algeineen gebruikelyk te maa- ken? Nademaal het ontegenzeggelyk is, dat het ge~ brulk der fpraak eener Nettie, de an der e, die ze. flanker t) meer aan haar verblnd^ haar meer gene~ genheid en yver voor die natie inboezemt; zegejchik- ter maakt) zo het een nog onbefchaafde Natie. is 9 tot betere begrlppen van, Godsdiensl, Zedekunde^ Natuurkundige Naafpeuringen^ om befchaafdheid van het verftand te ontvangen , en dus bruikbaarer, tot de Zeevaart , , Wapenoeffening., en yeele anderc nuttige en noodzaaklyke Konften en Handwerken t& worden ? . E.) En uit -het Fonds van Wylen den Heer Direc- t-eur N. W. Kops om te beantwoorden voor primo November 1792. de vraag, opgegeeven den 21 Mey 1790. / . . ~ . - '-_. ^ Wat leer en de I a at ere ontdekkingen in de fchei* , kunde , omtrent den Aart der gisiing; en welke 3 ' voordeclen zouden zommige Traficquen hier uit kun- s nen trekken , by welken w or den? F.) De Vraag, opgerreeven 101782 omtebeanc< 2 woof- tii V O O R B E R I C H TV woorden voor 1788 over de behoudenis der Gezondheld ztilker menfchen , welken m Oost-Indien aankoomen; en toen weder opgegeeven , om te beantwoordent voor den i Juny 1793 in deezervoege: Kan men op voldoende gronden ^zoo uit de aanteke- witigen in de Hospitaalen en Doodlysten , als ander- zints 9 bewyzen, dat ^er in eene reden van het get at der Ingezetenen , inzonderheid van de nieuwlings uit Europa te Batavia aangelanden , thans ongelyk meer Menfchen aldaar ziek w or den en ft erven , dan voor- heen^ met byvoeginge wanneer de kennelyke ver- meerdering begonnen, en van tyd tot tyd toegeno- men is! Welken zyn Jilervan de voornaame oorzaaken? En kan men uit den aart der ziekten, en uit vergely- kinge met andere plaatfen in Europa zoo wel als in Oost-Indien, maar vooral uit de gefchiedkundi- ge plaatsbefchryvlnge van Batavia, tot eenen trap van de hoogfle waarfchynlykheid betoogen, dat die Stad toen de gragten blnnen dezelve , welken weleer , toen zy voor 6ene der gezondfte Plaatfen in Oost-Indien -geJiouden ward, vol 'water waren^ nu in fommige tyden van V Jaar zeer ondiep en droog zyn , en ftin- kende Dampen zich over de Stad verfpreiden , in evenredigheid (behalven anderenaadeelige gevolgen*) fteeds ongezonder geworden, en zulks derhalven als de Hoofdoorzaak der meer der e ongezondheid teftellen En eindelyk, hoedairige Ferbeteringen zyn hier- ' omtrent methoope van een goed gevolg uittedenken , en werkfteltig te maakenl Daar VOQRBERICHT. G.) Daar het zgker is, dat de grootheid tronomifche Refraftie verfchillende is, naar den ver- fchillenden Hand van den Barometer en Thermome- ter, vraagt de Maatfchappy: i EeneTheorie ^rAftronomifche Refractie, waar- j uit , voor elken gegeeven ft and van den Barometer , en Thermometer, envoorallehoogtenvan'tHemel- , licht boven den Gezicht-einder ? de grootheid der , Aftronomifche Refraffiie naauwkeurig kan worden , bepaald? De Maatfehappy voegt hier nog by: 1. Dat deeze Theorie of moet zyn afgeleid uit naauwkeurige Aftronomifche Obfervatien , of ten min- fte met dezelven overeenkomllig zyn, 2. Zy geeft in bedenking , of de verfchillende graad van vogtigheid des Dampkrings, ook niet eenen merkelyken invloed hebbe op de veranderlykheid der Refractie? 3 .) Meent zy ook te moeten herinneren aan de Formu- le , welke de Heer DELA GRANGE (Nouveaux Memoir es de VAcademie de Berlin pour 1772 pag. 259 ) gegeeven heeft , en de daar over gemaakte Aanmerkingen van den Heer Prof. DAMEN ( Disfertat. d& Montium altitudine Baromet. metienda^ liagce Com, 1783 in Additam. Opgegeeven 21 May 1788 om te beantwoorden voor primo November i78()geene Antwoorden zynde in- gekomen,word dezelve wederom ter beandwoordinge voorgefleld v66f 'primo November 1793. onderaanbod DUBBELDEN EERPRYS. **** 3 yoori VOORBERICHT. H.) Op de Vraag uit het byzondere Fond*, vein wylen den Hecr Direct eur N. ^VV. KOPS, opgegee- ven den 21 Mey 1787 om te beantwoorden voor pri- mo November 1/90 en op den 23 Mey 1791 weder opgegeeven om te beantwoorden vooj* primo Novem- ber 1794. , Is het Heulfap in den Persloop uit befmetting^ ', niet alleenlyk een hulpmiddel ter verzagting en ftil- 5 ling van Toevallen, mitsgaders ^er voorkooming vaa , derzelver gevolgen ; maar bovendien , een Hoofd 5 middel, waarvan men de geneezing der Ziekte^toc , eenen aanmerklyken trap aanweezig, in eenig tyd- ^ perk derzeive , met genoegzaame veiligheid mag , afvvagte^n? Zo jaa; welk is dat tydperk, ofte die; , byzondere ftaat der ziekte, hier toe gefchikt? En 3 welke is alsdanfde bekwaame toediening, hocveel- ^ heid en herhaaling, in het aanwenden van dit Mid- ^ del, fen deezen einde in acht te neemen?Zo neen, $ wat moet men alsdan Jipucien van de Redenen, ter ., ftaavingder verfchillencle Leeren opgegeeven? ' IVJen vedangt niet zoo zeer redeneeringen uit den aart van het Heulfap , ofte uit de eerlte oorzaak van dee- zen Persloop ontleend, als wel zulken, die (leunenop eigene Waarneemingen en verder op waarncemingen van andcren , van die beftiptheid , dat zy eenen Arts, fchoon misfchfen bevoorens van verfchillende niee- ging, ofte ook van fchynflrydige ondervinding , be- hooren "te bepaaien tot zulk eenc toeftemming, vol- gens welke hy zyne handelwyze voorraan gerustlyk jnooge inrichten naar- geleide der beflisfing. VO O R B E R I C H T. Bedoeling van eenlge Uitdrukkingen in deeze Fraag. i. In den Persloop uit befmetting fchynt de Ziekfe- iloffe van buiten aangekoqmen , en het Spyscanaal on- middelyk aandocnde, als de eerlte oorzaak door ee- nen Arts voor alles in aan mer king te moeten worden genoomen. De ontlasting en temraing deezer (loffe, fchynt alsdan by hem het hoofd-oogmerk te moeten zyn; alle toevailen fchynen gevolgen ofte uitwerkfe- len van die lloffe; andere bykomende oorzaaken kun- nen alsdan flee his de tweeden zyn. In een Persloop uit andere eerfte oorzaaken, is 'er een verfchillend hoofd-oogmerk. Men Jaat de bedenkingen over eene alsdan gepaste geneeswyze aan haare plaats. Men be- paalt zich tot den gewoonen Persloop uit befmettinge, ten einde het voornaame doelwit der Vraage, door weeringe van tusfchenkomende voorwerpen te beter in het oog te houden. 2. Waarneemingen eener behan deling der Ziekte tot eenen aanmerkelyken trap aanweezig , kunnen alleen beflisfend zyn. De natuur kan, in laagere trappen, wanvoeglyke middelen verbeteren, en dus aan dezelr yen den fchyn van hulpmiddeien laaten, ofte ook de ontftentenis van gepaste middelen vervullen, en dus, uit deezen of geenen hopfde , eene beflisfende uitfpraak yerhinderen. 3. Men verlangt eene genoegzaame veillgheld^ ^oi^ der eene volkomene te vereifchen. 4. Redeneerlngen uit den aart der zaaken , fchy- nen in de Geneeskunde beter gefchikc ter haudleidin-* V O O R B E R I C H T. getotProefneemingen, danwel ten grondflage ceniger Leere , die op genoomene Proeven alle'en veiliglyk kan bevestigd vvorden. 5. Het is niet vreemd, dat een Arts, hot vieren- de aan zyne zugt om eenig middcl of handelwyze, ten beste der menfchen in zwang te brengen , of te doen verwerpen, opgemerkte verfchynfelen vergroot of verkleint, enuit byzondcre gevallen, tc algemeene gevolgen trckt. Weshalven geene proeven, opge- geeven ter ftaaving eener gewigtige Leere , ook fchoon men de goede trouw van den Waarneemer erkent, ons tot naavolgingc behooren te bepaalen , dan zulken, die men naa overweegirrg der omihndigheden gevoelt, dat verfchillende meeningen , die in ons bevoorens misfchien hebben plaats gehad , doen verdwynen, ofte fchynftrydige ondervlndingen in ons ontzcnu- wen. En uit bet Fonds van wylen den Heer Direfteur N W. KOPS, om te beantwoorden voorprimo No- vember 1794. I.) Daar volgens de bekende gronden der Water- Joopkunde de fnelheld der Rivieren vermeerderen moet,naar maate {fchoon niet in dezelfdereden^^vati devermeerderde hoeveelheid waters, die zy afvoe- ren , het geen wyders eene uitfchunring van den bo- dem , 'wanneer die daartoe gcfchikt is , ten gevolge heeft, en langs dien weg te weegbrengt , dat deeze ytrmeerderde hoeveelheid van water , niet te mm gttnc , of jleclits weinig meerdere watershoogte opds. Kivier veroorzaakt , gefyk zulks door vcrfchelde voorbcelden van vcreeni^de. Rivieren in It alien , die 9V or een zandig bedde flroomcn ? bevestigd word: daar V O R B E R I C H T. LVII daar egter fommige Rivieren in ons Land^ en wel yoornamelyk de Neder-Rhyn het tegended fchynt te bevestigen , voor zoo verre deeze tak, federt, met het 'begin deezer Eeuw , de toevoer van water aan denzel- yen, zoo wel by hooge als laage Rivier , zeer aan- merklyk vermeerderd wierd, eerder verondiept, dan. dieper geworden is , en de aanpaalende Dytzen , ten- win/ten voor de federtijji gemaakte verbetering cmtrent de verdeeling van het opperwater tusfchen de verfcheide Rivier-Takken , met zelden in gevaar gebracht heeft. ? , Zo word gevraagd , welke is of , zyn de redenen , waaroin bepaaldlyk in laatstgem* , Rivier-Takdeuitkomst niet beantwoordt, maar veel , eer ftrydt met den boven aangehaaldsn t op Reden en 5 ondervinding fleunenden grondregel der waterloop- , kunde ? En byaldien deze re den of redenen niet flechts , onderjlellender wyze , maar met zekerheid aangewee- 9 zen kunnen warden , zyn zy , of eenigen van haar van ^dienAart^dat zy door gepastemiddelen tekeer ge- , gaan kunnen w or den ? En zo jaa , welken zyn die, 9 middelen^" K.) Op de vraag, 5 fl^elke is de tegemvoordige Ge- , nees- en Heelwyze der COST- IN DISC HE VOL- , K E N, ook der C H i N E E z EN ; en welken zyn de na- ? tuurlyke Foortbrengj'els , die zy daartoe bezigen ? Voorgefteld in 1784 en voor de tweede reize in 1790 om te beantvvoorden voor primo November 1795* L.) De vraag, , Nademaal cen zuivere Damp* , kr Ing van zoo grooibelang is voorde gezondheid der 9 Ingezetenen , en dezelve by "*tftaande ope te lang- zaam afloopende Water in de Rivkr , ( die dage- lyks V O O R B E R I C H T. , lyks in den omtrek van Batavia met veele duizendefi ? ponden vuiligheeden aangevuld word^)onmogelyk y kanverkreegenworden: Welkis het beste Mid del ^ ? om eenefterkere jchuuring en afvoering deezer vui- 9 le ft o fen te verkrygen en te onderhouden , en. a.an 9 Batavia een zuiverer en gezonder lucht te bezor- , gen: In den Jaare 1779. opgegeeven om te beantwoor- den v56r primo January 1 7 85. En toen onvoldoende hcuntwoord zynde, werd deceive op Nieuw voorge- ileld om te beantvvoordcnv66r/)r/>^ November 17.89, dan daarop toen insgelyks gee'n Antwoord ingekomen zynde, word dezelve weder onder dezelfde uitlooving, opgegeeven, om te beantwoorden voor een onbepaal- den tyd, dat is, dan en wanneer eenig Schryver zulks mogt goedvinden. Hierop is in 1791 een Antwoord ingekomen, dan hetzelve niet voldoende geoor ieeld zynde, blyft deeze Vraag als voren nog ter beant- woording open voor een onbepaalden tyd. M.) DC Vraag, opgegeeven den 21 Meyi782. om te beantwoorden voor 1785. en toen wederom voor- gefteld om te beantwoorden voor ~~primo Novem- ber 1787. Itiidende aldtis . ,Schoon men thans m 5 dehtchtkennis zcer v err e gev order d is, he eft men. , echtertot nu toe omtrent de verdikte Lucht (lechts , weinige Proeven genoomen. PTaarfchynlyk is dit , aan de onvolmaaktheid van den daar toe noodsgen- , toefteltoeiefchryven;waarotndeMaatfchappy thans yraagt . i. Op te gecven den besten toeilel, ,om op de gemaklykde en zekerfte wyze Proefneemingen om- trent de verdiftte Lucht te kunnen in 'twerk ftellen: 2. Met den besten toeltel de werking der verdikte Lucht, in vcrfchillende gevalien, na te gaan; en in- zon- V O O R B E R I C H T: LI* zoriderheid het dierlyke leven , den groei der Planten, en het branden in lucht van verfchillende digtheid te beproeven. En 3 aantewyzen, welke gevolgen of nieuwe leeringen hieruit kunnen afgeleid worsen? Ook toen ge en Antwoord ingekomen zynde , is daar- om dezelve wederom voorgeiteld om te beantwoor- den voorprimo November 1790. Weder onbeantwoord gebleeven zynde, heeft de Maatfchappy beilooten dezelve voor een onbepdalden ter beahtwoording optegeeven. N.) Op de Vraag, voorgefteld den 22 Mey 1786 om te beantwoorden voorprimo November 1787 en tpen wederom opgegeeven om te beantwoorden voor primo November 17^0. luideride aldus: Hoe >verkrygen de Plant en haare voedfels? is dezelve Jilenn voardeelig of hinderlyk ? En welkz onderrichtlngen zyn 'er, ' uit het geene ons hier van* bekend is , ten nutte van den Landbouw , of ter yoortkweeking van de Gewasfen , in het algemeen t& trekken? Is wel in 1791 een Antwoord ingekomen, doch Jietzelve jiiet voldoende zynde geporcleeld is : gepas- feerd, maar beflooten de vraag te continueeren om te beantwoorden voor een onbepaalden tyd. IV.) De PrysVerhandeling v^n wylen den Heerei PAULUS FRISI, dienende tot Antwoord op de Vraa- ge nopens het verklaaren der ' Qngclykheeden derSa* telliten van Jupiter, thans zynde uitgegeeven, her- haalt de Maatfchappy haare verklaaring, dat haars oordeels de Schryver daarvan weinig of niets heeft LX VOORBERICHT. gevoegd by het geene reeds te vooren door de be- roemde Heeren BAILLY, DE LA GRANGE eq FRISI (zelven) gedaan was, omtrent die onder- werp, en dac hy aan het voornaame oogmerk der Vraage, om naaraentlyk de Theorie aan de IVaarne- mingen te toetfen , en daardoor de gegrondheid zyner Theorie boven die der gemelde Heeren aantetoonen , in hec geheel niet heeft voldaan. Zy noodigt derhalven op nieuw,onder aan bod van den DUBB EL- DEN EERPRYS, elk eenen uit, om te voldoen aan het geene by haar hier te voren tot volmaakinge van gemelde Verhandeling is begeerd: , Zy verlangt niet zoo zeer , dat de Schryyer zich 9 bezig houde met de enkele Theorie uit de PPet der 9 aantrekklngs-kragt afgeleid maar veel meer en wel , voornaamlyk, dat hy de Theorie op de Waarnee- 2 mlvgen toepasfe , en met dezelven vergelyke , op , dat men, door de meerdere of mindere over , eenkomst met de Waarneemingen over den Graad , van juistheid , zoo wel van zyne, als van andere , Tfieo- ? n'^,zoude kunnen oordeelen. Het voornaame , oogmerk der Maatfchappye is , om langs dien weg ,. van de Beweegingen der Satelllten van Jupiter zul- 3 ke Tafels te verkrygen , welken naauwkeurigcr zyn , dan de tot hier toe bekenden ; 't zy dan dat die 9 Tafels volgens die enkele Theorie wierden zamen^ 9 gelteld ; of wel ( zo deeze alleen onvoldoende be- , vonden wierd) met behulp vmEmplrlfche Mqna* , tien , uit de Waarneemingen afgeleid. En , dewyl 9 de Waarneemingen van den der den en vlerden Tra- , want onnaauwkeuriger en zeldzaamer zyn ; dan die der ? twee overigen , zal de Maatfchappy zich vergenoe- , gen, wanneer, het geene zy verlangt, vooniaamlyk 9 maar omtrent den ecrjlcn en twecdsnTrawant, \viet waar- V O O R B E R I C H T Lxt 5 waarneeming wel den grootften invloed heeft op de ^ Zeevaan en Aardrykskunde , door den Schryver 5 word volbragt.' Met zal der Maatfchappy aangenaam zyn, wanneer de Schryvers htinne antwoorden , zoo veel mogelyk is, bekorten, door alles daarvan aftelaaten, het geea niet volftrekt toe de hoofdzaake ? die zy vraagt 5 be- hoort. Alle de Antwoorden op de Vraagen , en OpfcJirif- ten der Billetten , moeten niet met de eigene hand des Schryvers gefchreeven , nogte met derzelver eigenen naam , nogte met meldinge van hunne Woonplaatfe , maar met eene Zinfpreuk onderteekend, en met eert verzegeld Billet, hetwelke dezelfde Zinfpreuk totop- fchrift heeft 9 waarin des Schryvers naam en adres , door hem eigenhandig gefchreeven, vol uit gemeld zyn, aan C. C. H. VAN DER AA , Secretaris deezer Maatfchappye 9 zeer leesbaar gefchreeven , in het Ne- derduitsch, Fransch? ofte Latyn, FRANCO gezon* den worden. Vraagen opgegeeven voor een onbepaalden tyd moeten mede voor primo November worden inge- zonden. De Prys, gefleld op ieder van de bovengenoemde Vraagen , voor dengeenen, die haars oordeels, de- zelve best beantwoordt , is, fuitgezonderd degeenen, waarop hier boven eene dttbbelde Medaille is geileld,) ee- V O O R B E R I C H IV Goude Medaille op den gewoonen Stempel der Maatfchappye geflaagen, met den Naam van deu Schryver, en het Jaanal op den rand: ofte wel BER- TIG DUEAATEN , ter keuze van den gccnen , dien de Goude Medaille is toegeweezen. Doch zal het den geenen > dewelke den Pry4 behaalen zal , ofce eeri Ac- cesfit zal bekoomen , niet vryftaan, zyne verhan deling, dewelke zoodanig bekroond is, het zy in het gebeel ofte ten deele , het zy apart , ofte by eenig ander Werk, te doen drukken, zonder de uitdrukkelyk.e? -toeftemtning van deeze Maatfchappye daartoe te heb- ben verkreegen. V. Ook heeft de Maatfchappy , met opzicht^ toe alle andere Verhandelingen en Berichten , die haar voor haare Werk en aangebooden zulleh worden , in het jaar 1 779. de volgende Refolutie genomen , en be- ilooten aan het Algemeen medetedeelen : Het zalaan. ieder eenen yryftaan , oin aan eenen der Heeren Di- recteuren, ofte den Secretaris , het geen hy aande Maatfchappye wilde prtefenteeren , oni In haar& JVerken te plaatfen , alleen getekend met eene Zin~ fpreuke^ te mogen ter hand ftellen, of te doen toe* koomen 9 mlts een verzegeld Billet daar by voegende, waarin zyn naam en 'woonplaats gemeld ftaan. VI. Eindelyk , overmits door de Wet, dewelke rot hiertoe de Leden van het dingen na den Prys uit- ilooc, de Maatfchappy, en daar^ door het Algemeen^ zeer dikmaals beroofd bleef van zeer voldoende Ant- woorden , heeft dezelve Maatfchappy op den 22 Mey 1780 befloocen, aan alle haare Leden dc vryheid tot het dingen na den Prys op de voorgeflelde Prysvraagen, van nu af aan en voor het vervolg te verleenen , orr- dcr deeze Voorwaarden; u. Elk V O O R B E R I C H T; a. Elk Schryver, die Lid der Maatfchappy is, zal yerplicht weezen zyne Verhandeling , door een ande- re hand gefchreven , intezenden ; onder verband dat een Lid, welke hier aan niet voldaan heeft, van dea Eerprys zal verfleeken blyven. . b.) Zulk een Lid der Maatfchappy e zal zyne Ver- handeling en Zinfpreuk door het byvoegen vande let- ter L moeten onderfcheiden. c.) Het getal der Advifeurs over de ingekomene Prysverhandelingen , zal ten minften uit drie beilaan; en zullen , is het mogelyk , daartoe zoodanige Ledea gekozen worden, die op onderfcheide plaatien refl- deeren. - d.) Deezen zullen zich op hun woord van eerver- binden , aan niemand anders wie het ook zy > dan al- leen aan den Secretaris hun Advis te zullen mededee- len. e.) Alle Advlfen , welken rouleeren over zoodani- ge Verhandelingen , die met een L geteekend zyn, zul- len naamloos in de Vergaderingen voorgeleezen 9 en de naamen der opftellers volftrekt gefecreteerd worden; weshalven dezelven ook zullen verplicht zyn, aan den Secretaris hunne Naamen in een verzegeld Billet te zenden, hebbende tot opfchrift dezelfde Zinfpreuk, waarmede hun Advis is getekend. f.) De Advlfeurs zullen, in alle gevallen, doch byzonderlyk over de Verhandelingen , met een L ge- tekend , hun pofitive of negative conclude moeten op- geeven. GO In- rxiv VOORBERICHT: g.) Indian onder de benoemde Advifeurs 9 of meer mogten gevonden worden , die na den Prys wilden dingen , zulien dezelven verpligt zyn den Se- cretaris ten eerften te berichten, datzy zich als Ad- vifeiirs excufeeren , die daarvan den Praefident zal ken- nis geeven ; welke beide Heeren de naamen der zoo- danigen zulien geheim houden 9 en tevens door de Al- gemeene Vergadering gcmachtigd worden , om in hunne plaats andere bekwaame Advi/eurs te kie- zen- En eindelyk is op de Vergadering van den 21 Mey 1784 befloocen, het even voorgaande Art. fub litt. g.) in zoo verre te altereeren en te amplieeren , - dat //.) de Heer Prafident en Secretaris in den tyd, nevens nog twee andere Heeren Directeuren, door Directeurcn zulien worden gequalificeerd, om onder verbandvan de fterklle geheimhouding , drieofmeer- der Advifeuren te verkiezen ( volgens lift. c. ) 9 wier Advifen dan zonder naam (volgens lift, e.), in de Vergadering zulien worden voorgeleezen : en inge- valle eene der gekorene Advifeuren zich mogt Excu- fecrcn, alsdan volgens * lift.g.) zyn plaats, mede on- der fecretesfe, door dezelfde Commisfie zal worden vervuld. Tot LED EN zyn aangefteld de Heeren: Le Chevalier , DEODAT DE GRATET DE DELOMIEU^ Commandeur de Mahhe. ; V 6 O R fe E R I C H T. txv Chevalier DON GUISEPPE GIOENI DKS DUCS D'ANGIO, Chambellan fefa Ma- le Rot dcs deux Sicifes etc. etc. etc. Y.VAN ttAMELSVELD , S.S.fheoL Doctor en Profesfor Lid van ver fchcide Gekerde Genootf. etc. etc. woo- mnde te Ley den. GERRIT HESSELINK A. L M. Philof. Dof. S. S. Tbtol. & PUk- fophite Profesfor by dc zinden , te Amerdam-. etc. etc. JOH. F feiller de Cour de fa Majcft6 Bri* tannique & Profesfeur ordinaire eti Medecine de fUnkerfite dc Gottiv- LAUREN TDE Prof, it Eeltnfiad. 'etc>ett. ~ N rf XXFIU Deel ***** WlL- LXVI V O R B E R 1 C H T, V \ WILLEM DE VOS, Leer oar by Doopsgezinden te Amfterdam.etc.eic* W. A. VAN VLOTEN, Hervormd Leeraar &c. &c. monende te Am- fterdcm. RE1NHARD WOLTMAN, Direc- teur des outrages Hydrauliques au Service de la Vllk de Hamburg d Cuxhave. De Maatlcfaappy heeft verder tot haar innig leedweezen door den Dood verlooren van haare Dire&euren. DE HOOG WELGEBORENE HEEREN: Mr. JOHAN ADRIAAN VANDE PER- RE t Heer van Nieuwerve &c.&c.oud 51 jaar en ruitn 3 maanden, over- leeden den 8 April 1 790. COR- VOOfcBERlCHT. LXVO CORNELIS PIETER BARON fwoW, etc. etc. oud 5 1 Jaar overl. den 36 April 1790. Mr. PIETER VAN BLEISWYK 9 0u& Kaadpcn/tonaris en Grootzegelbe- waarder van Holland en Westfries- land &c. &c. oud 66 jaar, overl. den 29 Odober 1 790. DANIEL LODEWYK HOGGUER ^JRjaad in de Froedfchap en Hoofd- Officier der Stad Haarlem , oud 3 1 jaaren, overl. den 27 Mey 1791. Mr. JAN VAN LOON, Oud-Secrc- tarts der, Stad Amfter dam , oud ruira 6? jaaren overl. den n Augustus 1792. ' Mr. JOACHIM RENDORP Heer van Mar queue en Burgemcester der StadAmfterdam-t etc. etc. oud 6% jaaren en 8 inaanden overl. den 21 Sept. 1792, *** a Van win V O O R B E R I C H ^P. "'! Van haare LED EN dc Heerert: JAN zc Batavla overl den 30 Juny 1789. JOHANNES DE VRIES Raadind* Vroedfchap en Oud-Scheepen te Leeu* waarden, oud byna 65 jaareii over- ieeden den 18 Maart 1790. FRANCOIS HEMSTERHUIS , Commis van den Raad van Staattn in 'sffagc, oud omtrent 70 Jaaren overl. den 7 July 1 790. PETER JONAS BERGIUS tiist. Nat. Prof, tc Stokholm, oud 60 jaaren overlcedenden 10 July 17900 J. B. JACOBS Profit for in dc CM- rurgie op de Academe te Leuven^ oud 55 jaaren overleeden in Sep. 1790. J. D. MICHAeLIS Phil Prof, te Gottingcn oud 74 jaaren overleeden den 22 Aug. 1791. VOORBERICHT. G. wwllhASF Hee/meester en Lec- tor te Rj)tterdam.> oud 7 1 jaaren en 6 maanden op, den 26 Mey 1.79,1. JOHANNES DE CAStlLLON, Prof, in, dt Mathefis te Berlyn^ oud 8 2 jaaren en 9 maanden o verlee- dendea n Oft. 1791. J. E. SILBERSGHLAG Kon. Qpper- ConJiftoriaal-Raad etc. etc. te Berlyn 9 oud ^ i jaaren overt den 16 November HE3S T RICUS HQOGEVEEN te Delft. J. J. BLASSIERE PMtof. Dotfor m 'sHagt^ oud 55 jaaren en 6 maanr den overl. den 8 Dccemb. 1791. H. F. DELIUS, Med. Prof. Pri- manuste Er!angen> overleeden * Maart 1792. VO ORB BRIGHT. Mr. J. F. DR YFHOUT Advocaat w 'sHage, oud 83 jaaren en ruim 7 maanderi , overleeden den 23 Maarc A. A. VAN DER MEERSCH , Prof, in de Godgeleerdheid en Kerklyke Ge* fchiedenisfen te Amsterdam oud ruim 72 jaaren overleeden den 13 April 1792. ..... LOUIS, Secretaire de PA- cad. de Cbmtrgie & Paris , oud ruim 69 jaaren, den 19 Mey 1792. NICOLAUS BONDT, Advocaat tt Amfterdam^ oud 60 jaaren overL den 20 July 1 ADAM SMITH, Prof. &c. etc. te G/askow. J. H. DE MAGELLAN , te Londcn. J G. BUSGH Prof, in & Matbef. te Hamburg. en V O O R B E R I C H T. txa JOHANNES OOSTERDYK SCH ACHT Prof, in de Medecynen te Utrecht, oud byng 88 jaaren overleeden den 18 Ayg. De Maatfchappy volhardt in haar verlangen, om deuitbreidingderHeer- lykheid van God en de Welvaart van het Menschdom^zooveel in haar is, te bevorderen,en vprtrouwtopdeon- derfteuning , byzonder van haare Land- genooten. Uit mam der Maat- Haarlem fchappye. den 1 4 Nov. : . C. C. H. VAN DER A A; 1792. Secretaris. Biadz. I N H O U D VAN D I t i . op de Vraage.l Wat men te denken hebbe van hec Moraele bewys van Gods Aanweezen, en wel zoo als bet zel* ve door den Heer KANT is opgegeeven , als ware dit hec eenige ? door Johannes Ckris- tophoru$ SCffffMB, Bladz. ANTVVOORD op dezelve Vraage . 5 -door Frefaricus Daniel Bchn DERDE ANTWOO^D op dezelve Vraage, door Lu&* Heinri'ch Jacob. < ANTWOORD O P D E V R A A G E 1 , VOORGESTELD DOOR t> E HOLLANDSCHE MAATSCHAPPYE DER WEETENSCHAPPEN TE HAARLEM : Wat men te denken hebbe van het Moreele bewys van Gods Aanweezen 9 en wel zoo als het zelve door den Heer KANT is opgegeeven 9 als ware dlt het eenige ? D o d n JOHANNES CHRISTOPHORUS SCHWAB , ffoogleeraar in de Redeneer- en Qvernatuurkunde aan dc Hooge Schoole te Stuttgard^ Hofraad van den Her tog van pyitrtemberg , enz. enz. enz. ONDER DE ZINSPREUKE: QTMf Q7TI OIKOV ftlTttV. LUC. XL VS. If. Aaii wien de Goude Medaille is toegeweezen. DISSERTATIO IN Qu^stioNEisi: Quid de Morali pro exiftentid Dei arguments inprimis eo , quod a CeL K A N x i o unicum fosfibile pradicatur , fentiendum est ? . Deel. A Bladz. 3 BEKNOPT ANTWOORD OP D E V R A A G: Wat men te denken hebbe van het Moreele bewys van Gods Aanweezen , en Wei zoo als het zelve door den Heer KANT is opgegeeven 9 als ware dit het eenlge ? Alvorens het Praktisch bewys te onder- zoeken > door het welke de zeer geleer* de KANT, na ons alle hope van een , op Theoretifche beginzelen gegrondbetoog, ont- nomen te hebben , Gods Aanweezen tragt te ftaven ; zal het niet ondienftig zyn , eerst hec gevoelen dezes wydberoemden Schryvers, uit de critiek der zuwere Rede , met zyne eigene Hoog- DISSEPvTATIO SUCCINCTA, IN qU^ESTIONEM: Quid de Morall pro exiftentia Dei argumento > inprimis eo , quod a Cel. K A N T I o unicum posfibile prtedicatur , fentiendum est ? Antequam argumentum. praftlcum, quo Clarisfimus Kantius 9 omni demonrtrationis , principiis theored- cis fundac^e, erepta nobis fpe, exiftentiamDei adftruere niticur, examini fubjiciamus ; iententia Celeberrimi primum e Critic a puns rationis fuis ipdus ver- A 2 bis .4 A^NTWOORD OP BE VRAAGiE Hoogduitfche woorden voor te draagen, en vervolgens de geheele reeks zyner redenerin- gen in het Latyn voor te ftellen. Zie hier diens Schryvers redeneertrant in het Hoog- ( duicsch . (ay, vervat in de twa&Iv volgende GrondftelHngen : (a) Deze Ifoogdititfche redemringen zal de Lezer kunnen vin- den in de Latynfchs V-rhandeling van den Heer SCHWAB, v an png: 4. tot pag. 6; wyl alle dezelve znaklyk vervat zyn in de bo- vengemelde twaalf Grondftcllingcn, door den Heer SCHWAB daar lilt getrokken, oordeelde de Virtaler t om alle herJialing te vernty- din, 7iodeloc'S dezelve in het Nederduitsch over te brengen. bis germanice exponenda, deinde toca ratiociniorum il- lius feries latino fermonc exprimenda videtur. Argu- mcntandi vero ratio Auftoris hxc est : 3 , Auf die fdr das praftifche Interesfe des Meiifchen fq wiehtige Frage: was foil ich thun ? antworteE die reine Vernunfc: thue das, wodurch du wiirdig wirst, glucklich zu feyn" ( Crit p. 836. Nov. Edit.) Dieis ist ein/reines "moralifches Gci'etz, das vollig a priori den Gebrauch der Freyheit eines verniitifti- geh Wefens bedimmc" (ibid.) Nun Ifefsc fich aber waiter fragen : wie , wenn ich mich nun fo verhalte, dafs ich der Cliikfeligkeit nicht unvviirdig fey, darf ich auch hoffen 9 ihrerdadurchtheil- liaftig werden zu kpnnen? .dntwort: ja: denn das Sys- tem der Sitclichkeic isc mit dem der Gliikfeligkeit in der Idee derreinen yernunfc-unzertrennlich verbundeA, (p. 837.) und der einem jeden vernimftigen Wefcn na- tLirliche und nothwendige Zweck wird nicht durch Sitt- lichkeit alleia, ( wovon di~ herrlichen Ideen zvvar Ge- dcs Bcyfalls und der Bewunderung 5 aber nicht OVER GODS AANWEEZEN, RNZ. 5 i. 'Er is eene Zedelyke Wet , die nood- zaaklyk is , en door de zuivere rede van vo ren nicht Triebfedern des Vorfatzesundder Aufiibungfind,) fondern durch die mit der Sittlichkcit nothwendig ver- knupfte und derfelben proportionirte Gliikfeligkeit bq- itimmt" ^p. 84^0 Eine folche Verkntipfung; ein folches Sydem der mit der Moralitset nothwendig verbundenen und derfel- ben proportionirten Gltickfeligkeit Ixfst fich aber nur In einer mtelligibeln , dasist, rnoralifchen Weltdenken, in welcher von alien Hindernisfen der Sittlichkeit abr ftrahirc wird, .und wo ein jeder thuc, was er foil'* (P< 837. 8380 Da aber weder aus der Natur der Dinge in "der Welc, noch der CausfalitcEt der Handlungen felbst und ihrem Verhaeltnisfe zur' Sicclichkeit beftimmc isc, WJQ fich ihre Folgen zur Gliikfeligkeic verhaltcn werden ; fo mufs einer folchen rnoralifchen Welt nicht blofs Natur, fondern eine hochfte Vernunft, die nach moralifchen Gefetzen gebietet, und die Urfache 4er Natur isc, zun^ Grund gelegt werden" (p. 836.) .Die reine Vernunft kann alfo nur in einer hochflen Jntelligenz, in dem Ideal des hochflen urfprunglichen, Guts, den Grund der praftischnothwendigen Verkniip- fung beyder Elemente des hochften abgeleiteten Guts, naemlich einer intelligibeln, d. i. rnoralifchen Welc an- " (p. 858. 839,} Da uns nun 4ie Sjnnenwelc eine folche Verkniip- fang nicht darbictet; fo find wir genothiget,. fie in einer f iir uns kiinftigen Welt anzunehmen " ( p. 839. ) ,, Gotc alfo un<4 ein Kiinftiges Leben find zwey von der Verbindlichkcit, die uns die reine Vernunft auflegt, nach Principles eben derfelben Vernunft nicht zu tren* (ibid.) ff ANTWOORD OP BE VRAAGE ren (a priori} gekend wordt; welkc eischt dat wy ons der gelukzaligheid waardig maaken. 2. Deze Wet zoud& iets onmogelyks eis* fchen , en van alle haare imwerking beroovd zyn , indien men niet met zekerheid hopen mogt , dat wy der gelukzaligheid naar maate on- Diefe Morakheologie hat nun den eigenthiimlichen u'* vor der fpeculativen, dais fie unausbleiblich auf den Begriff eines einigen, allervollkommenften und verntinftigen Urwefens fiihrt, worauf uns fpeculative Theologie nicht einmal aus objeftiven Grtinden hinwei- fen, gefchweige uns davon ilberzeugen konnte." Diefes Wefen mufs ein einziges feyn , denn es ist Tiur ein einziger fittlicher zweck. Sein Wille mufs all- gewaltig feyn, damit die ganze Natur und deren Bezic- hung auf Sicclichkeit ihm unterworfen fey; allwisfend,, damit es das Innerfte der Gefmnungen und deren mora- lifchen Wehrt erkenne ; atlgegenwa3rtig, damiE es un^ mittelbar allem Bediirfnisfe, welches das hdchfte Welt> beste erfordert, nahe fey; ewig, damit in keiner zeisr diele Uebereinftimmung der Natur und Freyheit maii- gele w -&c. (p. 843.) Ut jam omnia haec in nervum colligantur, faciliusque tota tec ratipciniorum feries examini posfit fubjici; juvat, primarias propofitiones, quas continet, numeris distindlas, et legitime inter fe concateiiatas exponere. 1. Lex est moralis, abfolutenecesfaria, et apriorl per puram rationem cognita, qua^ poftulat, ut dignos no s felicitate reddamus. " 2. ., Haec lex aliquid imposfibile postularet > omnique fuo efFedlu destitueretur, nili certo fperare liccrcc, nos et OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 7 Onzer waardigheid zouden deelachtig worden ; want de zuivere rede verbind het fyftema der gelukzaligheid op het allernauwfte met het fy- ftema der zedelykheid , alzo de blote fchoon- heid der zedelyke denkbeelden wel onze ver- wondering zoude naar zig trekken, maar ons niet tot werkdaadigheid aandry ven. 3. Dit noodzaaklyk verband der geluk- zaligheid met de zedelykheid , en derzelver juiste evenredigheid , heeft geene plaats dan in de verftandige , dat is de zedelyke wereld , in welke ieder zyhen pligt betracht, of aan de zedelyke Wet nauwkeurig voldoet. 4. Daar nu in deze zinnelyke wereld , niet een ieder aan de zedelyke Wet voldoet , zo moet *er een andere wereld , en wel eene toekomende , aangenomen worden , in welke ' eind- et felicitatis' pro 'modo dignitatis nostrse participes fa- ftum iri: etcnimpura ratio lyftema felicitatis cura mora- litatis fystemate intime conjan^it, fdlaque idearum mo- ralium pulcritudo nos quidem in admirationem raperet^ non autem ad agendum impelleret. "' 3- Hsec necesfaria felicitatis cum moralitate con- Jundlio et justaproportio non nifi in mundo intelligibili,, id est, morali locum habet, in quo quilibet agit, quod debec, feu legi morali exacle fatisfacit." 4. Cum in hoc mundo fenfibili non quilibet legi niorali fatisfaciat; alius asfumendus estmundus, ab hoc diverfus , isque futurus , m quo demnm exacla ilia feli- cicatis cum moralitate fervetur proportio." A 4 5- * At- ANTWOORD OP BE VRAAGE eindlyk die juiste evenredigheid der gelukza- ligheid met de zedelykheid zal plaats hebben. 5- Dan de natuur der dingen , op haar zelve, ftrekt niet tot een zodanig verband der gelukzaligheid met de zedelykheid , dat tus- fehen dezelve eneinauwkeurige evenredigheid Hand grype. Ook bepaald de oorzaaklykheid (cayfalitas} onzer daaden de betrekking niet, welke tusfchen hare gevolgen en onze geluk- zaligheid plaats heeft. 6, 'Er moet dan eene hoogfle rede , of verfiand , als Opperheerfcher der Natuur ge- fleld worden , welke dat verband bewerkt, en alles in het Heelal , ter verkryging van dit laatfte einde ordent en beftierdt. 7. Deze rede moet 6in eenlge zyn , om dat het zedelyke einde , waar toe alles be- ftierd wordt , ttn eenlg einde is. 8. 5. Atqui natura rerum per fe non tendit ad felici- (;acem cum moralitate ita cpnjungendam, ut exadla inter ucramque fervetur proportio, nee causfalitas aftionuin nostrarum decerminac relationem, qua? inter fequelas earum et felicitatem nostram intercedit. " 6. Ponenda igitur est fumma quaedam Ratio feu Intelligentia, Naturs domina,quas conjunftionem istain efficiat, omniaque in Univerfo ad ulcimum hunc finem obcmendum ordinec atque dirigat. " 7. Hcec Ratio debet esfe unica, quia finis moralis^ ^d quera omnia dirigenda funt, est unicus, " 8. OVER GODS AANWEEZEN , ENZ. 9 8. AlmacUlg , op dat de geheele Natuur haar gehoorzaarpe, 9. Alweetende^ op dat zy de verborgefiT fie fchuilhoeken des Geestes doorgronden en de juiste waarde onzer daaden beoordee- len kupne. 10. Akmtegenwoordlgy op dat zy onmid- lyk by een iederen aanwezig zy. 11. Eeuwigi op dat de?:e overeenftem- ming der gelukzaligheid met de zedelykhei^ nimmer ophoude. 42. 'Er beftaat dus een GOD, BE, Omnipotent, ut univerfa Natura illi pareat. '* p. Omnitcfa, ut intimos animi recesfus fcrutan^ omnibusque faftis fuum pretium poslit flatuere. *' 10. Qmniprqfens i ut immediate cuivis adflt." IT. Aeterna^ ut nullo tempore hie CQnfenfus fell- citatis cum moralitatc defideretur." 12, Exiftitigitur DEUS,'' A 5 BP*"- So ANTWOORD OP DE VRAAGE BEOORD-EELING. Ik ben 'er zo verre af , de onder N. i aangehaalde Wet te ontkennen , dat ik in te- gendeel dezelve uitnemend fchoon ,, en der goedkeuring van alle menfchen waardig vinde. Dit alleen begryp ik echter nier , waarom die Wet raeer gezegd wordt ( a priori ) van vo- ren en door de zuivere reden gekend te zyn> dan andere, door den Heer KANT afgekeur- de Wetten ; by voorbeeld , de Wet , volmaak it zelv ; alzo de waardigheid volmaaktheden onderftelt, en hy die zig der geiukzaligheid waardig maaken wil , allengskens moet trach- ten volmaakter te worden; zo fchynt de Kant- fiaanfche Wet de Wet der Volroaaktheid te onderftellen , aan welke derhalven eene , om zo te fpreeken 9 meerdere priwiteit moet toegekend worden. la E P I C R I S I S. Legcm nr. i. allegatam adeo non inficior, ut illam potius pulcerrimam omniumque hominum fufFragio dig- nam eKiflimem. Id unum non video, cur ilia magis priori ec per puram rationem cognita esfe dicatur, quain aliae leges, a Kantio improbatse, ex. gr. lex: perfice te ipfum. Cum dignitas fupponat perfedtiones, atque is, qui fe felicitate dignum reddere velit, perfecliorem fu- binde fe reddere debeat ; lex Kantiana fupponere vide- tur legem perfeftioiiis , cui itaque major, uc ita dicam* frioritas est concedenda. Nr. i OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 11 In N. 2. wordt beweerd : dat de gelukza- ligheid met de zedelykheid in het denkbeeld der zuivere rede op het nauwfle verknogt is en met haar gelyk flaat. Deze ftelling is niet analytisch ; want, volgens KANT zelve , is het 'er za verre van daan , dat het begrip der gelukzaligheid het begrip der zedelykheid in zig bevatte, dat integendeel gelukzaligheid en zedelykheid volftrekt ongelykfoortige din- gen ( res plane Heterogenea ) zyn (b). De Helling is derhalven fyntbetiscb : ook rust de- ze fyntbefis niet op de ondervinding , maar is gebeel van voren ; dan alle fyntb'etifcbe voor- itellen van voren zyn van dien aarc , dat het pr&dicaat begreepen wordt met het fubjeft noodwendig verknogt : te zyn , gelyk in het voorftel : Twee gegeevene punSlen kunnen door flegts tene regte tyn te zamen vereenigd wor- den. Doch die noodzaaklyk verband tusfchen ze- (/;) Critic der Pra&ijcften Fermmft , pag. 201. Nr. 2. Asferitur, felicitatem cum moralitate in idea pur a rationis inume connexam , eidemque aequalem esfe. Hsec proppficio non esc analytical nam ipfo Kantia teste, notio felicitatis adeonon continetur in nocione moralita- t 1 ?, ut moralitas et felicitas res fin t plane heteiogeneae (b\ Est ergo fyntbetica : neque haec fynthefis nititur experi- entia, fed plane est a priori. Propofitionum vero fyn- theticarum a priori ea est indoles, ut prcedicatum cum fubjedlo necesfario conjunftum intelligatur, veluti in propofuione : duo punfta nonnifi unica conjungit linea refta. i necesfariam hanc conjun6tionem incer moralitatem et Critic* der preffllfcfcn Venwnft p. sou i* ANTWOORD op BE VRAAGE zedclykheid en gelukzaligheid , voornaamlyk zo als her by den Heer KANT begreepen wordc , beken ik gaerne , door behulp der rede, niet te kunnen begrypen. Dit fchynt de Heer KANT gevoeld te heb- ben ; want hy voegt 'er by : Dat zonder ze- kerheid van gelukzaligheid , naar maate der waardigheid te verkrygen , de zedelyke Wet fcragtloos en tot de uitoeffening nutloos zoude worden.; dan ook deze gevolgcrekking voor- naamlyk, wat de nauwkeurige evenredigheid der gelukzaligheid metde zedelykheid betreft, is my niet klaar ; want al durvde ik die nauw- keurige evenredigheid niet hoopen , zoude my echter de algemeene zekerheid : dat de <3eugd my meer gelukkig dan ongelukkig , de ondeugd my meer elendig dan gelukkig zal xnaaken ; deze algemeene zekerheid , zeg ik, zoude piy > ter betrachting van de zedelyke Wet voldoelide zyn , al durvde ik de nauw- keu- t felicitatem , inprimis quatenus h$c fe-nfu Kantiano fu- jnitur , equidem puree, rationif ope me plaqe non perfpi^ cere faceor. vSenfisfe id videtur Kantius,fab]\ciens y ftne certitudine felicitatis, pro modo dignitatis obtinendse, legem mo- ralem plane inefficient, ec a4 praxin in^tilem futurarn esfe. Sed et hcEC corjfequentia , inprimis quqd ad ex- adlam felicitatis cum iporalitate proportionem attinec, inihi non est pcrfpicua. Quamvis enim exadlam hanq proportionem fperare non liccrct; fufficeret .mihi cerci- in gcnere , quod virtus magis fcliccm quam infeli- GODS AANWEEZEN, ENZ. 13 keurige evenredigheid der gelukzaligheid met myne deugd (met welke evenredigheid mis* fchien de natuur der eindige dingen en derzel- ver fysthematisch verband ftrydt ) niet hoo- pen. Want dus is doch de mensch gefteld , dat hy naar dien kant, waar hy meer voor- deel dan fchade voorziet , pverhelt , al is hy niet in ftaat de hoegrootheid van den winst nauwkeurig te berekenen , en dus zoude de zedelyke Wet my, dien de deugd nu reeds gelukkig genoeg maakt , niet buiten de grens* paalen dezes levens leiden , en ik zoude , om haar krachtdadigheid en gewigt by tezetten^ niet noodig hebben eene andere , van deze onderfcheidene wereld aan te neemen. Wanneer vcrvolgens de Schryver onder het zelve N. 2. beweert : dat , zonder de hoop van gelukzaligheid , naar maate der waardig- heid te verkrygen , de zedelyke denkbeelden vvel cem, vitwm magls miferumquambeatum itiereddituruni fit. Hsecinquam, certieudo generalis fufficeret mihi ad legem moralem obfervandam, qnamvis exattam fclicica- tis cum virtute mea proportionem , (cui forte natura rerum finitarum , et fystematicus earum nexus repugnat,) jperare non aulim. Ita enim comparatus esthomo, ut, ex qua parte plus lucri quam damni in fe redundaturum videt, in earn fe inclinet, quamvis quantitatem lucri xa6te calculo fubjicere non posfit. Atque ita lex nio- ralis me, quem virtus jam mine fatis beatum reddit, non ultra vitaa hujus limites duceret, neque opus esfet mihi ad efficaciam illi et pondus addendum ,alium mun- dum ab hoc diverfum asfumere. Deinde cum Auc- tor eodem nr. 2. asferit, fine fpe felicitatis, pro modo dignitatis obtinend^ ? ideas morales fua pulcritudine nobis *4 ANTWOORD OP DE VRAAGE wel zouden onze verwondering naar zi> kun* nen trekken , maar cms niet tot uitoeffening kunnen aanfpooren ; zo is dat gezegde over het algemeen nieuw, en heeft na myne ge- dagten niet by alle menfchen plaats. Want zoude 'er niet in een mensch zodanig ene te- derheid van zedelyk gevoel kunnen plaats heb- ben , dat het hem onmogelyk was , de orde te ftoren en de zedelyke Wet te fchenden , zo dat de bloote overeenftemming der daden met die Wet , zonder de gelukzaligheid in aan- merking te nemen , hem tot die daad bepaal- de ? Wat my betreft, dit valt my niet moei- jelyker te begrypen, dan dat het zintuig van het gehoor door de wanluidigheid der toonen beledigd wordt, en dat het oog in een fchooa voorwerp , meer dan in een lelyk , behagen vindt. En dit wordt zelve door de onder- vinding bevestigt. Want zelfs onder de Athe- isten , al gelooven zy dat hun geheel be- ftaan met dit leven ophoud , en dus in het uobis quidem admiration! , non autem incitamento ad agendum futuras esfe; id generaliter et de omnibus hominibus verura esfe baud .exiftimo. Nonne enim ea in homine esfe potest fenfus moralis teneritudo , ut illi imposfibile fit ordincm turbare legemque moralem vio- lare, utque fola aftionis cum lege barmonia, nt*lla feli- citatis ratione habita, ad aftionem hanc determinetur. Mini quidem id non magis difficile est conceptu, quam fenfum auditusfonorum discrepantiaoiFendi,oculumque magis in objeclum pulcrum ferri quam turpe. Idque ipfa experientia confirmatur. Nam et inter Atheos, qui to- tain fuam exiitentiam hac vita tcrminari credunt 3 neque fe OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 15 geheel niet hoopen , naar maate hunner waar- digheid, gelukzalig te zullen worden, vinden \vy vry nauwkeurige waarneemers der zedely- ke Wet. Maar dit voorftel ftemt ook zeer weinig overeen met de overige ftellingen des beroemden KANTS: trouwens hyzegt (e): De zuivefe en met geene zkilyke ( empiri- as) aanprikkelingen gemengde, voorftelling van den pligt en de zedelyke Wet, heefc zodanig eene kracht op het menschlyk ge- moed, dat het alle andere aanprikkelingen, in vergelyking met die voorftelling veracht en zynes onwaardig oordeelt." Doch op eene andere plaats (d} zegt hy uitdruklyk : 5, De rede heeft de veronderftelling van eea 5 , afgeleid hoogfte goed noodig, met om daw 5 , uit de kracht dadigheid der zedelyke Wet af 5 , te leidtn ; " want die rede zou geene zede- lyke , .(r) Vid. Grondlegung zur Metaphyjic der Sitten, $ag> 33. (d) Vid. Berlinijclie Moriatfchrift > 1786. Oftob. p. 316. fe unquam pro modo dignitatis fu^e Felices forefperant, fatis exafloslegis rapralis obfervatores deprehendimus. Sed et cum teliquis Cl. Kantii asfertis hsec propofuip parum confentit. 4, Pura, inapit ille (c), et nullis empiricis incitamentis mixta obligationis et legis moralis Teprasfentatio tantam vim exferit in animum humanum, tit omnes olios elateres prre ilia contemnat, et fefe indig- nos judicet:" atque alio loco (^) diferte dicit: 5 , Ra- tioni fuppofitione fummi boni derivativi opus est, non vt inde legis moralis efficaciam deducaf, nullum enim pre- tium Vid. Grnndlegung zur Meiaphyfic for Bitten p. 33. Vid, Beriinijcfy MQiuitbfckrift 178^. Oiiobr, p. 31^ iff ANTWOORD OP BE VRAAGE lyke waardy hebben, indien haarc leweegre- denen op eenen anderen grondflag rustten 5 dan op die Wet alleen. Ik laat de Discipelen van den Heer KANT over, deze en dergelyke ftellingen van hunnen beroemden Meester , overeen te brengen , en de openbaare tegen* flrydigheden uit den weg te ruimen. In N. 3. wordt de mogelykheid onderfteld van eene zedelyke wereld , in welke ieder zynen pligt volbrengen zoude , of aan de ze- delyke Wet ftiptelyk voldoen ; want eene op rede gegronde hoope ftrekt zig niet tot on- wogelykheden uit. Dan aan de mogelykheid van zodanig eene wereld kan men met rede twyfelen , want onweetenheid kan volilrekt nfe't en dwaaling zeer bezwaarlyk , van e^n eindig verftand afgefcheiden worden. Het is derhalven zeer moeijelyk te begrypen , dat een eindig r verftand nimmer van de zede- lyke tium morale habitura esfet ilia ratio, ii motiva ipfius alio quam folius legis fundamento niterentun" Discipulis Cel. Kantii relinquo, has aliasque magistri fui asfcrtio- ues cum propofitione nr. 2. contenta conciliare , et contradidlionem manifestam tollere. N. 3. Snpponitur posfibiUtat mundi moratis, in quo quilibec ageret, quod debcrec, feu legi morali exafte fatisfaceret: in iinposfibilia enim fpes, ratione nixa,non tendit. Sed de posfibilitate ejusmodi mundi cum rations dubitari potest, Ignorantia quippe plane non 9 terror vix ac ne vix quidem fcparari potest ab intelleau finito. DifRcile igitur concepcu est, mentem finitam nunquajn t>VEk GODS AANWEEZEN; ENZ. 17 lyke Wet afdwaalen, en aan.dezelve nauw- keurig en beflendig voldoen zouden. En deze zwaarigheid wordt venneerderd , indien die verftanden te (amen befchouwd worden in een verband, wa.arin de ftrydigheden der byzondere vvillen volftrekt de zedelyke orde ftooren moecen. Deze Zwaarigheid heeft de ' Heer KANT vvel getracht te ontwyken door te zeggen : dat in een zodanige wereld alle be- letfelen , die uit nelgingen omftaan , niet moe- ten in aanmerking genomen worden. Dan deze {lolling is juist die , van welke ik de mogelykheid beftryde^; want nanr het my toe- fchynt , kan de volmaaktheid van geen eindig verftand zo groot zyn , dat deszelfs neigin- gen , nimmer of ooit tegen de fyftematifche orde 'ftryden zouden ; want die volmaaktheid begryp ik het voorrecht te zyn van dat onein- dig verftand alleen 9 het welke het fyftem^i ten allervoknaakften doorgrond, en door zy- nen a Icge moral! aberrare ,, cidemque conft.anter et exafle fatJstaccre: hascque difficultas crescit, fl merttes finitat; in Tysteinate conlicierentur, in quo collifiones volunta- tum particularium non posfunt non ordinem morale m turbare. Huic quidem objedioni obviam ire Kantius allaboravicj d'cendo, in mundo ejusmqdi ab omni im- pedimento, qaod a pr'openjionibus proficiscatur., abfttahi. Sed id ipfam esc, cujus posfibilitatem impugno: nullius cnh^ mentis finite perfeflio milli tanta efle polYe vide- tar, ut illius propenfiones ec tendentise ordini fyitema- tico plane non ec nunquam adverlentui- , eamque folius Mentis Infinitix prcerogativam efle .exiftimo , qua; intel- ledlu infinite fyftema adeequaciffime pernoscit, ec voiun- tate perfeftiflima non nifi in optimum fercur. XXFIII. Deel. B 18 ANTWOORD OP BE VRAAGE nen volmaaktften wil niet dan tot het beste neigr. Dan laaten wy toeftaan , dat zodanig eene wereld , in welke een ieder aan de zede- lyke Wet fliptlyk voldeed , mogelyk ware , zie ik echter niet, waarom de gelukzaligheid van iedereen een noodzaaklyk gevolg daar van zoude zyn. Want *er wordt vooronderfleld , "dat de gelukzaligheid enkel en alleen door de zedelykheid bepaald worde , en van niets bui- ten dezelve af hange ; het welk wel het ge- voelen is Aet^Stoicynen , doch met de Kant- rjaanfche grondbeginfelen geenszins overeen- ftemt. Want volgens den Heer KANT (e) 9 wordt tot de gelukzaligheid vereischt: dat alle onze neigingen , zo ten aanzien der uirge- llrektheid ( exten/io ) als der werking ( inten- fio ) en der voortduuring (protenfio ) vervuld worden ; en op een* andere plaats (/) : de ge- () Critic der rcincn Vernunft > psg. 834. 2. druk, (/) Critic der PraEtifchen Vermmfi , pag. 224. Largiamur vero, ejusmpdi mundurn, in quo quilibet legi moral! exacle fatisfaciac 9 efle poffibilem ; equidem non video,, cur felicitas fingulorum necefTaria illius fie confequentia. Supponitur en-im , felicitatem unice per moralitatem determinari , neque ab ulla alia re pende- re: quod quidem Scoicis probacur , Kanlianis autetn principiis parum eft confentaneum. Ad feiicitacem enim fecundum Kanlium (g).requiricur , ut omnes no- ftras propenfjones , quoad extevfionem , intevfionem et $rotenjionem fuam expleantur; ec alio loco (/) : Fe- C We der re'men farnunft* pug. 834. Nov* Edit. tier Practifchen Fern unft 9 pag. 224. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 19 5 , gelukzaligheid is die ftaat > in welken het aan een redelyk wezen , naar zyn geheel 5 , bef ban befchouwd , alles naar wensch gaat." Ik zal nu niet in aanmerking neemen , dat in het voldoen onzer begeerten de werklng met de uitgeftrektbeid, en beide met de voortduu- ring ftryden ; en dat dus het Kantzlaanfcbe begrip van de gelukzaligbeid , zaakenbevat, die met elkanderen onbeitaanbaar zyn. Het geen ik hier voornaamlyk in aanmerking moet nemen, is, dat deze Kantziaanfche ftelling: 5 , In et^ne wereld , waar in een ieder aan de .5, zedelyke Wet ftiptelyk voldeedt , zoude een ieder gelnkzalig worden;" door's mans eigen begrip oni verre gewurpen wordt (g). Want daar de neigingen der menschlyke ziele niet 7 "(g) No. ^ een* andere zwarighcid ontftaat tiit dcze K.mt- y.laanfche fi:t-lling : De neigingen ktinnen trimmer verzadigd wof- dzn , en laitcn ft zeds een greater ledig over. Critic dei Prafri* Jchen Pernunft) pag. 212. " licitas eft ille flatus , in quo Enti ratior.ali , (i totam illius exiftentiara fpeftes , omnia ex votis cedunt. Non jam id noto , in explcridis nodris defideriis intentiomm cam extenfione 9 etutramque cum protenfione pugnarfe , i'd- eoque Kantianam ^ felicitatis notionerri inc^mpojjlbi/ia in- volvcre. Id pociflimumliicpremo , Kantii asfertionem: in mundo , in quo qttilibet le%i morali exsifte fatisfaceret 9 qttemlibet felicem futurum effe 9 jpHi Kantiana felicicati<{ notione everti (^ > Cum enim propenfiones anirr.i hu- C#VAiia ciiniculta.s oritur e Kantiana asfertione 4 propenfiones nnii- .quam'expler! posfc, tt feoiper mujus varuwn relinqucre, Critic der Prac* iff. Mnranft, pag. 212. B 2 ANTWOORD OP D& VRAAGfi niet in den mensch zelve eindigen , maar zig naar uiterlyke voorwerpen ftrekken , en de- zer zamenloop en hulpe noodig hebben om, te kunnen vervuld worden ; zo moet men, zal iemand in den Kant&iaanfchen zin geluk- lug worden , aanneemen : Dat de neigingen van alle andere menfchen overeenftemmen met de zyne, en tot dezer vervulling ftrek- ken , het welk by zulk eene groote verfchei- denbeid der menschlyke gemoederen , en ftry- digheid der neigingen, gewis niet kan verwagt worden. Gy zuh misfchien zeggen : Dat in de verftandelyke wereld, in welke een ieder aan de zedelyke Wetten ftiptlyk voldeedt , deze ftrydigheid geen plaats zoude hebben; maar gy bedriegt u: want fte5 dat gy wenscht : dat uw vriend met u zal eene reiz' onderriee- men , maar dat by nietwil ; of dat by, door uiterlyke omftandigheden belet , die reiz' niet onderneemen kan. Dan zullcn noch gy noch uw huraani non in ipfo folo terminenttir , fed ad ext-erna tendant , eorumque concurfu et iubiidio , ut expleri pofBnc , indigeanc ; ut aliquis fenfu Kuntww* felix evadat, aflumendam eft, omnium reliquori^n pro- pcnliones cum ipfius propenfionibus coniplrare atque ad eas explendas tendere : quod, lane in tanta animorum human-orum diverfitate propenfionumque contnrietate Cogitari nequic. Dices forte, in mundo intelligibili, in quo quilibec legi morali exa&efatisfaccret, hanccon- trarietatem locnm non habituram efle, fed falleris. Fac enim te optare, ut arnicas tuus iter tecum fuscipiat, ilium autem nolle, vel circumftantiis externis impedi- tum non pofle hoc itcr fufcipere. Cerce ncque tu, nc- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. uw vriendkunnengezegdworden ietsgedaante hebben, dat met de zedelyke Wet ftrydt. Intus- fchen mist gy uwen wensch, en uws vriends neiging beantwoord niet aan de uwe. Voeg hier by Pbyfifche beletzelen , die met de ge- lukzaligheid ftrydig zyn , en welker mogelyk* held in de verftandelyke wereld niet kan ge- loocbend worden. Want ftel een braav man, die in de7,e wereld aan de zedelyke Wet ftipt- lyk voldoet , zal hy daarom van onvveer , ~ van hagel die zyne veldgewasfen vernielt^ van de fmerte wegens hetaffterven zynerhuis- vrouw ,- kinderen of vrienden , bevryd bly- ven ? Gy zult antwoorden : alle deze. din- gen behooren niet tot de verflandlyke wereld, in welker denfcbeeld geene beletfelen derge- lukzaligheid in aanmerking komen. Zeer welj want wy hebben voor aftrekkingen (ab- jlraEtiones ) een allerruimst veld ; maar ik vrees dat dus alle uwe hoope op aftrekkingen (oni que amicus tuns aliquid fecifle dicendus eft, quod legi moral! repagnet : lu tamen votis tuis excidis , ec pro- penfioni tua? non refpondec amici tui propenfio. Add impedimenta phyfica , felicitati inimica , quorum qui- dem posjibilitas in mundo intelligibili negari baud po- teft. Pone enim , virum bonum in hoc mundo legi morali exade fatisfacere : an id^o ab injuria temporis 9 a grandine, fata ipfius flernente, a luftu de conjugis, liberorum , amicorum morte immunis erit V Dices 9 pmnia haec non ad mnndurn intelligibilem pertinere 9 - in cujus idea ab omnibus felicitatis impedimentis ab- ftrahatur. Rede quidem ; aMlraciionibus enim noftris latisfimus patet campus : fed vereor , ne ita tqta tua- fpes ad abftraftiones 3 ne dicam . fomnia recidac. Quam- H vis aa- ANTWOORD OP DE VRAAGE ( om niet dromen te zeggen ) nederkomeri ; want Tchoon men zig eene wereld kan voor- ilellen , waar in de menschlyke zielen van die onheilcn , met welke zy thans wbrftelcn , be- vryd zyn , zo gedoogt echcer het verband der di"gen in welke zy gefteld zyn, niet, dac zy alle onheilen ontvvvken , en voor nlle ratnpen zouden beveiligd zyn. De Slnalogie is ze- Iverlyk ftrydig met uwe hoopt ; derhalven gedogen noch de KmtziaanJ'cbt grondbegin- fLJen , noch andere redenen , dac de bloote zcdelykheid , als de grondflag en maatftav der gdukzaligheid kan aangenomen worden. Maar indien de gelukzaligheid door de bloo- te zedelykheid niet bepaald wordt , hoe kan men dan beweeren , dat in eene wereld , in welke cen ieder aan de zedelyke Wet ftiptlyk voldeed , ook een ieder naar maate zyne waar- digheid gelukzalig zal worden? Uit vis enim tnnndus concipi poffit, in quo mentes huma- ne ab iis> quibus nunc conflidlantur, malis iint.liberse; KCXLIS tamen rerum, in quo conftitutse funt, non pad- tur , ut omnia incommoda effugianc -, atque extra om- nem , ut ita dicam , teii jadlum Tint pofitce. Analogic certe fpei tuae eft contraria. Ergo & Kantiana principia et alia? rationes oiflant, quo nun us fo la mora- litas pro felicitatis funda- ,ento et menfura afTumatur. Si autem felicitas non per folam moralitatem deterrai* nacur ; quoraodo quxio affer! potcit , in mundo , in quo quilibct Icgi rnorali exadle fatisfacert't , quemlibet etiam pro modo di^nitatis fugs fdicem futurum eile? Jam OVER GODS AAN WEEZEN , ENZ* -js j Uit deze Pramisfen wordt nu in N. ;4- opgemaakt : Dat om aan de zede- lyke Wet kracht by te zetren , eene verftan- delyke wereld moet aangenomen worden , die van deze onderfcheiden en wd eene die toe- komftig is- 9 in welke ieder ftiptlyk aan de ze- delyke Wet voldoet. Deze gevolgtrekking zoude , indien aan de Pr&misfen niets haper- de, genoegzaanie juistheid hebben.- Ik moet echter eene zaak opmerken , deze naamlyk : Dar in het beiluit meer dan in de Pr&misfen begreepen is. Want>;uit de voorafgiiande ftel- lingen volgc niets meer , dan dat 9 er eene an- dere^ym deze onderfcheidene wereld, moet aangenomen worden; maar dat die wereld als toekomftig moet worden aangemerkt , volgc uic dezelve niet. En deze tegenwerping ver- krygt, uit des Heeren KANTS eigene Philo- fophie , groote kracht : want volgens deze Philo- Jam ex his praemisfls Nr. 4. concluditur , ad efficaciam legi raorali concf- liandum neceflarip alTamendani efTe mundum intelligi- bilem , ab hoc diverftim , eumque futurum > in quo qui- libet legi moral! exacle facisfaciat. Confequentia haec ,. fi prasmiflae nullis nsevis laborarent , fatis juiFa efiet : unum ramen noto , phis efle in conclufione quam in praemiflis. E prsecedendbus enim- propofitionibus id t3.ntum fequitur , alium mundum , ab hoc diverfum , efle alTumendam ; eum vero mundum veluti futurum concipiendura esfe , id inde non fequitur. Atque hcec obje^tio ex ipfa philofophia Kantiana magnum robur B 4 ac S4 ANTWOORD OP DE VRAAGE PMIofophie , moet de mensch zig niet flegts als een verfchynfel ( Phenomenon } maar ouk als een vc^^v ( dat is een op zig zelv heftaand JVezen} befchouwen, en als zodanig een we^ zen behoort hy niet tot de zinlyke maar tot de verflandlyke wereld. Wat hebben wy dan noodig den toevlugt te neemen tot eene toe- komftige wereld, om eene nauwkeurige even- redigheid tusfchen de zedelykheid en de ge- lukzaligheid te verkrygen ? Kan men niet beweeren : Dat in de zinlyke wereld de juiste gelykheid. der gelukzaligheid met de zedelyk- heid niet zigtbaar is , maar dat die plaats heeft in die wereld, die de grondflag is der zinl}^- ke , en alleen door de zuivere rede begrepen wordt ? Stel derhalven : dat gy in de wereld der verfchynfelen^allerellendigst zyt; kan hec echter volgens RANTS eigene beginielen mo- gelyk zyn , dat gy teffens in de veritandlyke wereld allergelukkigst zyt , en dat tusfchen uwe ticcipit. Secundum cam enira homo fefe non tan turn pbosnomeni inftar 5 fed et LUI vox^gvov concipiat necefle efl 9 & qua tale non ad fenfi-bilem, fed ad intelligibilem mundum pertinet. Q dat is, zy kun- nen onderling tot geen' gemene maac gebragt worden. Het is derhalven ongerymd , tus* fchen die goederen en de zedelykheid eene nauwkeurige evenredigheid te eislchen of te hoopen , ( fchoon wy diergelyke goederen ook in deze zinlyke wereld , niet zelden met de deugd gepaard vinden ) . Om die rede., behaagt my de bovenaange- haalde bepaling der gelukzaligheid niet. Want indien de voldoening aller neigingen , zonder onderfcheid , tot de gelukzaligheid vereischt wordt. Indien den mensch , om gelukkig te kunnen genoeaid worden , alles naar wensch moet gaan , en de gelukzaligheid met zyne zedelykheid juist evengelyk zyn moet, fchynt daar manifeftum eft. Quod ad reliqua bbna fpectat, quorum pon naturalis et neceffaria cum vircute connexio eft : ilia beterogenea funt moralitati , eique hanc ob rationem incommenfurabilia : abfurdum igitur eft, ea inter ec mo- ralitatem prpportionem exaftam poftalare vel fperare ; (quamvis ejusmpdi bona etiam in hoc mundo fenfibili baud raro cum virtute conjun&a deprehendamus). Hac de caufa nonprobaturmihifupraallegatafelicitacis definitio. Si enim ad felicitatem rcquiritur omnium pro- pendonum , nulla inter eas diftinftione fafta , expletio , U , ut felix dici pofllt homo , omnia illi ex votis ce- dant , ec felicitas moralitati ipfius exade ^qualis fit ne- cesfe OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. daar uit te volgen : dat ieder der besten ook de meeste goederen bezitten , de best" aangedischce tafel houden , en de fchoonfte vrouw hebben moet. Niets kan , naar het my toefehyht * ongefchikter en meer ftrydig met de zedelykheid, dan die, geileld worden. - Dus heb ik my reeds gedeelrlyk bezig' gehouden, met myn gevoelen over N. 5. Want indien door gelukzaligheid , dat vermaak en die geneuaten des leyens ver-^ ftaan worden , die toevalllg en door hec fys- tei.riati.sch verband der dingen met de deugd , verknogt zyn , dan is het wel waar , dat de natuur der din;en, uit zig zelven, niet Itrekt tot zodanig eene vereeniging der gelukzalig- heid metde zedelykheid, dat eene juisteeven- redigheid tusfchen dezelve behouden vvorde. Doch dat deze evenredigheid tusfchen zo on- gelykfoortige dingen 9 onmogelyk , en by ge- volg, ceHe eft; fequi inde videtur, optimum quemque^etiam maximis opibus pqiiri, lautiflimis dapibus frui,. formo- fiilima conjuge gaudcre debere : quo fane nihil mngis incongruum "moralitatique inagis iniinicum dici poteft. Acque ita occupavi meam dc Nr. 5. fe.ntentiam. Si enim^ per felicitatem ea vo; luptas eaque vitas deleftamenta intelliguncur, quse acci- dentaliter et per iylternaticum reram nexum cum virtu- te connexa funr ;* verum quidem eft , naturam rerum, per J'e non tendere ad felicitatem cum moralit'ate ita conjungendam , ut jufla inter utrainque fervetur propor- tio, Sed hanc praportionem inter res tarn heterogeneas I 28 ANTWOORD op BE VRAAGE volg , de hoope daar van , en in deze , en fa- de toekomftige wereld, yd el en te vergeefsch zy, hebben wy reeds bewezen. Doch in- dien door gelukzajigheid , dat zuiver vermaak verftaan wordt , waar van de deugd zelve en de bewustheid derzelve de bron is , dan is het valsch , dat de gelukzaligheid door de natuur der dingen , niet met de zedelykheid verknogt en niet met haar gelyk zy (#). In dezen zin is het dus valsch , dat onze zedelyke daa- den , ten opzigte van onze gelukzaligheid , geene bepaalde oorzaaklykheid ( Causfalitas determinate } hebben. Daar nu deze oor- zaaklykheid reeds, in deze wereld plaats heeft , zo vervalt het Kantziaanfche bewys , afgeleid nit het niet aanzyn dezer oorzaaklykheid , uit welke hy beweei;t , dat men tot eene , van deze , onderfcheidene wereld , den toevlugt ne- Dit (!emt KANT zelve toe, Critic der Prattifchen Ver~ nunft , pag. 210. impofiibilem , idepque fpem illius et in hoc et in futuro mundo inanem et irritam efle monftravimus. Sin autem per felicitatem parlor ilia volupcasjntelligatur , cujus fons eft ipfa virtus virtutisque conicientia; falfum eft, earn per naturam rerum cum moralitatc non conjunc- tam , eidemque non aequalein effe (/^) ; falfum igitur hoc fenfu eft, a&iones noftras morales refpeclu felici- tatis noftrze causfalitatem determinatam non habere. Ouse causfalitas cum jam in hoc mundo pbtineat ; cadtt argumentum Kantianum , a defeclu hujus causlalitatis defumtum 9 quo ad alium mundum ., ab hoc diverfum ,. con- Ipfe Kanthis hoc largitur, Crit. dcr Prufiifchcn tlsaa* p. 210* OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 29 ttemen moet. De Pramisfen dus om verre geworpen zynde , vervait het zeer ge- wigtig befluit, het welke de Heer KANT ge- meent heeft uic dezelve te kunnen afleiden. N. 6. Want indien die evenredigheid der gelukzaligheid met de zedelykheid , welke de rede eisfchen en hopen kan , reeds in deze wereld plaats heeft ( waar van het tegendeel door niemand kan betoogd worden ) dan is 'er geene wereld van deze ondcrfchelden , te hopen of te eisfchen ; en dus is het ook niet nodig , een Wezen te onderftellen , het welke aan deze wereld een andere vorm zoude ge- ven , of een ? andere orde in dezelve invoeren. Zbdanig een Heer der Natuur zou alleen daar- om moeten aangenomen worden , op dat hy de gelukzaligheid , die toevallig met de deugd verbonden is , ftandvastig en noodzaaklyk mec confugiendum cfTe contendit. - Atque ita labefac- tatis pra^minis everdtur gravifiima conclude 5 quam Kantias Nr. 6. ex ill-is deducere polTe fibi vifus eft. Nam 3(1 ea felicitads cum moralitate propordo , quam quidem ratio poftulaj-e et fperare potest , jam in hoc mundo lo- cum habec , (cujus rei contrarium certe a nemine de- monftrari potest:) null'us alius, ab hoc diverfus , fpe- randus vel poftulandus eft mundus , ideoque nee ejus* modi Ens fupponere neceffe eft, quod aliam huic mun-* , en daar uit een befluit zoude kunnen getrokken worden , tot een volmaakter fys- tema , ac Moderator , qui rernm, fyftema ita conftituat, t di* vitiae conflanter ct jufla proportions cum virtute conjun- gantur; poftulatur Deus, qui res nexu causfali afficiac, cui plane ineptne func, quique aecernas rerum mutec na- turas. Kantianum itaque ratiocintum, fi quam vim ha- bet , ad Deum deducit, qui pro lubitu interpam rerum naturam poflic evertere, fibique ipp contradicere. Mi- nime nego (quod probe notari velim, Deum ejusmo- di rerum fyflema pofle conflituere , in quo vir bonus non fit pauper; id unumnegoi, fyftema/ in quo vir bonus pauper exiftic , proportion'^ inter moralitatem ct felici- tatem defeftu laborare , atque inde ad perfeftius OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 33 tema , en den Schepper en Beftierder van hetzelve. Na dat wy de byzondere flellingen van de Kantzlaanfcbe redeneering en derzelver ver- band befchouwd hebben ( * v , zullen wy thans alles tot eene hoofdzaak brengen , en zien : waar in de geheele krachc der redene- ring beftaat. Alles fchynt in dezelve hier op uit te komen : Dat de Schryver beweert : Dat eene nauwkeurlge evenredigheid der geluk~ zaligheid met de zedelykheid , niet met grond kan geboopt worden , ten zy men een verftan- dig maaker en bejllerder veronderflelle. Deze ftelling fchynt my, behalven het geen ik reeds on- ( * ) Daar de Schryver , tot hier toe , Jlegts de zes eerfle def twaalv flellingen , door hem zelve uit t het Kantiaanfche ftelzel, bier boven pag 52722. getrokken, onderzogt heeft; heb ik niet on- dienftig gsoorde'eld , dsn 'Lezer hier te verwittigen ': Dat hy aan htt dude dezer Verhandeling zal de rede vinden , waarom de Schry- ver de zes overige flellingen flechts kortlyk aangeroerd heeft. NooC van den Vertaaler. jna , fyflematisque Conditorem ac Moderatorem conclu- di posfe, Postquam v fingulas Kantianl tatiocinii propofitiones earumque nexum perluftravimus ; omnia jam in unum colligamus , et, quse fit tota argumentationis vis, vi- deamus. Omnia vero in hoc argumento eo tendere vi- dentur , ut afleratur , exaftwn felicitatis cum moralitatz proportionem nonnijl pqfito intelligente totiut Umverji Auc- tore et Moderators certo fptrari posfe. Hsec propofitio Dtel. C prse- 34 ANTWOORD OP BE VRAAGE ondcr N. 5. aangemerkt heb, aan eene zeer gewigtige twyfeling onderhevig te zyn ; want indien God de allerwyste redenen heeft gehad , waarom hy de gelukzaligheid der menschlyke zielen in deze wereld , niet met derzelver ze- delykheid volftrekt gelyk gemaakt heeft 9 (het geen ik , by onderftelling ahnneem mogelyk geweest te zyn ) . Van waar weeten wy , ( vraag ik,) dat die zelvde redenen ook niec in de andere wereld zullen voortduuren , zo dat God nooit naar zyne wysheid eene nauw- keurige evenredigbeid tusfchen de zedelykheid en de gelukzaligheid der eindige Geesten, kan daarftellen ? En tot dit vernioedeh worden \vy door zeer waarfchynlyke redenen geleid. Want zal de natuur van den eindigen Geest , allengskens tot meerdere volmaaluheid opklim- nien , zo is het nodig dat deszelfs krachten geoeffend en gefcherpt worden. Daar nil clit geen plaats kan hebben -, ten zy hem hin- der- praeter ea- 9 quse jam ad r.'5. annotata font, gravisd- ir.o dubio prem.U mihi videtur. Si enim Deo fapientis- Tm.jt rationes fuerunt , cur felicitatem mentium huma- 11 arum in hoc mundo moralitati earum non exadte aequa- Jem reddidcrit, (id quod fieri potuisfe, bypotbetice as- fumo ;) unde quseib novimus, easdem illas raiiones npn duraturas elte in altero mundo, ita uc Deus^exaftam in- ter moralitatem zt felicitatem fpirituum finitorum pro- portionem ftabilire fapienter nunquam posfit. Atque ad hanc conjeduram fpeciofiHimis adducimur rationibus. \jt enim fpiritus finiti natura ad majoretn fubinde per- fcdionem evehatur , opus eft exerceri atque acui illius vires : quod cum fieri nequeat , nifi illi impedimenta fu- perau- OVER GODS AANWEEZEN, fcN2. 35 dernisfen , welke hy overwinnen moet , in den weg komen ; zo fchynt hec geenszins met de Godlyke Wysheid ftrydig te zyn, ook in de toekomende werelci , die zelvde orde te houden ; dat naamlyk de eindige Geest , ook daar , nu en dan hindernisfen ontmoete , en niet alles zig naar zynen wensch fchikke. Schoon men derhalven een verftandig en wy$ Maaker der wereld veronderftelle , volgt ech- ter daar uit niec : dat wy met grond hopen kunnen , dat die evenredigheid tusfchen ze- delykheid en gelukzaligheid , welke de Heer KAMT eischt, in hec toekomende leven zal plaats hebben. Eindlyk kan men , in het onderzoeken van dit Kantziaanfche bewys voor Gods Aanwee- zen , nog vraagen : Of het zelve met zyile Philofophie in het geheel , of en^wel by- zonder met zyne Theoretifche grondbeginfe- len, overeen kunne gebragt worden. Trou- wens peranda objiciantur ; a fapientia Dei minlme alienum efle videtur, eura etiam inxfucuro mundo fervare ordi- nem , ut fpiritui finito interdutp cum fortana adverfa fie confliftandum , ; neque omnia illi ex votis cedanc. Pofito itaque intelligence ec fapience Univerfi Auftore ac Moderatore, non fequitur, certo nos fperare polTe , earn fore in alcera vica inter moralitatern etfelicitatem, Kantius poftulat, proporcionem. Denique in esaminandp argumento hoc Kantiano pro exiftentia Dei , quaeri etiam potest , ntrum illud cum tota ipfius philolophia ? inprimis cum priucipiis iliius C z $6 ANTWOORD o* DE VRAAGE wens volgens KANT hlykt klaar : Dat wy van ' een zelvftandig Wezcn ( was o ) vol- ftrekt uiets kennen , en zodanig een Wezen voor-ons als eene onbekende hoegrootheid , die de Wiskundigen door x uitdrukken , van \velke wy niets bevestigen of ontkennen kun- nen (/) ; en dit meent KANT zelvs uit de natuur van ons veriland en rede w^ttig afge- leid te hebben. Hier uit volgc : dat wy ook van GOD , die buiten twyfel onder de form van een zelvftandig Wezen moet begreepen worden , niets zeggen (pr medicare} kunnen , hec geen dien Heer op verfcheidene plaatfen uitdruklyk beweerd. Maar juist hier door tieefc ook de Koningsbergfche Philofooph zig alien (/) Zo wy den Heer REINHOLT, een der beroemdfte Leerlingen van den ILer KANT , in zync Verhandeling von. dem Vorftellungs - vsrmogen , hooren , dan kan een zelvftandig Wizen (bygcvolg ook GOD) in hen geheel niet voorge- Held worden. theoreticis confentiat ac conciliari pofllc. Conflat, fe- cundura Kantittm nos de Ente per J'e ( MTM ov ) plans Tiihil cognoscere posfe , illudque nqbis efle quantiratis likcogoitse indar , a Machematicis littera x defignatne , de qua ncc aiHrmare nee riegare quidquam poffimus (I) : idque Kantius ex ipfa intelleclus rationisque noftrce in- dole deduxifle fibi videcar. Sequitur hinc , etiarn de Deo , qui fine dubio fub forma Entis per fe concipien- clus eft, nos plane nihil prscdicare posfe: id quod Kan- Jius plufibus locis diferte asferic. Ita vero Philofophus Re- ( /) Si Dn. ReinhnLHum, tinum c celebcrrimis Knntii discipuHs, in fno Tractatu von dem t'orfldlungsvcrnwgtn autUas J ILwt $& ft ( S i re^r^f&niari quidem potesc. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 3f alien weg afeefneden , om iets van GOD vast te kunnen ftellen. Want is het der menschlyke rede in het algemeen (in genere) onmogelyk , zig eeni begrip van GOD te kunnen vormen ; hofe zal het dan der Prac- tifche rede -mogelyk zyn ? Hoe zal het dan der Praftifibe rede mogelyk zyn ( vraag ik ) van GOD, van wien alle menscblyke rede, diep onkundig is , Wysheid , Almacht , en zyne overige Volmaaktheden , toe te kunnen fchryven ? Krygc dan de menschlyke rede eene nieuwe form, eenen nieuwen aart, zo dra hy uit bet Tbeoretifcbe in het Praftifche Veld overgaat ? Indien de beroemde K ANT heeft gemeend , de leerftellingen der Theore- tifcbe Philofophie , op deze wyze , door de Practifche te kunnen herflellen en flaven , dart komt het my voor , dat hy op deze wyze aan de Prac/ifche Philofophie en de leerftel- lin- Regiomontanus omncm fibi aliqaid de Deo prasclufit viarn. Si enim Ration! humanae in genere im- poflibile eft , ullam fibi de Deo formare -nocionem ; quomodo qusfo Ration! praftica id erit posfibilc ? qao- modo ratio praftica de Deo , quern onmis Ratio hum an a profundc ignorat , fapientiam, , omnipoteptiara , reli- quasque illiiis perfecliones pra?dicare ppterit ? An Ra- tio humana nov'am formam , novam indolem induic , quamprimum e campo theore.tico in prafticum exfpatia- tur ? Si Cl. Kantius bHilbfophlb theoretieae dog- mata hac ratione per pra&cam ilabilire CE reftaurare fibi vifus e(l ; equidem hac methodo prafticam philofo- phiam , et dogmata , ill! 1 uperftruenda 9 per thcoreticarn. jugulari exiftirao. C 3 Inpri- S 8 ANTWOORD op BE VRAAGE lingen die op dezelve moeten gebouwd wor- den , door de Tbeoretifche de keel toebint. Dan , vooral fchynt my deze geheele re- deneercrant te ftryden {net d,Q Kantziaanfche Theorie der Categorien of oorfpronglyke ver- {lands -formen. Want de Categorien en be- ginfelen , welke men' van voren (a priori} nocmt , behoren , volgens den Heer KANT, flegts tot de Verfchynfelen ( Phenomena ) en kunnen in 't geheel niet toegepast worden op zelvftandige Wezens ( oVw -oW* ) . Qm dit te -bewyzen , zal ik flegts drie plaatzen uit de Critick der zuivere rede aanhaalen (*). Maar ( * ) Dc% drie plaatfen warden in de Latynfche VcrlmndeUng y in 't Hoogduitsch aangehaald, bladz. 4. volgens de twtede Uitga-. ve van de Critic der reinen Vernuhft, bladz. 297, 2^8 en 345; in de eerjle Uitgave bladz. 238 , 239 en 289. 'Ik hub onri&odig geacht dezelve alhier over tefchryven. Noot van den Vertaler. Tnprimis autcm tota base arguraentandi ratio cum Kantiana Categoriarum theoria pugnare mihi videcur. Categoric eniin ec principia , quse vocantur a priori 9 fecundum Kantium nonnifi ad phenomena pertinent, at- que ad oWw? ovra plane non applicari pofTunt: ad quod probandum tria tantum e Critica puree rationis afTerani loca. Der Verftand (inquit Audtor p. 297.) kann von alien feinen grundfasczen a priori, ja von alien fei- nen begriffen keinen andern als empirifchen, niemals aber einen transfcendcntalen gebrauch machen:" EC Cp. 298,) Wenn unfcre begrifFe und grundfetze , fo fehr fie auch a priori rnoglicfc feyn niogen, fich niche aiif OVER GODS AANWEEZEN, ENZ\ $$ Maar de geheele reeks der redcneeringen 9 door.welke deHeer KANT Gods Aanweezeti tracht' te bewyzen , begint van het geeischte (postulatum) der zuivere rede fust op grond- beginfelen van voren ; vervolgt do6r de Cate- gories , en eindigt in de verltandelyke wereld en derzelver Maaker , want in die reeks ko- men de Categories der dorzaak, der kracbt 9 der gemeenfcbaplykbeid , der tnogelykheid enz. voor. Eh wanneer beweerd wordt , dat de zedelyke Wet , zonder eene zekere hope om cle gelukzaligheid naar maate der waardigheid te verkrygen , alle krachtdaadigheid zou moe- ten misfen ; dan wordt teffens beweerd : dat de mensch toereikende bew.eegredenen noclig heeft-, het welk het grondbeginfel influit : dat niets zonder genoegzaame rede gefchieden kan ; wellc auf empirifche anfchauungen , d. i. auf data zur mog ; lichen erfahrung beziehen ; fo haben fie gar keine ob jeftive giiltigkeic , fondern find ein blosfesfpiel 9 es fey der c!nbildungskraft 9 -oder dcs ver/tandes.'" Denique (p^ 345. ) Die Kricic des reinen verflandes erlaubt es pichc j fich ein neues feld von gegenftasnden, ausfer denen , die ihm als Erfcheinungen vorkommen kon- nen , zu fchaffen , und in intelligible Welten , fo gar nicbt einmal in ihrem begriff 9 aus zu fchweiffen.'* Atqai tota ratiociniorum feries , qua Kantius cxiflendam Dei probare contendit , a poftulaco puree rationis, incipic , principiis a priori innititur, per Categorias procedit , ec inmundum intelligibilepi, ejusque Au6torem definit. Oc- currunt enim in ea Categorias caufa , vis , communionis Y -bosfibilitatis &c. Cumque asferitur , fine ccrta fpe fe- licitatii , pro modo dignitatis obtrnendce, legem mora- lem omni efficacia deftitutum iri ; asferitur fimul , ho- , mini ad agendum fufficientibus motivis opus efTe ; id C 4, quod 4o ANTWOORD op DE VRAAGE welk beginfel ook opgefloten ligt in de ftel- ling : dat tot flavlng eener zekere orde in de Natuur 9 ' een Heer en fyftuurder der Natuur als zeker moet aangenomen worden. Dan, in- dien alle'deze Categorlen en aile deze grond- beginfelen , niet dan op verfchynfelen kunnen toegepast worden. Indien men door dezelve volftrekt niet tot eene verftandelyke wereld geraken kan. Indien de Categorien en grond- beginfelen van vooren, zonder met de aan- .fchouwing en bevinding verbonden te zyn > geene voorwerplyke waarde (valor objeftivus} hebben , en niets dan een Ipel der verbeel* dings - kracht of des verjlands zyn , hoe kan men dan , door dezelve , uit de zinlyke we- reld in de verftandlyke en tot het beftaan van GOD geraken ? Wordt dus niet het geheele Praftifche bewys voor GODS Aanweezen, een bloot fpel der verbeeldings kracht of des verftands ? Dit quod principium involvit : nibil fieri posfe fine rations fuffidente ; quod principium etiam in asfertione latec : ad Jiabiliendum cerium In Natitra ordinem necesfario asfu- mendum esfe Nature Dominum ac Moderatorem. Atqui fl oinnes Categorias omniaque h^c principia nonnifi ad phocnomena applicari posfunt , ii mediantibus illis ad mundam intelligibilem plane non perveniri potest , fi categoriae et principia a priori , cum intuitione ec expe- riencia non conjunfta , null urn valorem objeftivum ha- bent , et nonnifi lufus imaginationis , vel intelleftus funt ; qiiomodo quaefo mediantibus illis e mundo fenfibili iti intell igibilem fieri tranfitus , atque ad exijlentiam Dei perveniri potesc ? Nonne totum pradticum pro exiften- tia Dei argumentum ad merum lufum imaginationis vel intelleftits reducitur ? Hc OVER GODS AANWEEZEN, ENZ* 41 Dit zy genoeg. Want , fchoon wy ook andere , in de zes laatite Nrs. vervatte ge- volgtrekkingen , zouden kunnen beftryden , menen wy echter reeds duidlyk genoeg ge- toond te hebben : dat in de reeks der rede- neeringen, door welke de Heer KANT Gods Aanweezen trachc te bewyzen ; als : i. Veele Voorftellingen gevonden wor- den , die onbetoogbaar en te betwisten ( Pro- blematik ) zyn niet alleen ; maar tegen welke ook zeer gewigtige zwarigheden kunnen inge- bragt worden. 2. Dat tusfchen de Voorftellen geen becbt verband plaats heeft, en de gevolgtrekkingen , in welke de geheele jbewyskracht beftaat , liiet genoegzaam gegron ut ipfis harum virtutum definicionibus Deorum notio- nera OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 45 heid , zonder de Godheid in eenige aanmer- king te nemen , voldongen is ; zie ik niet , hoe uit de zeclelykheid hec Aanvveezen van GOD kan afgeleid worden ; alzo volgens die onderilelling de menschlyke daaden zou- den goed of kwaad zyn , fchoon 'er ge- heel geen GOD ware. Misfchien zoude het zedelyk gevoel, de wroegingen des gewe- tens , de ftrevingen des menfchen naar het boogfte goed enz. een bewys voor Gods Aan- weezen bybrengen. Dan ik vrees , dat fdit geene genoegzaame vastheid zoude hebben : daarenboven moet gy , om door eene bondi- ge redeneering tot het voorgeftelde befluit te kunnen geraaken , algemeene beginfelen heb- ben ; en zo gy u deze in de Praftifche Phi- lofophie vergunt , dan moet gy ook my de- zelve in de Theoretifche niet verbieden. Dan op deze wyze zoude ik begrypen , dat de Praffifthe bewyzen in de Theoretifche ontbon- den nem intexerent ; quae fane vitiofiffima efl argumentandi ratio. Si vero moralitatis notio , nulla Divinitatis ra- tione habita, abfolvitur; non video, quomodo ex Mo- ralitate deduci poffit Dei exiftentia , cam ex hypothefi sctiones humanas bonae vel malse eflent, li vel maximo Deas non exifterec. Forte fmfus moralis 9 mtfrfus con- fdenti , tendentia bominis verfus fummum bonum &c. argumentum pro exiftentia Supremi JNuminis fuppedi- tant : fed vereor , ut illud fatis firmum fit ; deinde, uc legitimo ratiocinio ad propofitam conclufionem poflis pervenire , opus tibi eft principiis generaliffimis, quo- rum ufum ft tibi in philofopbia practica permittis , etiam in philofophia rheorctjca mihi non denegaveris; qua au- tem 46 ANTWOORD o* BE VRAAGE den worden , maar niet dat de eerft'e de laat- ften vooralgaan. Doch indien gy beweert^dat GODS Aan- weezea ontkend zynde , 'er geene verdere beweegrede om wel te leven voor den mensch overblyft, wil ik wel toeftemmen, dat GODS Aanweezen weggenomen zynde , de deugd haare grootfte ei?*gewigtigfte fteun misfen zoude. Maar dat 'er volftrekt geene beweeg- rede , om wel te leven , zoude overbly ven , g ftem ik geenszins toe ; alzo de fchoonheid zelve der deugd , oni" tot het omhelzen van haar zonde aanlokken en naar zig trekken ; of liever , gelyk de Heer KANT herinnert , de zedelyke Wet uic baar zelve ^de gehoor- zaamheid beveelt , en de.pligt alie andere be- weegredenen , die niet uit de Wet zelve ge- haald zyn, veracht. (Critic der Praffi. Ver- nunft ) pag. 154. Ed. nov.}* Eindelyk , in- dien tern radone argumenta practica in chepretica refolvi , neque ilia his praeflare pucaverim. Sin autem , negata Dei exiilentia , nullum ampHus motivttrn ad recte vivendwm fuperefle hominibus conten* dis ; largior quidem, fublata fupremi Numinis exiften- tia , virtucem- maximo graviillmoque praefidio deftitui ; led plane nullum recce vivendi mocivum fuperefle mini- me concede ? cum ipfa virtutis pulcritudo ad earn am- plectendam invitare atque allicere poflit, vel potius, uti Kantius monec s ipfa Lex Moralis per fe obedicn- tiam imperet , officiumque omnia alia mociva refpuat , quae noa ab ipfa lege petita fuat (Critic der pr aft. Ver* mmft > OVER GODS AANWEEZEN, N2. 47 dien men al toeflaat : dat, GODS Aanwee* zen ontkend zynde, alle de werkkrachten der deugd ontzenuwd zouden worden ; zo volgt daar uic alleenlyk : dat wy de overtuiging van GODS Aanweezen noodig hebben. Maar uic de noodzaaklykheid of nuttigheid dezer overtuiging volgt niet het Godlyk beftaan zel- ve, het welk veronderfteld wordt, van elders gegeeven cff beweezeri te zyn. BYVOEGSEL tot BLADZ. 11. Op bladz. n. heb ik eene twyfeling geop- perd , tegen de Helling : Dat de Gelukzalig* held , nunft, pag. 154.)' Deinde (i vel maxime concedatur, negata Dei exiflentia^ omnes Mirtutis nervos incidi ; id unum inde fequitur , opus nobis esfe ad redte vivendum convictione de Supremi Numinis exiftentia ; fed neces- fitas vel utilitas hujus convictionis non infcrc ipfam Dei exiftentiam 3 quae aliundc data vel probata eflb fupponitur. ADD IT AMENTUM ad PAG. n. fag. n. dubium movi contra propofitioncm 9 quod feti* 48 ANTWOORD OP DE VRAAGE held, door de zulvere rede , met de Zedelyk* heid twnauwften verbonden wordt. Zie hier een' andere tegenwerping. In den eindigen Geest , in welken de neigingen met zelden met de zedelyke Wet flryden , vcrtoont zig de deugd dikwerf alleen met de neigingen ftrydende , het zy door dezelve te onder- drukken , of te beteugelen ; het welke de Heer KANT op vetfcheidene plaatfen uit- drukkelyk beweert. Daar nu in dit geval de neigingen niet voldaan worden ; zo is het klaarblykelyk , dat de zedelykheid met de gelukzaligheid , ( in den Kantziaanfchen zin genomen ) ftrydig is , en dus wel verre van met dezelve ^eene juiste evenredigheid te hebben. Ik zie derhalven niet , hoe de zuivere rede de gelukzaligheid , dat is 9 de voldoening van alle neigingen , met de zede- lykheid noodzaaklyk verbindt. Voor ftlicitas per ptffam rationem intime cum moralitate conjun* gatur. En aliam objectionem! In mente finita, in qua propenfiones baud raro cum lege tnprali pugnant, vir- tus fajpe non alia ratione fefe exferit , quam luftando cum propen(ionibus . casque vel oppriraendo vel reftrin- endo 9 id quod Kantius pluribus locis difefte aflerit. uo cafu cum propenfiones non expleantur ; evidens l , xnoralitatem felicitati , ( fcnfu Kantiano fumtae ) contrariam efle , tantum abefl , uc cum ilia juftam ha- beat proportionem. Non igitur video . quomodo pura ratio felicicateoi , id eft, explementum omnium propen- jjionum, cum moralitate neceflario conjungat. Cete- OVER GODS AANWEEZEN , ENZ. 49 Voor her overige wil ik hier wel gelet hebben op eene anctere Ferbinding, die, naar het my voorkomt , G O D S Aanweezen niet onduidlyk aanwyst. Want , met goede daa- den gaat gepaard eene innerlyke gerustheid en vergenoegen des gemoeds. Met kwaade daarentegen eene innerlyke jmgerustheid en ongenoegen van het zelve. De faamvoeging dezer dingen is wel natuurlyk , maar niet woodzaaklyk ; en het is 'er zo verre van , dat die faamvoeging door de zuivere Rede ge- kend wprdt; dat, indien de ondervinding de- zelve niet bewees , wy niet zouden kunnen bepaalen, welke de betrekking zy, van twee, (volgens KANT zelve) zo ongelykfoortige zaken , naamlyk der zedelykheid en der zin- nelykheid. Vinden wy nu hier niet eene uit- nemende en verwonderingwaardige huishoud* lyke inrichting onzer Natuur, die haaren wy- zen Maaker aanduid ? Ik voor my beken : dat Ceterum ad aliam conjunftionem hac in re attend! ve- lim , qu?e mihi quidem Supremi Numinis exiftentiam baud obfcure innuere videtur. Conjungitur quippe cum bonis actionibus interna animi acquiescentia et.volup- tas , cum mails intern um ?nimi tsedium atque dolor. Harum rerum conjunctio naturalis quidem , fed nou necesfaria eft , et per puram rationem adeo non cogni- ta, ut, nifi experientia earn commonftraret , plane non determinare poffimus, quaenam fit duarum rerum, (ipfo 'Kantio judice) tarn beterogenearum , moralitatis nimirum et fynfus, relatio. Nonne igitur infignem hlc et admi- randam naturae noflrse oeconomiam deprehendimus , qu Deel. D frpiea- 50 ANTWOORD OP BE VRAAGE ENZ. dat ik dit Praknsch bewys voor GODS Aanweezen , verre boven het Kantziaanfche bewys zoude ftellen ; maar bet is klaarblyk- lyk , dac het Eerfte alle zyne kracht ont- leent uit de grondbeginzelen der Tbeoretifcbc Philofophie , zonder welke het mynes oor- deels , geene fchaduw zelfs eener betooging zoude vertoonen. iapientem illius auctorem fnntiit ? Equidem practicurit' hoc pro exiftentia Dei argumentum Kantiano longe praetulerim : fed evidens eft ^ illud omne fu-um robur a principiis philofophise theoreticae petere , fine qui^ bus ne umbram quidem demonftrationis obtineri pos-fe exiflimo. TWEE- T W E E D E A N T W O O R D O P D E V R A A G E, VOQRGESTELD DOOR DE HOLLANDSCHE MAATSCHAPPYE DER WEETENSCHAPPEN TE HAARLEM: Wat men te denken hebbe van het Moreele bewys yan Gods aanweezen^enwel zoo,als het zelvc door den Hecr KANT is opgegeeven , als ware dit het eenlge ? DOOR FRE.DERICUS DANIEL BEHN, Illuftris Gymnafit Lubecenps Conreftor. PhiloJ. Doftor &c. te Lubck. ONDERDEZINSPREUK: ,Non tarn auttoritatis in disputando quam rationi* momenta quterendte flint. Aan wicu de Zilvcre McdaiIIe,$\$ is toegevveezcn. COMMENTATIO PHILOSOPHICA IN QUA ANQUIRITUR Quid de nouo illo morali argument Q , quo probarc connijns eft KANTIUS Deum esfe, fit j'entiendum, examini ACADEMIC SCIENTIARUM CELEBERRIM^ Qua floret Harhml ^fuvjefta ab illius auftore. . A. R. S. CID 10 CCLXXXX. a^ i Sepcerabri E c ~ Bladz. 55 TWEEDE ANTWOORD O P D E V R A A G: Wat men te cknken liebbs van het Moreele bewyt van Gods Aanweezen , en wel zoo ah het zehc door den Hser KANT is opgegeeven , ah ware dit het eenlge ? Wie, die van het geene in onzen tyd in de Geleerde Waereld voorvalt kundigis,kan onkundig zyn,hoe veel moei- te de fchrandere Heer KANT aangewend heefc , om alle de Leerftelzels zoo der oude nieuwe Wy sgeeren om verre te werpen, COMMENTATIO PHILOSOPHIC^ IN QUA ANQUIRITUR Quid de nouo HloMoraliargitmento, qitoprobare connifus eft KANTIUS Deum esfe fit jennendum* SYMBOL U M. Non tarn au&oritatis in dispntando quant rationjt momenta qu been zoo zeer gclievd bewys doorgezicn te hebben , de Menfchly ke door hem befpie* gelende rede genoemd, volftrekt geene kracht heeft om te bewyzen, dat er eenc onmeetbaare en verftandige Natuur, door welke alles beftaat en befluurd wordt, aan-j wezig 2y. Dienyolgens heeft hy getragt al le, dedoordeuitmuntenfteWysgeeren by-j gebragtebewyzen, overhpop te \verpen; (met tioris esfe indaginis, fed non tanti moment! , ut illi diutius inhsereamus. Vifus olim fibi eft , reperisfe aliquod a priori demon- ftrandi geijus, quod vocabat onicum , quo probari posfet, esfe Deum. Sed jam eofe vepisfe perfuafus eft, ut, illius antea a fe vehementer laudati argu- ment! futilitate perfpeda, rationi humanse , quam appellat theoreticam , vim inesfe diceret omnino nul- lam demonftrandi , naturam quandam dari immenfam intelligentemque, aqua omnia fmt condita 9 omnia gu* bernentur. Quapropter ea, qusea philofophis prse- stantisfimis funt euoluta , argumenta quafi pesfunda- tum ire , (quonam euentu mine non definio) conatus E 3 eft. 56 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE (met welken uitflag beflisch ik thans niet) j doch om nice te fchynen alleen om verre te werpen , zander tevens lets nieuws op tc bouwen, tracht hy, als 't ware uit Demo- critus putje fcheppende, een tot dus verre onbekend bewys geput te hebben, en ons door een grooten omflag van woorden te willen opdringen. Welk bewys hy als on- wrikbaar voordraagt , en met alle kracht be- weerc geen ander voor mogelyk te houden. Het gezagdesSchryvers overtuigd misfchieu veelen meer , dan de kracht der bewyzen? Er zyn 'er daar en tegen veele, diehet kantziaanfche bewys zwak vinden en als ee- ne bloote drogreden der Wysgeerte be- fchouwen. Daar rsu deze hevige' twist der clkanderen beftrydende Wysgeeren^ nog niet eft. Ne autem duntaxat contriuise , fed nouum etianr quoddnm sedificium exftruxisfe videatur, nobis, fe e Democriti veluti puteo argumentum hue usque nemi- lii coguitum exhaufisfe, multis verborum ambagibus perfuadere allaborat, quod itidem esfe firm urn , asieue* tat, ftabile, imraotum, & prseter illtid dan posfe nul- lum, equis virisque decerrat. Sunt, utaccidere inter inortales folet , qui illi asfcnfum prscbcantfuum, auo toritate asferentis potuis, quam argiimentoriim ponde- re corarnoti , quiqtie huius asferti fole clarius vocife- rentur eluccre veritatem. In confpeclum veniunt e contrario pkirirni , qui argumentnin illud Kantianum esie clumbe, immo mcrtim fophlsma iiouae philofo- OVER GODS AANWEEZEN,ENZ. 57 niet beflischt was, feo heeft de Hottandfchc Maatfchappy der Weetenfchappen wyslyk goedgevonden , deze belangryke ftoffe , die met net heil der Menfchen 20 nauw vcr- knogt is, op nieuw te doen pnderzoeken ; en alle Geleerden aantemoedigen ? om on* partydig te ondensoeken , of dit bewys goedkeuring verdiene dan te verwerpen 2y, Schoon ik my nu niet verbeelde genoeg- 5:aame krachten, ter beflisfching van eenzo gewigtig verichil te bezitten, zal ik echter, volgens het bekende fpreekwoord in Mag- nit phiae,' cenfeant. Quum igitur hsee tarn feruida .pug- nantium contra fe philofophorum lis nondum compo- fita eflet, re m ^i 11 am maximi moment!, quas eum ho*- minum falute ardl/sfime copulata eft, cxamiisfim efle denuo exploraudam , fapienter ACADEMIA, quag flo- ret Harlemi ^fcientarium celebratisfima indicauit , at- que eruditisfimos quosque incitauit, ut, remoto om- nium partium ftudio , cundi, quibus volupe esfet, quibusque quum harum rerum cognitio 9 turn res grauis- fimas sequa lance ponderandi inesfet facultas , & inge- nil & perfpicacias neruos intenderent, atque, utrum, hoc argumentum plaufu effet dignum , an potius noil prob arid lira, denuo rite disputarent. Quamuis non fira is , qui mihi vires , ad tantam Ijtem componendam necesfarias, inesfe confidam , ta- men, quia fecundura illud tritum fermt)ne proverbium 4 in $8 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE tits Foluisfe [at est , trachten 20 veel te doeri my mogelyk is; doch zoude ik der Maat fchappye myne Verhandeling niet hebben durven aanbieden , 20 ik niet gemeend had* de niet geheel vcrgeefsch gewerkt te heb* ben. Diensvolgens zal ik my nu terftotid ter zaake begeven, en wat ik al of niet heb kunnen uitvoeren , ter, beoordeeling over- laaten aan die fchrandere Mannen f welke ge- vraagd hebben: Ofhetbeftaan van bet Op- ferweztn door zogenaamde zedelyke bewyzen, ten volhn kan worden betoogd of niet. Wy zien dan, dat ons hierte overwee- gen ftaat. i. Of 'er in het algemeen kunnen zedeljr- fee in magnis voJuisfe fat eft ^ conlendam, quantum pos- fim , nee lucubrationem meam ACADEMLE , quam honoris catifa iterum nomino , afFerre aufus eflem , ni- fi, me non omnino littus arasfe , putauisfem. Qua- propter equidem me nunc ftatim a carceribus ad cal- cem decurrere accingam, &, quid valuerint humeri ferre, quid non, illis relinquam diiudicandum viris ffcutisfimis, qui qusesiverunt , utrura , dari Numcn fupremum, argumentis, qua? vocantur moralia, ad liquidum perduci posfet, an non? Videmus igitur cadere in deliberationem : I, Num generatim excogitari queant argumentamo- ra* OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 59 ke bewyzen uitgedagt worden, doorwelke deze moeijelyke> en aan veele zwaarighe* den onderhevigezaak, genoegzaam bewee- zen wordt. 2. Of in het byzonderdat bewys, waar van de Heer K AN T zig yoor uitvinder ver- klaart, van zo veel gewigt zy, dat daaruit eene onwrikbaare betooging dezer {telling, volge. Schoon ik zo verre ? eraf ben, datikin dit onderzoek, de kracht der zedelijke be- wyzen , alsgeheel nutteloos \ r erwerpen zou- de, dat ikintegendeeldezelvezeergefchikt oordeele , om de gemoederen der menfchen te bewegen en te neigen ter omhelzing van dit gevoelen, moet ik echter betuigen, dat uit ralia,. quibus res ilia ardua fane, multi,sque implicata difficultatibus 9 fatis probetur; 2. An fpeciatim id, cuius inuentorum Kantlus fe csfe profitetur, tanti fit momenti, ut hide firma Imiiis asferti eliciatur demon ftratio. Licet tantum abfit , ut moralium in hac disputatio- ne argumentorum vim CvSfe nullam autumem, ut po- tius ea ad animos hominum commouendos 9 eosque proclives reddendos , ut huic fententia asfentiantur,- esfe aptisfima arbitrer: tamen a me impetrarenon pos* fum , quin confitear , ex iis , quse hue usque a philofo- 5 phis 60 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE Bit die bewyzen, welke de wysgeeren tot heden opgegeeven hebben, geene volledige betooging voortvloeit, Dan, naarhetmytoefchynt, zal hetmet myn oogmerk beter ftrooken , debewyzen , door welke de wysgeeren, het aanweezen van God hebben willen betoogen , kort- lyk op te geeven; dan , dezelve wydloopfg te ontwikkel'en. Sommigenzynvanbegrip, dat onder de Menfchen, geen Volk zo Bar* baarsch , zo woest of onbefchaafd is , dat fchoon het niet weet, welk denkbeeld 2ig van de Godheid te vormen,echter nietweec dat er een God is. Deze verwonderens- waardigeovereenftemming van alie Volken , meenen zy dat geen plaats zoude kunnen hebben, zo niet deNatuur, of liever de phis funt contexta , demonflrationemnonenascij orn^ nibus r.umcris abfolutam. Argumenta autcrnilla, quibus viri fapientes Deum esfe probare voluerunt , recenfere potius, quam pro^ Jixius euoluere, fcopo mco videtur eiTe accommoda- tum. IITL hominibus nullam gentem esfe neque tarn barbaram neque tarn immanem, ncc tarn feram, ccn- fent noniuilii , quse non 9 etiamfi ignoret , qualem Deum habere deceat, tamen habeqdum fciat. Quam quidera admirabilem populorum confenfionem omnium non posfe locum habere, iidem arbitrantur, nifi ani- mis Dei uotionem ipfa irnpresfisfet natura, feu redius ip- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 6r Werkmeester en Schcpper derzelver het denkbeeld van God in hunne Ziel had inge- rent. Anderen cerwyl zy de Namur cler l nauwkeuriger befchouwen, kornt het voor , dat de kracht des Geweetens niet zo fterkzyn kan, dat in beide gevallen, zydie geen kwaad gedaan hebben, niet vreezen* en de ftraffb fleeds voor de oogen zweef't , van him diegezondigd hebben, zo nieteen Opperwezen de Zielen der Menfchen zoda- nig geformeerd had , dat zy zonder eenig pnderwys een voorgevoel (anticipation van hem, hebben; hem eerbiedigen, als Albe- ftierder; als belooner der goeden, en ftraf- fer der boozen, dus hem als Rechter Gods- dienilig vereerende. Andere fchrandere Mannen, meenen be- fpeurd te hebben dat eerie zekere neiging pm God te dienen alien Menfchenisingefcha- pen jpfius naturae opifex conditorque. Aliis , mentis fuai indolera curiofius coiueinplantibus, videtur confcien- tiai vis in utramque partem non posfe esfe tanta , ut nequc timeant, qui nihil mail commiferint, & poenani, femper ante oculos verfari putent, qui peccauennt , niii esfet Numen t fupremum% quod mentes humanasita formaverit , ut fui anticipationem vel fine doctrina ha- berent, feque ut omnia prouidentem , bonos praemiis Tomunerantem pravos luppliciis plectenrem judicemre- ligiofo cujtu vcnerarentur. ' Alii viri fiigacisiimi fibi vi- dentur aniuiadvertisle , omnibus omnium nationum ho* 6* TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE pen, en dat zulks zonneklaar blykt, dewyl, 1 wanneer het gemoed door Godsdienftige aandoeningen ontvlamd , de blyken daarvan \velke wy zckerlyk niet leeren , maar door fcct aangezicht en de geheeleLichaams-hou- dinge , door zekeren Natuur-dwang genood- saakt, uitdrukken , onder alle Volken , niet alleen dezelfde zyn, maar ook van elk, die dezelve ziet , duidlyk en op dezelfdewyze waargenomen worden. Al het welke zy be- grijpen onmogelyk te zyn, ten ware er een God zy^die, ten eindeHy van den Menfch gc dtend worde, de Natuur der Menfchen in 9 1 algemeen , opzetlyk , metWysheid en Goe- dcrtierenheid zodanig geformeerd had. Dan daar de Haarlemfche Maatfchappy cer minibus internam quondam Dei colendi propenfionem esic innatain, idque ex eo fole meridiano clarius eluce- re putant , quia 5 ii animus pietate quadara in Deum fla- grat ardcntiore, illius figna, quce mm addiscimus, fed vultu totoque corporis gestu , necesfitate quadani nature coafti , exprimimus , inter omnes terrae gentes non tantum funt eadem , verum etiam a quolibet 9 cuius in oculos incurrunt, fatis et pari modo intelligantur. Quse quidem fieri non posfe rentur, nifi esfet Deus, qui, utabhominibus coleretur, communem hominum naturam coniilio fie formauerit , ut fiipicntisfimo ita ctiam bcncuolcntisfimo. At quoiiiam ab Academia Scientiarura 9 quze Harle- mura OVER GODS AANWEEZEN, ENS. 63 der Weetenfchappen , voomaamlyk het Kantiaanfche bewys ten onderzoek heefc voorgefteld, met wegtaating van alles het welk daarmede niet op het nauwile zamen- hangt , 20 zal ik my niet ophouden met zaa- ken die tot andere bewyzen van dien aart behooren en door anderen wydloopig ver- klaard zyn. Wy gaan dus over tot de Hoofd- xaak > ten einde de ons voorgefchrevene paa- len niet te buiten te gaan. Derhalven zal ik in de eerfie plaats het zedelyk bewys, ons door iden Heer KANT opgedrongen > over *t welkde hedendaagfche Wysgeeren twisten, volgens den sin des uitvinders , duidiyk yoordraagen^ ca dit gedaaii 2ynde, hetzel- ve mum condccorat, lex est fanclta, ut inpritnis argu- mcntuin Kantianum ad exanicu revocaretur, omisfis omnibus, quse cum illo non ardisfimc cohsereant, iu illis , quaead alia eiusdcm generis argumenta pertinent, uberius explicandis hand defudabo , quippe qu etiame ab 1 aliis in utramque pariem Tint disputata atque expli- cata* Ad id potius evoluendum, quod hoc loco ca- put eft rei , nos accingemus , ne iilas 5 quse nobis pres- cripts funt, lineas tranfiliisfe videamur.' Ut auteiii oir.nia, qux funt et rcdc definienda et juste dijudican- da, lucnlenter, apte ordineque exponantur concinnoy mihi quidem, hanc omnera rem accuratius confideran- ti, yidetur a fcopo non alienum, fi primum illud ar- gumentura morale a Kantio nobis obtrufuin, de quo iitmma ell rummorumnoiiristemporibusphilofophoruin disfenfio, ex meiite invent oris dilucidc cxponara ? deinde tf4 TWEEDfi ANTWOORD op DE VRAAGfc ve nauwkeurig overweegen. Vefvolgens zat ik onclerzoeken of de HeerKANT, zo hy met zig zcive overeenftemt en den grondflag van zyn nietuv ftelzel zelve niet orn ver wer- pen wil , een bewys van dat foort kan fa- menflanfen , en als onwrikbaar voorftellen. Eindlyk of hy niet veel eer zelve, zig heefc genoodzaakt gevonden , met klaare woorden te bekennen, dat in ditzyn zedelyk bewys geene waare maar flegts eene fchyn-kracht eener volledige betooging plaats hebbe, ge- lyk eertyds Epicurus gezegd wordt gefteld te hebben: Dat Godgeen Vleesch maar flegts jchynyieesch , (quaji carnem) geen bloed mzzrfchyn-bloed(q.uafijangumem) had, Indien ik zo gelukldg ben , alle deze dingen, volgens het oordeelder Maatfchappye,wel en bondig voorteilellen , zoude my zeker- Jyk ^xpofitum asqtialance ponderem, turn anquiram 9 utruni Kantius, il fibi conftare, nee lystematis fui novi fun- da-mentum ipfe evertere velit, eju$ generis argumen- tum posfit contexere, idquefirmisfimum; postremoan- ne potius fuerit verbis luculentisfimis ipfe confiteri eoachis huic fuo morali argumento non inesfe veram , fed inodo quafi vim perfect se demonftrationis , lit olim Epicurus (latuisfe dicitur, Detim non habe're earnem, ftd quafi earnem , non fangiiinem , fed quafi languinem. Quse quidcm omniafi mihi cohtingeret , esfe tarn felici, lit ex fententia Acaderaiae feepius laudato recle ac foil- de expofuerim , mihi fane nil posiet accidere optatius, nil OVER GODS AANWEEZfeN, ENZ. 6s lyk niets gewenschter en aangenaatner kun- ncn te beurt vallen. Ik zal derhalven 20 vccl in myn vermogen istrachten te verhoeden, dat zig de Maatfchappy niet den tyd be- Jdaage , welken zy aan het Leezen dezer ge^ ringe Vcrhandeling befteed* L nil juctindius. Connitar igitur quantum in viribus meis eft fitum, ut II lam non pceniteat temporis , quod i a hac mea qualicunque lucubratioiie -.perle.ge.nda contri- verit. I 66 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGfi JFelke is de Natuur , en Aart van dat zedelyk bewys , waarvan de Koningbergfche Wysgeer , zigvoor den Uitvinderverklaart, enaanpryst als het eenlge , w aar door de mogelykheid . yan Gods bcfiaan , met zekerheid kan beweezen warden. Om deze Vraag regt te beantwoordeir> moetenwy vooral, raadpleegenmetdie Boeken aan welke de Schryver den titel gee ft. i . Critick der Reinen Vernunft 2. Cri- tick der Practifcben Vernunft. En uit de- 2;e Boeken moeten wy, zo weldebeginfelen uit, Quanam eft natura atque indohs moralls illius argumenti, culus Inventor em philofophus Re- giomontanus fe exftitisfeprofitetur^ quodquz fuum ex its, qu die in de zinnen vallen , en welke onder faformen van tyd en ruimte.begree- pen qua lifus eft, ita expromamits, ut interpfetis tantuiii munere hoc loco fundti efle vidcamur. Ne quis autem diibius hae-reat , an etiarn, quae deproraemns ? ea fmt Vere Kantiana, faepius, quanclo opus efle intellige- tur, fontem ipfum , ex quo haufla fiint, indicabimus. En igitur Kantii enunciatioiies, earumque combina* tioncm, licfadtam, ut inde argumentum , quod fuuiii efle gloriari folet ? quodque vehementer htulat^' ema* nafle videatur* I. Omnibus hominibus mentis qucedam facultas in- iiata eft, qua idonei evadunt ad ea imprimis cognos- ceuda, quac in fenfus cadanr , quceque fub temporis. eC F fx~ f 8 TWEEDE ANTVVOORD OP DE VRAAGE pen worden. Dit vermogen nu is onze ipiegelende (tbeore tifche^rede, welker gren- zen zo nauw bepaald zyn , dat zy buiten de gemelde formen niets verftaan , niets door* . zien kan. Dan 'er is ook eene uitoefenende (Pratiifche) rede, aan welke, zoveel ver- mogen toegefchreeven wordt , dat zy alleen den Wil aandryft en beftiert. Dit vermo- gen ontkennende , zoude men moeten be- weeren , dat de Praftifche wetten geene ze- delyke, algemeen voorgefchreevene wetten ^yn, maar alleen die, welke ieder Mensch fcig zelve, als de regelmaat zyner daa- den (Maxiinen) gewoon is voortefchry- ven H. De (#) Critisk der Praftifchen Vernunften$< 34-38. fpatii fortnis intelligantur. Quae quidem facultas eft ratio noftra theoretica , cuius eancelli adeo eontradl* funt in august urn, ut fupra illas , quas dixi, fonnas neque fapere , nee quicquam perfpicere poflit. Datur autem quoque ratio pradlica , cui tanta, ut fola vo- luntatem impellat, eique imperet , vis inefle dicitiir^ ^ua negata, necefTe eft, ut leges pradlicai non fint le ges morales (fittengefetzfe} omnibus latse, fed eae tan- turn, quasfibi, ut rcgulas agendi, (maximen') fin- guli quique homines folent praeicribere. (^7). II. Ra- (tf) CVi/i/fc der praSifchen J^ernunft. p. 343?- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 69 II. De Natuur kent aan de Praftifche re- de alleen het vermogen toe , de zcdelijke wet- ten zodanig voortefchryven dat zy bloot tot haar betrekking hebben, maar niet tot die neigingen van den Wil, welke wy wee- ten ons ingefchapen te zyn; want indiendit niet zo was , zoude de rede geene noodzaak- lykheid met haare wetten kunnen verbinden, om alle verftandelyke weezeins tot derzelver waarneeming te verpligten. Dan alle kunnen onmogelyk yerpligt worden, ten zy de wet- ten zodanig ingerichtzyn , dat haare kracht niet verbroken worde , fchoon ook die ge- fteldheden, in welke het eerie van het andere verftandelyke wezen mogt verfchillen, niet in aanmerking genonien wierden (#). IILHet II. Rationi prafticce foli natufa vim attribuit, leges morales ita fcrendi , ut tantum ad fe 5 non autem ad il- los voluntatis refpiceret appetitus , quos nobis innatos efle fcimus. Quod enim niii locum haberet , legi- bus fuis non posfet ratio neceffitatem adjungere ., qua omnes, quibus rerum intelligentia inefle potest, ad eas obfcrvandas obligarentur. Obligari autem ouines neutiquam poffent 5 nifi leges ita efTent comparatae , tit illarum vis miiiime infringeretur, 'quainuis ad condi- tiones , non attenderitur illas 3 quibus una res intelligent ab ultera discerneretur (). Ill, CO i. c. F & 7* TVVEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE III.Het voorwerp (Materid) van het be- geervermogen (facultatis appetendi)r\oemt de Hr. K ANT iederezaak welks daadlykbe- ftaen geeist wordt. Indien derhalven de be- geerte , door welke wy tot dat voorwerp ge- dreven worden , fterker is dan de Praftifche wet en haare bron is, dan moet onzewyze man dat beginzel een op ondervinding rus- tendbeginfelnoemen en teffens beweeren, dat het zelve niet onder de zedelyke wetten kan gefteld worden. (0- IV. Daarenboven zyn de beginfelen wel- ke deHr. KANT voorwerplyknoemt, alle van eenerlei aart , ook alle begreepen onder dit (c) 1* d. png. 38, III. Materiam facultatis appetendi appellat Kant tut rem 'quamlibet 9 quae ut exfiftat , poftulatur. Si igitur cuplditas , qua ad iflam rem impcllimus regulam praclicam antecedit , illiusque ell fons feu conditio* (Bedii]gung),principium ,quod inde enascitur, nomi- nat idem ille vir fapicns empiricum , fimulque conten* dit , illud in legum moralium numero non pofle ha bed (c), IV. Principia pradlica, quze Kaiitius die it materia- lia, funt unius ejusdemqiie generis, . quse omnia OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 71 dit eenigebeginfel , dat aan alle bezielde wee- fcens ingefchaapen is,enwaardoorzy ookal- V le gedreeven worden , dat zy zig zelve lief hebben , en hunne gelukzaligheid zoeken. Derhalven kan het volgens den Heer KANT nietanders zyn, dan dat iedere ziel , die aan den eenen kant met redebegaafd, dochaan den anderen kant binnen zekere enge gren- zen bepaaldis, door zekere, niet vry willige maar noodzaaklyke en natuurlyke aandrift riaar zyne gelukzaligheid haakt. Trouwens, daar hy eindig is, moet hy noodv/endig zyne behoeftigheid voelen, en door dit ge^ vpel noodwendig aangeprikkeld worden om zig van dezelve te bevryden , en tot eenen ftaat te geraaken in welken hy zig voorflelt elukkig te ^ullen zyn. Nochthans daar ie- er yerilandig weezen het bovengemelde in uno illo principio contmentur, quod cunctis inge- neraturn eft aniiuantibus , quoque incitantur, ut fe ameut ,fuamque f elicit ate m expet ant. Quapropter , ju- dictlfantioi fieri non potest, quin animus quilibet, ut ratione pneditus , ita tcrminis etiam circumfcrip- tus anguftis, impetu quodam non voluritario , fed ne- ccsfario & natural! ad prosperitatem adfpiret fuanu Etenim quum fit finitus , non potest non \ entire in* digentiam ( bedurfni'sz ) , cuius quidem fenfu necesfe eft, ut ftimuletur , ab ilia fe liberare, et ad datum contendere iftum , in quo fib! beams effe videatur. Attanien quia hoc *materiale principittin rqs quasvis F 3 iu 7 a TWEEDE ANTWOORD OPDEVRAAGE voorwerplyk ( Materiale} beginfel niet dan door ondervinding (Empirlce} kan leeren kennen , zo mag men dit beginfel : Zoek wive ZaUgheid, niet als eene wet aanneemen , alzoo de waare zedelyke wet, by alle met rede begaafde Weezens , in welken ftaat zy ook verkeeren , de eenigfte beweeggrond van hunnen Wil zyn moet. V. Wanneer elk verftandig weezen, de regelmaat zyner daaden voor algemeene Pradifche wetten houdt, moet hy noodwen- dig niet aan derzelver voorwerp,maar flegts aan derzelver form haar kracht toe fchry- ven, van den Wil te beweegen, en tot die daaden tebeweegen welke men wenscht De- ze \. c. pag. 40, intelligens non nifi experientia edo<5la(empirisch),potest cognoscerc, non licet, hoc principium feu problema: guare f elicit am pro lege haberi, quiu lex vcrc mora- lis omnibus rebus rationc przeditis , quo etiam cunquc in ftatu vivant, (in alien Faellen} debet efTe incita inento-, quo voluntas movetur (Bewegungsgrund des \villens) V. Quod fi res queque intelligens, agendi fua principia (maximen) leges praclicas iiniyerlales ^ffe, cogitat; necesfe eft, ut non ijlorum - matcriae, fed tgntum forniae vim adfcribat, voluntatem movendi,ct a4 C^O I. c, pag. 40' OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 73 ze form der wet meent nu onze Wysgeer flegts door de rede begreepen te kunnen wor den ; maar geenszins binnen het bereik der sinnen te vallen, nochonder de verfchynze- len te kunnen gerekend worden. Weshalven dan de form van dit beginfel , voor zo verre het over den Wilheerscht, van alle andereoor- zaaken die in de waereld, volgens de wet der oQTzaaklykhdd&aufalitatis') ontelbaare ver- anderingen voortbrengen , geheel en al on- derfcheiden is, om dat deze laatfle uit de verfchynfelen, tot welke de uitkomften der dingenbehooren, ontftaan. Hier uit befluit eindlyk de HF.KANT, dat, daar geene an- dere beweeggrond van den Wil de zedely- kewet: verdient genoemd te worden, dan alleen de gemelde wetgevende form , die Wil niet kan onderworpen zyn aan die wetten, wel- ^d res 9 qu# expetantur, dirigendi. Quam quidem Icgis formam a ratione tantum.percipi, nee in fenfus iillo modo cadere , nee vifis .fawpsws (^Erfcheinun^ gen) posfe accenferi, philofophus noster arbitrattuv Quapropter etiam huius principii forma , quatenus vo luntati imperat, a reliquis omnibus cauiis, quse in mundo fecundum legem cavfalitath innumeras pro- creant rerum commutationes 9 divcrfa efl" maxime, quia ilia? ab ipiis vifis (Erfcheinungen) quibus rerum eventus aiintimerandi fiint^proliciscuntiir. Exiisdemum elicit jSfipntius 9 quumnulla alia caufa movensvoluntatisCBe^ flimmiingsgrund des Willens) lex moralis mereatur nunpupari 5 quam fola ea univerfalis legiflatoria forma , F 4 ?4 TWEEDE ANTVVOORD OP DE VRAAGE welke de natuur aan de verfchynzelen voor- fchryfc, datis niet aan de wet der oorzaak- lykheid. (caufalitatis} En dus heeft dczo beroemdeWysgeergemeenddebronteont- dekken uit welke de vryheid ontfpringt , en heefc niet gefchroomd die wil vry te noemen , voor welke in ftede van wet de blote form van het beginfel waardcor zy (dewil) toe werken word aangedreven , ene algemene wetgevende form (forma univerfolislegijlato* ria} kan zyn (^). Dan of onze reden, wanneer zezedelyke wetten geeft, door andere ons onbekende oorzaaken zodanig bepaald worde, datdat geen, het welke, wanneer wy deoogen des vej> (0 1. c, -pag. 4850 yol-iHitatem illam legibus 9 quas niitura $<*,wtpv fubtilius anquirendum hand efle exiftimat (/). VI. Quun> Kritik der reinen yernunft, pa^ 831, * ? 5 ? 6 TWEEDE ANTWOORD op DE VRAAGU VI. Da ar alien Menfchen, een onweer- ftandlyke zugt naar gelukzaligheid ingefcha- pen is , zo is het voor ons vanbelang nauw- keuriger te onderzoeken , hoedanig en van welken aart die zugt zy. De Fir. K A NT heeft, lyk blykt , dezelve tweezins verklaard: k acht het mynen pligt beide die verklaa- ringen mct's Wysgeerseigene woordenvoor te draagen , hy heeft naamlyk beweerd , dat de gelukzaligheiddie ftaat isderziel^in wel- Jcetialle haare begeerten niet alleen ten aan- zien der verfcheidenheden , maar ookder trappen en duuring Ode ft extenjive, intenji- ye & protenjive^) vervuld worden (^). Dan op een andere plaats , noemt by de gelukza- lig- (f ) K. d. p. V..png. 834- VI. Qimm bominibus omnibus a nntura cupiditas qiia3dam indelebilis infita fit , felicitatis expetendae 9 noflra fane refert, ut qua: & qualis fit ilia , . diligen- tius rimcmur. Dtiplici autem modo illam a Kamlo esr fe explicatam , liquet 9 quam ego duplicem definitio- jiem^ mearum partium efle arbitror, ut , quantum fieri yotest ipfishuius philofophi .yerbis exprimam. Affir- mavit nimirum , felicitatem efle illam animi eonditio- nem, in qua omnes eius appetitus ubn tantum ratione varietatum ; fed graduum etiam atque durationis, id eft pxtcnfivc, intenfive & protenfive cxplcantur (^)- AHo autem loco felicitatem dicit illam rei cuiusquera-? tio- K. d. p. V. pag: ; S34.' OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 77 ligheid , dien ilaat van ieder met rede in de- ze waereld begaafd Wezen , in welkenhern r geduurende zyn geheelebeftaan, allesnaar wensch gaat Welke gelukzaligheid derhal- ven alleen rust op de overeenftemming der natuur,methetgeheeledoelwit van dat We- 2en en tevens met de natuurlyke beweegre? denen van deszelfs Wil. De Pradifche wet welke ons gegeeven wordt uic hoofde van onze zugt naar gelukzaligheid , noemt by der^ regel der \yysheid (rudenti) K. d. R. V. pag. 837. Icgibus fcmper accommodatum , non cum femet ipfa folum, fed cum diorum etiam quorumcumque liber- tate ardliffime confpiret (o). XII. Qtiemadfliodum fecuiKlum rationcm in pracli- co eius ufii principia moralia funt ueccffaria : fie etiam eogitur, tit eadem ratio in theorctico fuo ufu aflcrat, cuiuisjusefle fperandi, fore, lit, qu ainduftri a fe felici- tate dignum reddidit, codcmgradu illam coiifequatur. Ncgandum igitur 11011 eft, cum fyftemate felicitatis virtutis fyftema indiflblubili quidem vinculo , fed in idea puree rationis , die connexum (/). XIII. la o 3 K. d. R. V. pag. 836. f > K. d. R. V, pag. 837. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 85 XIII. Dan , in de door den Hr. K AN T zo- genaamde zedelyke waereld, moeten wij de waereld die door het veriland kan bcgree- pen worden, ons zodanig voorftellen, dat wy van alle de beletfelen, die gewoonlijk der deugd tegenftand bieden, afzien; wane waarom zouden wy ons niet een zodahig flelzel kunnen voorltellen, waarin de Ge- lukzaligheid met de deugd, zo noodzaaklyk verbonden is , dat de grootheid der laatfte aan de grootheid der eerfte beantwoorde. Trouwens in die zedelijke waereld , zoude de vryheid, welke> door de wet ten deels opgewekt, deels beperkt wordt , de oorzaak van eene algemeene gelukzaligheid zyn, en redelyke wezens , die zodanige beginfels volgden , zouden niet alieen hunne , maar ook anderen beflendige gelukzaligheid flaa- yen en vermeerderen. Dan dit ftelzel waar in XIII. In moral! autem mundo, qucm appellat Kan- tlus eum, qui intelledu potcst concipi. Qintelligibcle Welt), cuiusque notionem ita formamus, ut impedi- mentorum, quae virtuti obiici folent, rationem habea- inus nullam., quid obftat, quo minus .dari, cogitemus eius generis fyilema, in quo cum virtutc felicitas ue- ceflario ita (it combinata, ut huius magnitudo illircs- pondeat. Eteimn in iilo mundo morali libertas , qu^e legibus moralibus partim excitatur, partial .reflringi- tur, foret univerfalis falutis caufa et res ratione uten- tes, qure eius generis pvincipia feqiicreritur, non fuam tantum,fed aliorum etiam pcrcnncm faluieni ilabilirenr ct augercnt. Scd illud fyftcma in quo virtus felicita- G 2 tis 86 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGS ihdeddugd, a!s de gelukzaligheid voort- brengende, verfchynt, is, gelyk men ligt- lyk ziet, flegts een denkbceld", hec welke' dan eerst plaats kan hebben, wanneer alle zo handelen a!s zy behoorden ; dat is : Wanneer de geenen die rede gebruiken, al- le hunnedaaden zoinrigten,als of zy alic van eenen Opperften Wil , welke al!e de byzond^- te Willen in zig of onder zig bevat , vbort- vlceiden. Dan , daat* de vryheid van een ie- der aan die verpligting, welke liit de ze- delyke Wet oiitfpruitrbeh'oorc re gehoorza- men, fchoon Veelen dezelve minachten en noch uit de natuur der dingen, noch gelyk de Hr. KANT gelieft te-fpreeken, uic de oorzaaklijkheid der daatten , noch uit derzelver verband of vergelyking met de deugd, gelukzaligheid kan voortfpruiten ; uic al hec welke hij befluit, dat : 'er geett nood- tis eft afTc^nx, mentis tantuin idcam cffe, facile per- fpici'mus , qure turn modo re ipfa locum hafoere potcst, fi oni'nes ita agunt , ut dcbcnt, i. c. fi ii, qui ratio- lie utuntur , oxnc's fnas aftioiics fie ' fuscipmnt , ac fl ill 02 omnes ab una fuprcma vohintate, quse cinvftns lingiilorum voUintatcs in ie five fub ie comprehendit n pToilciscaiuiir. Ouum autem tlli obligation! , qua? ex lege in oral i nascitur, cujufuis libertas obiequi de- beat, crunmuis multi illam flocci p'cndeant, neque e rerum nrittira, neque, ut Kaiitittm loqui innat, e caufal-itate adionum , neque ex illarum nexti feu com- paratwjiie 1 cum virtute, utnmi fclicitatem i';i['-nat , ne> elici potest; e quibus illc omnibus 'eolli^i' xum OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 87 noodzaaklijk verband tusfchen deZaligheid op welke wij hopen en de onvennoeide poo- ging om dezelve te crlangen kan ontdekt worden, zo flegtsde natuur ten grondflag ge- legd word. Doch indien de natuur van zo. danig eene hoogfte rede, die de waereld vol- gens zedelyke wetten regeert, ingericht is , dan mogen, dan kunnen, wy zulkshoopen (q), XIV. Het verftand van dat redelyk We- 2en (inteiligentia^ in het welke met de hoog- ftegdukzaligheid deallervolmaaktfte ^edely- ke Wil verbonden, en deoor?;aak is van alle gelukzaligheid in de xvaereld^voor 20 verre die Wil met de deugd faamgepaard gaat, noemt de Hr. KANThetdenkbeeld (Idea- r xum qtiendam necesfarium inter falutem , quam fpe- ranius , et indciesfum illius confequendse (Indium de^ tegi noil polTe, fi'.fola natura fundamenti loco poni* tur. Licet autem nobis, virtutem inter et falutem eius generis ncxuni fpcrare , li a fuprcma quadam ra- tione (hocchfler vcrnunft) , quai fecundum leges morales muiidum gubernat, natura eft conllituta (^). XIV. Ideam illias rei ratione mentis (Intelligenz), in qua cum fumma beatitudine voluntas moralis per- fectisfima commic"ta, cuiusvisin mundo felicittitiscau-f fa cst, quatenus ilia cum virtute pan pasfil ambulat, K. d. R. V. pag. 838. 88 TWEEDE ANTWOORD op DE VRAAGE &)van hethoogfte goed. In welk denkbeeld van het hoogfte oorfpronglijk (dus vervolgt de Hr. KANT) de rede alleen de oorzaak van het noodzaaklyk verband tusfchen de deugd en de gelukzaligheid kan ontdek* ken , welke beide van hem genoemd worden degrondbeginzelen tElementci) van het hoog- fte afgeleide goed. Daaronsnu derede zelve dwingt , ons als de geeneri aan te merken , welke behooren tot die waereld , welke niet dan door het verfland kan begreepen wor- den , en ons door hulpe der zinnen geene an- dere waereld voorkotnt, dan eene waereld vol verfchynzelen , in welke dat verband niet gevonden wordt, 20 moeten wy die toe- komftige waereld noodwendig houden voor 20 cene , in welke on2e gelukzaligheid 2al gecvenredigd zyn aan de yolmaaktheid on- zer deugd (r). XV. Het (r) K. d. R. V. pag. 838. fnmmi boni formam feu ideale Kantins appelhit. Quo jgitur in ideal! 5 lit pergit auclor, fummi boni origi- iialis, ratio 'tantiim dctegcre potest cauiam connexio- nis virtutem intjr ct feiicitntem iicccirarix , quacutrae- que ab illo vocantur fummi bcrni derivati elcmenta. Ouum igitur ab ipia ratiouc cogamur , ut nos pute- nius efle illos, qui ad mundum , intelledii qui modo coiicipi potest ,pcrtineant et ope fenfuum mundustan- Tum nobis appareat ^^emv plcniiTimus, in quo ilia coiincxio non invenitur : ncccfle eft, ut ilium mundum futurum ede arbitremur, in quo, ut virttfs noftra eft perfectisfima 5 ita erimus beatisfimi (r\ XV. Ut (r) K. d. R. V. pag. 838. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 89 XV. Hetnoodwendigdoelwit, tothet wel- ke de Wil, die door de 2edelyke wet be* ilierd wordt , niet nalaaten kan te flree- vcn C-0, is: Dae het hoogfte goed in de waereld verkreege worde, opdeeze grond- voorwaarde;dat alle begeerten met die wet overeenftemmen , of , hetgeenhet zelvde is , datdedeugd volmaaktzij. Dan deze deugd kanniemand in de waereld verkrygen. Ook is met deceive de gelukzaligheid in de wae- rqld , riiet noodzaaklyk verbpnden. Wy moeten derhalven , of, aan die _ heid wanhoopen , of pnze rede moet n< wendigeene toekomflige waereld onderftel- len , in welke de besfen de gelukkigften zyn zullen, Hier komt by, dat, indien men ee (s) K. d. P. V. {de pag. heeft de Schryver niet op* gegeeven, XV Ut fummum i in mundo obtineatur bonum , eft meta neceffiiria , ad quam voluntas , quse moral! lege rcgitur, non potest non tendere (j). Summi illius boni conditio fuprema eft perfecla omnium ap* petituum cum eadem lege conuenientia , five perfec- ta virtus. At illam neque quisquam in hoc mundo nancisci potest, neque cum ilia in terrarum orbe fe- licitas necefTario conjuncta eft. Quare vel omnino ncv bis de ilia felicitate desperandum eft, vel non potest, quin ratio noftra mundum aliquem futurum efle asfe* rat, in quo optimus quique erit felidsfimus. Qui bu$ CO K, d. p ? V. 9. TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE eene zodanige waereld , niet hoopen konde, de zedelyke wetten niets anders zouden zyn dan bloote herfchenfchimmen ; dewyl het geene uit die wetten noodwendigvolgn, en de rede met dezelve verbint , geheel ver- vallen zoude (/) XVI- Doch dtt kan niet vervallen, de- yjjyl de rede ons door haare eigene kracht niet alleen gebiedt;dat wy ons dergelukza* zaligheid , door betrachting der deugd , waard-ig maaken; maar ookeischt: dat ; er een noodzaaklyk verband tusfchen die bei- den plaats hebbe. Weshalve dezelveook eischt : j. Datwynaadcndoodeenleevenmce'? ten (X> K, d. R. V. Rag.-83.fl.- "bus aceedit , ut leges morales; nifi ejus generis ,flus fperandus ell, nil niil Inanla, iugenii figmen quia id, quod ex legibus illis neceilario iequitur, quodque eadem ratio cum illis conjungit, turn penitiis .tolljtiir XVI. Tolli autcm 11011 potest . quia ratio nobis non taiitum iua ipfius vi imperat, ut virtutis lludio no.5 , kan, danwordt ookgeeischt, dat 'ereen volftrekt hoogst goed , van het welke al- le andere goeden hunnen oorfprong heb- 3 , ben, beflaa,0f dat er een God (//) K. d. P. V. pag. 225. bent. Dnri igitur in mundo ftimmum bonum non po^ test , nifi fuprenia qusedam fit natura, cuius visagen- di (cauialita2) ita eft comparata, ut moralibus legi- l)iis convenicnter appiicetur. Quce autem natura iis convenienter agit, illam ratione uti & voliuitate, ec- quis eft, qui non intclligat. Itaque.fuprema naturce cauHi, quatenus ob fummum bonum a ratione poni deber, res eft, quas, intellcctu & voluntate prjedita, n^turam procreavit , fcilicet Deus. Quapropter quum poftulctur, ut dan poilit fummum bonum idque deri- vaium, poitulatur etiam, ut vcrc fit fupremum bo-f niim , a quo rcliqua bona origiiiem fuaai ducunt om- jiia, feu ut fit Deus. Cu\ XVII. Vi- C.) K. d. P, V. pag. 22?. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 93 XVIL Wy zien derhalven , dat , dePrac- tifche rede, uitgewerkt heeft dat geene, waar in de Theoretifche te kort fchoot. d'Eerfte eischt als noodzaaklyk; dat men het beftaan van God erkenne, en opdezelf- de wyze verlicht zy ons (als 'tware) wan- neer de vraag is, hoedanig wy ons God moe- ten voorftellen. Dit is klaar, dat de Ge* lukzaligheid , welke wy ons, volgens den eisch der hoogfte zedelyke wet moeten trach- ten waardig te maaken , niet kan verkreegen worden, ten zy die God, de Schepper der waereld , de hoogfte volmaaktheid bezitte. Dezelfde onze Praftifche rede eischt der- halven noodwendig, dat wy dien God hou- den: i. Voo^ den volmaakt heiligen , om dat hy eene waejreld heeft willen fcheppen, in XVII. Videmus igitur, quod ratio theorctica eOI- cere baud poterat, id apractica efle praellitum. Pos- tulat igitur neceffario, ut Deura efle flatuatur. Eadcm quoque nobis face quafi prrelucet iua, fi in delibera- tionem cadit , qui et qualis illc fie putandus. In apri- co pofiturn eft, fclicitatem, qua ut nos faciaiuus dig- nos, lex fuprema moralis iubet, non pofTe obtincri, nifi Deusis^fit muhdi conditor fumrais pcrfcclionibus ornatns. Quaproplcr eadcm noflra ratio praciica ne- ceflario poftulat, ut ilium arbitremur efle i. Sanftifllmum , quo vclit mundum creare,5nqu yirtutem fclicitas lemper fequatur. 94 TWEEDE ANTWOOPvD OP DE VRAAGE in welke de geliikzaligheid cen flandvas- 9* tig gevolg is der deugd-" " 2. Voor den Alweetenden , omdat hy de Natuur van alle onjze daaden, en de innigfte aandoeningen, in elken ftaat op het nau'svkcurigfle kan beoordeelen en door alle vplgen$ie eeu'wcn voorzienkan/* 3. Voor den Almagtigen, omdat hyons die belooningen kan toevoegen, die aan onze verdienften geeVenredigd zyn." 4. 39 Voor den Regtvaardigflen om dat >v HyhetWil/ ; 5. Eindlyk voor den aloiiitegenwoor- digen en Eeuwigen. ;? Het geen derhalven onze Theoretifche re* de, met alle haare poogingen op geenerlei wy-^ 2. Omniscium , quo adionum noflrarum quarum- que naturam intimis animi noftriafl'cctionibiis quocun- quc in itatuaccuratiffime queat dijudicarect per omnia fecula futura intclligcre. 3. Omnipotpntcm , qiio.przemia nobis poffit imper* tire, iTiiritis nostris accomodatiflimaj. 4. lufliflimum , quo id velit. 5. Omniprrefentem dcnique et astcrnum. Quod igi- tur ratio no.ltra thcorctica omnibus fuis conaminibus dcfinirc nullo inodo. poterat, id lex maralis .notione ium- ii GODS AANWEE2EN, ENZ. 95 bcfliffen kdn; kepaalt de zedelyke Wet door het begrip van het hoogfle Goed, waaromtrent onze zuivere Pra&ifche red^. verkeert , te weeten door het begrip van hem , diede cerfte porzaak der geheele rtatuur is, en die alle dingen onderhoudt r en met dat alle menfchen, van, welke Natie of Volk ook, die den Hemel a.anfchouwd ^ en den Loop der Hemelfche Ligchaamen hebben t waar- genomen , eenparig erkend hebben , dat eene alwyze Godheid beftaat , door welke dit alles geregeerd wordt. Indien zy dit niet quam arguracntum demonftrandi vim habeat , a qiiovis harum rcruni pcrito recle huelligatur. Mihi quideui non videtur effc disputandum , anuc homines ad unurii onines infatiabili quadam , ut bcati evadant, cu'pidi- tate flagrcnt & proptcrca etiam Tint propcnfislimi ad airenfum do'dlrinai, qua Deus pcrhibctur , lubcntisfi- tno animo prcebendtim. Quod cquidcm modo poile ilium ncgarercor, qui nequc ani'mi noiiri indolemia- rifi indagavit, neqtie cxhiiloriarum monumcntisdidicit , ;ib omnibus omnium gentium hominibus, qui ccaluni fiispcxeriuit, coclcfhiaque coiitcmphui iuiu , it n aquas vocc cifc ailirniJitinn ,' dari aiiquod numcn prceitantis- iijas mentis 9 -qn'o lia-c regantui. (^iitHi niii cognitum com- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ, 99 niet begfeepen en erkend hadden, zoude die meening volgens het Zeggen van Luci~ liusbij Cicero niet zo beftendig plaatsgehou- den hebben; niet bevestigd gebleeven door de langduurigheid des tyds, noch geduu- rende 20 veele eeuwen van het een' op het andere geflacht overgeerfd zyn. Deeze zyne meening tracht hy daar door te beves* tigen, dat andere verdigtzelen, by verloop van tyden veelal verdweenen zyn. Want verdigtzelen yerdwynen met den dag; maar de tijd bevestigd gevoelens die in ae Natuur gegrond zyn* De voornaame zaak, fcomt, myns be- dunkens, hier op aan: dat wy nauwkeuri- ger onderzoeken , of in het Kantziaanfche bewys eenegenoegzaamekracht zij, orn dat geene \ welke hy 'er meede bewyzen wilde r eomprehenfumque animis habefent, illam opinioneni Don tarn (labilem permanere cenfuit lucilius apud Ci- ceronem, nee confirmari diuturnitate temporis, nee Una cum feculis setatibusque hominum inueterare potuis- fe. Quam fuam fententiara eo confirmare fludet, quod cetera opiniones ficta? atque vanae diuturnitate exta* buerunt, quia opinionum commenta delet dies, natu- rse iudicia confirmat. In hoc potius mihi videttir totius rci cardo verfari, Ut fubtilius disputetur, utrum haic Kant tana argu- mento vis iufta infit, id, ad quod probandum excogi- H ta- ioo TW3EDK.ANTWOORD oposVRAAGE fcoodanigtebewyzen, dat geen fchrander noch waarheid - lievend mensch , aan deze flailing, ER is EERGOD, eenigzins twy- felen kan. Doch , indien de beginzelen , wel- ke in de Kantziaanfche redeneering ten grond- flage gelegd worden, zeker zyn en onwrik- baan - Indien veryolgens Kants manier van befluiten zodanig is, dat zy nauwkeurig overeenftemt met deregelen welke debedre- venfte redeneerkundigen met alleen hebben voorgefchreeven , maar .van welker zeker- heid zy ook ten vollen z\g overtuigd ach- ten. Danfchiet geheel geene rede van twyfeling meer over. Derhalven vereischt myn oogmerk: Dat ik , in ftEerfte plaats , de gronden van welke die Wy sgeer zig bediend heeft nafpeure. Ten * 'tatratur, ita probandi , utmens' perfpicacisfimi ? veri- tatisque amantisfimi cuiusque de hoc asferto , videli- cet efTe Deum, dubitare minime queat. Sed dubitan- di adeo fibrce funt evulfas omncs , fi primum principia ., qure fundamenti loco in hoc argumentandi genere a Kantlo ponuntur, funt certisfima atque firmisfima ., deinde concludendi modus fi adhibitus is; eft, qiu regulis arclisfime congruit, quas ratio fapientisfimo- rum quorumque in arte logica non praescribit modo , fed etiam perfpicit efle certisfimas. Itaque fcopus , quern mihi propofitum efle video , omnino exigit , ut. I. Principia, quibus ufus eft ille philofophus , ad cxamen revocarorn. a. An- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 101 Ten tweede onderzoeke , of tusfchcn het befluit en de beginfelen uit welkehy dezelve getrokken heeft, een verband zy, en wel sodanig een verband hetwelke niet gemaks- halve verzonnen, maar uit hoofde van den zamenhang noodzaaklyk is. Tot dit alles zal ik geen grooten omflag van woorden gebruiken , maar, de wyl ik my de mooglykfte kortheid tot eene wet hebbe voorgefleld, alles, 20 nauw doenlyk is, en het gewigt der zaak toelaat, faamtrekken. 1. d'Hr. K A NT onderfcheid de Praftifche van de Theoretifche rede; maar waarotn hy niet de kenmerken er bygevoegd heeft ,waar door de eerfle van de laatfte kan onderfchei- den worden , is my niet wel mogelyk te be? vroe- 2. Anquiram , num inter cohcludonem et principia^ e quibus elicuit , illam , nexusfit non commodi gra- tia fidus s fed ob rerum cohserentiam necesfarius. Qua? quidem omnta non longis verborum et fenten- tiarum ambagibus, fed, quia lex mihi fancita eft, tit brevitati ftuderem, tarn adducta in angullum oratione enodare connitar, quam ob rei dignitatem fieri po- test. i. Rationem pradlicam Kantlus diflinguit a theore* tica, fedquare notas non adiecerit, quibus ilia ab hac accurate discerni queat, hariolari equidem non pos- H a fum. 102 TWEEDE ANTWOORD OP DB VRAAGE vroeden. Want daar het ganfche volgend onderzoek over de Pra&ifche rede zoude loopen , had hy vooraf moeten bepaalen wat die rede is, ten einde in het vervolg behoorlyk te kunnen beftemmen , welke kracht zy hebbe. Wy oordeelen derhalven dat het onze zaak is te bepaalen, wat, vol- gens het gevoelen der wysgeeren, die de natuur onzerrede met alle mogelyken vlyt onderzogt hebben, Pra&ifche, watTheo- retifche rede is. Ons alien is een vermogen derziel ingefchapen,om begrippen derzaa- ken te vormen; derzelver verband intezien; derzelver oorzaaken te doorgrbnden', enuit die geenen, welke ons bekend zyn, onbe- kende af te leiden. Dus is de rede in het algemeen dat vermogen der ziel, waardoor jyy waare zaaken bevatten. Deze nu ken- nen fum. Etenim quum ferme omnis disputatio de ratio- He praftica efletfutura, ante definite debuisfet, quid effet ilia ratio , ut deinde , quaenam vis illi adhoereret , rite poflet determinari. E re igitur noflra efle iudi- carnus , li, quaenam fit riitiojquaenam theoretica, quas- nam praftica fecimdum lententiamphilofophorum, qui rationis noilrse naturam fumma perscrutati funt indu- ftria definire conamur. Infita nobis omnibns eft ea animi fiicultas, ut rerum notiones formare, illarum nexum perfpicere, rerura caufas cernere , et ex iis, qiice nobis funt cognita, ignota eruere posiimus* Est igitur generatim ratio animi facultas ea, qu^e vera funt apprehendendi* Cognoscimus autem ilia five wn- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 103 nen wy of flegts uit zuivere begrippen en derzelver zatnenhang , ofook,uit zodanige welke ons de pndervinding leert of in de zin- nen vallen , indien het eerfte plaats heeft dar is het zuivere rede ; maar zo het laat- fte, dan^kan zy Empirke genaamd worden, Wanneer yervolgens gevraagd wordt , welk onderfcheid tusfchen de PraClifche en Tbeo* retifche rede plaats heeft, dan kan er zeker* lykgeen ander nietverdigt maarwaarachtig en uit de natuur onzer rede zelve voort- vloeijend onderfcheid bedagt worden, dan dat dezelfde rede, wanneer zy leert 1. Watwaaris, Theoretifch. 2. W^t zy 9 die met vryheid begaafd zyn; behooren te doen pf te laaten, PraClifcb wordt genaamd, Doch ofde natuur onze theoretifche reden bin-. tantum e purls notionibus, illarumque connexione, i]ve etiam ex iis, quas experientia docet, quceque in fenfus cadunt. Si illud locum habet: ratio pura, fitv hoc : yatio empirica potest nominari, Quum porro qua^ritur, quidnam inter rationem praclicam et theo- reticam difcriminis detur, nullum profefto aliud id- que non ficpimi fed verum, atque ex ipfa rationis nos- tras natura fluens, excogitari potest, quam ut eadem ratio, fi docet i. quid verum lit theoretica 2. quid iis , qui libertate funt praediti , faciendum fugiendura* ve, appelletur praftica. Utrum autem rationis nos-> H 3 tra; 104 TVVEEDE ANTWOORD opcEVRAAGE binnen zulke enge palen hceft begrenst,dat zy buiten de voorwerpen , die onder de form van tyd en ruimte gedagt, en flegts door de zinnen bevat worden , niets met ze- lerheid begrypen kan, gelykKANT en zy die hem volgen, ons wel tragten te overre- den , maar tot nog toe met gene dugtige re- denen bewezenhebben, dan of in tegendeel de kragt onzer gernelde reden zig veel ver- der uitftrekke, en in ftaat zy zaken die op generly wyze in de zinnen vallen, met ze- kerheid te leren kennen , gelyk zeer vele on- zer voortreffelykfte wysgeeren ftaande hou- den enbewyzen, dit is ene zaak van het grootfle belang , en die een diepzinnig on- derzoek vereischt , doch waarin wy hier niet verder treden kunnen , fchoon ik gene zwa- righeid makeopentlyk te bekennen, dat ik het trse thereticae tarn angufti a natura limites fint pofiti, nt praeter ilia 7 qu?e fub teraporis et fpatii forma co- gitantur, fenfibus m'odci percepta, nil certum atque cxploratum habere posfic, quemad modum Kantius et qui castra eius fequuntur, nobis pcrfuadere moliuntur voor zo ver- tra detexit , detegere turn d^mum inde leges potest univerfales easque igitur fecundum Kantium morales, quas omnibus, qui voluntate et ratione utuntur, na* tura ipfa prazfcribit. Necesfitatem autem illis adiedtam etFe ratio, quamvis praL c tica^ non ex f LI a ipfius natu- ra, fed potius ex eo intelligit, quum videt, illas cum meta univerfali , quain expctere debemus, ita efle con* junftas, ut fpretis ilJis legibus, earn obtinere uequea- mus. Ne autem rationis quicquam detraxiste videar , illius prxftantiam efle tantam , lubens contedo, ut eius duntaxat ope leges morales easque univerfales, quatcnus Tunt enunciationes prafticae et ad quod fu- nnis obligati , indicant mente concipere queamus. Obligandi vim leges illas non ab ipfa rerum ratione uteu- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 109 verre dezelven Pra&ifche voorftellen zy n, en onzepligten, aanwyzen. Indien iemandbe- wyzen kan, dat die wetten hare verbinden- de kragt niet hebben uit de natuur der re- denmagtige wezens zelve, maar alleen uit dePradifche reden,danzalhy my eengroo te Baas (magnus Apollo') zyn. Want dat de wetten ene verpligtende kragt hebben, dit verklaart flegts de reden, maar hetisde natuur der reden-magtige wezens van welke zy (de wetten) die kragt daadlyk hebben. 3. Daar niemand het recht heeft den Heer KANT voortefchryven, hoe hydezaak wel- ke wy begeren noemen moet , zo ftaat hec hem ongetwyfeld vry elke zaak, welkerbe- ftaan geeischt word , het voorwerp (/##/- rial van ons begerend vermogen te noemen. Dan dat geen regel, die uit de eerfte aan- iok- utentium nntura, fed tantum a ratione praclica habe- re, fi quis rite demon ftra vcrit , eritmihi magnus Apol- lo. Vim cnim obligandi legibus ineffe ratio folum de* clnrat, -illis attribuit communis omnium ratione uteii- tiuin natura. 3. Quomodo rein, qtiam expetimus , appellare, debeat Kantius , quis eft, qui fibi ins vindicet,id ab illo cfflagitandi. Nil igitur impedit , quominus rein quamlibet, quae ut exliftat , postulatur nomine mtUo. rise de appetendi noftra facultate infigniat. Nuliam autem regulam, qua; ex primis natura noftras invita- TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE lokzelen onzer natuur ontfpruit, onder hct getal der Zedelyke Wetten kan gerekend wordcn , komt my nice voor zo klaar te zyn, als het den Heer KANT toefchynt. 4. Ook kunnen wy niet met hem inftem- men, wanneer hy van oordeel is, dat alle de praftifche beginzelen , by hem principia materialia genoemd , begrepen zyn in dat cne beginzel, waar door wy alle gedreven worden ons zelve lief te hebben, en onze welvaart te zoeken. Want, naar het my toefchynt , zyn ons vierderley oorfpronke- lyke driften [urfprungliche Grwdtriebe) in* gefchapen , waar van gene uit de andere ontfpruit, maar elke uit een en dezelfde bron, naamlyk uit ene en dezelfde kragc onzer natuur, door welke driften wy be- wogen worden, i.) Ons zelve lief te heb- ben, mentis enascitur, in legum moralium numero efle ha* bendam, non mihi adeo videtur, quam Kantio., li- quere. 4. Nee illi calculum, adiicimus noftrum, (I prin- cipia praftica, qua? nominat materialia, in unico il- lo principio omnia contineri iudicat , quo cunc^ ti impellimur, ut nos diligamus , noftramque expe- tamus falutein cernere eniw mihi videor, nobis pri- maria quadruplicis generis iucitaraenta (urfprungliche grundtriebe) innata effe, quorum nullum ex altero, fed quoeque e communi fonte , fcilicet ex una eadem- qite vi natune noftrje oriuutur, quibus OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. ni ben> 2.) den \Velftand van anderen te be* gunstigen, 3-)de menfchelyke Maatfchap- py te beminnen > en Eindelyk 4.) God tc eerbiedigen. Het een en ander meen ik hier niet breedvoerig te moeten bewyzen > maar flegts met een woord aanteftippen. - 5. Liever fcal ik thans den Heer KANT vragen , van waar hy weet , dat alle de door hem zogenaamde Principia materiality' geen cen uitgezondert, begrepen zynin het enige beginfel, waardoor een ieder aange- 2et word met ene zekere natuuriijke drift omnagelukzaligheid teftaan. Zoikietszien kan , dan heeft die beroemde man het be- wys daaruit afgeleid, dat elke ziel ,fchoon met reden begaafd* nogtans ook een be- perkt of eindig wezen is, en dus de haar druk- priraum 'ut nosmet ipfos amemns , poftea ut aliorum prosperitati faveamus , turn ut focietatis humane fi- mus amantes, denique ut Deum colamus. Quae qui- dem hoc loco non uberius probanda, fed tantum ver- bo indicanda efle arbitror. 5 A Kantio mine potius quasro 9 unde fciat pract> ca ilia pnncipia, qua? appellat materialia, ad unum omnia in principio unico contineri , quo quisque ad fuam felicitatem confequendam naturali quodam impe- tu incitatur. Si quid videndi mihi inest facultas, ex eo vir clarismus defumfit argiimentum ? quia quilibet animus ut ratione prseditus , ita etiam circumfcriptus li- TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE clrukkende behoeftigheid noodwendig moet voelen , en door dat gevoel aangedreven worden, omzig van deceive (behoeftigheid) te bevryden, en na dien ftaat teftreven,in welken zy zig gelukzalig oordeelt. Ditech* ter leidt hy niet af uit de ondervinding, maar uit de natuur van alle eindige zielen. Het is derhalven niet flegts een Principium materiak) maar ene door de natuur aan al- le zielen , van welken aart zy zyn , en in welken ftaat zy ook leven, gegevene wet, dat zy hare gelukzaligheid zoeken* Daar hy nu die algemene wetten hier boven zedelyke wetten heeft genoemd, zo fchynt hy zig zelve tegentefpreken , w anneer ^7 ontkent, dat het gemelde beginzei onder het getal der wetten moet gerekend wor- den. Hy maakt ene onderfcheiding tusfchen de limitlbus feu finitus indigcntiam, qua premitur, non potcst, non fentire , eiusque fenfu incitari, ut il- Jam a feremoveat et ad eum contendat ftatum , in quo iibi vidctur beat us. Quod quidem non ex experientia , fed ex animorum quorumuis finitorum natura colligit. Eft igittir non tantum materiale principium , fed lex omnibus cuiufuis generis mentibus, quocunque in fla- tu vivnnt, a natura lata, ut fuam expetant felicitatem. Quas leges univerfales quum fupra appcllaverit mora- les, fibimet ipfe vidctur repugnare, fiillud principium in numero legu'm lutbendum efle negat. Inter legis formam ct materiam discrimen facit , quam pofterio- rem'dicit cile rcm quauilibet^ in quam fertur volun* tas. GODS AANWEEZEN, ENZ. 113 de form en de materie der wet , de laatfte zegt hy , is elke zaak tot welke de wil neigt. Dap dat hy de form der wet niet uitdruk- kelyk noch duidelyk heefc bepaald, daar over verwondere ik my zeer , te meer daar cen ieder zeer ligt begrypt , dat dezelve in zyn ftelzel niet gemaklyk te vatten is. En deze, indien ik zo fpreken mag, duister- heden verkrygen geen.licht, wanneer hy cr by voegt , dat niemand de beginfelen uit welke hy w.erkt voor wetten kan houden, ten zy hy begrype, dat zy door hunne blote form , waar doorzy tpt ene algemene wetgeving bekwaam worden , pradifche wetten te zyn. Aan de formen dczer be- ginfelen fchryft KANT de kragt toe onzen wil te bevelen. Daar nu deze kragt niet in de zinnen valt, noch onder de verfchyn- zelen (Phenomena*) kan gerekend worden , en tas. Legis autem formam ab illo neque j expreife ne- que dilucide eflfe definitam, eo magis miror, quo. in- telleftu efle difficiliorem earn in illius fyftcmate , qui- libet facite cognoscit. Nee lux iis, ut ita dicam, tenebris fuboritur, fi, neminem, addit, pofle agen- di fua principia pro legibus habere , nifi mera fua for- ma , qua ad univerfalem legiflationem fiunt apta, ilia evadere leges praclicas arbitretur. Horum principio- lum formis adfcribit Kantlus vim volimtati noftra^ im- perandi. Quae quum non in fenfas cadat , nee vifis , 9 Ut accenfenda, illam legi caufalitatis non es- ii 4 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE en dus ook niet aan de wet der oomkejyk- held (Legi cavfotitatis) onderworpen zyn, zo mecnt hy daaruit te mogen befluiten, dat daar onze pra&ifche reden de kragt heefc om onzen wil door de meergemelde wetgevendejform te gebieden, de reden fcelve 20 wel als de wil vry zy, fchoon hy niet ontkent, dat de wil misfchien uit ene ande- re oorzaakenenoodzakelykheid der natuur zy. Dan daar hy rioch op ene voldoendc wyze heeft bewezen, dat onze reden die kragt bezit, noch het begrip van die alge- mene wetgevende form duidelyk verklaard heeft, en toeflemt, dat onze vryheid daar uit niet kan betoogd worden ,zo fchynt het my nodeloos te zyn, in het ontwikkelen van dcze dingen verder voort te gaan. 6. Wanneer wy de dubbele bepaaling (de- cfle fiibjectam. Ex quo feqiri putat, quum ratione noftrae practice vis infit, voluntati per fortnam illam legiflatoriam imperandi 5 quum rationem ipfam , turn voluntatem effc liberam , quamquam non negat, fieri potfe, ut ilia libertas aliam ob-caufam fit naturae ne- cesfitas- Quoniam autera neque fatis probavit, ratio- ni iiortr^e earn vim ineffe ^ neque formse illius univer* (\ilis Icgillatoriae notionem dilucide explicavit et liber- tatem noftram ex eo demonllrari non poffe afleruit, fupervacaneum mihi videtur effe, in illis extricandis verfari diutius. 6. Duplicenij quam philofophus nofler de felicita- te 300vkfc GODS AAN WEEZEN, ENZ. 115 ( definitio ) welke onze Wysgeer van de ge lukzaligheid zamengevoegd heeft (*) een weinig nauwkeuriger befchouwen, dan ziet jnenligt, dat bij dezelven een kenmerk is gevoegd, waaruit volgt, dat flegts de ge- nen der Gelukzaligheid kunnen deelachtig worden , welker leven geen einde zal heb- ben. Met welk regt hy nu dat kenmerk in de bepaling der gelukzaligheid heeft kunnen inlasfen , komt in overweging. Om welke reden hy dat gedaan heeft, is ligt tebegry* pen. Trouwens zonder de gelukzaligheid dus bepaald te hebben, zoude hy uitdezel* ve dat gene niet hebben kunnen afleiden, ? twelk nogtansin zyn flelzel, gelyk uithet veryolg duidlyk blyken zal , het voornaam- fte is. Dat de wet, zoek de gelukzaligheid, n- niet (*) Men herlezc hier 'cgeen dc Schryver in hec ifleDeel onoer No. 6. heeft opgemerkc. Verzoek van den Vertaler. tc conflnixit, dcfin modern fi pnullo attentius cpntcm- plcmur, facile intcl'ii;itiir,nt)tam quandani ill! efle ad- ditam, qua evincititr, iliius mocio parricipes fieri pos- fe eos , qui vitam vivunt , cuius finis erit nulUis.Quonain igitur iure potiicrit definition! felicirr.tis noram ill am inncdrere, cad it in deliberationcm. Quam ob caufar^ id fcccrtt, .fi quisplam niu^rat, fvicile -ell diiudicafe? Etcnim niil ita ' deHniniflfct fclicitatcn! ., non id potuis* fet ex ilia colligerc, quod tamen efle in oitis lyiiema- te prrecipnum , pofte-i latis apparebit. Legem iUnm : , n ;u re^ulnm tailtum effe I ii6 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE piet flegts een regelderwysheid (Prudential is gelyk KANT nogtnaalszegt,maar wel de- gelyk een zedelyke regel, hebben wy bo- ven ;(No. 5.) uit RANTS eigene gronden be- . wezen. Hy fchynt derhalven selve te twy- felen , of ene wet kunne aangenomen wor- den, welker beweeggrond geen ander is, dan dat wy der Gclukzaligheidwaardig wor- den , fchoon hy op ene andere plaats die wet niet alleen als daadlyk beftaande voor- draagt , maar dezelve ook de hoogfte noemt, 7. Nogtans onder t fcheidt hy dezelve van ene andere hoogfte, welkeonsde pradlifcheire- denkan voorlchry ven , en zulksjilegtsdoorde krag^: die zy besitom onzen wil te bevelen. Door dit haar vermogenom onzen wilte be- wegen^beveeltzyonszote handelen,datde beweeggrond vanonsen wil 0?2^r/^^)teregt kan ficut Kantlus iterum affirmnt , fed vere moralem , ex ipfius Kantii principiis fupra (No. 5.) demonftravi- mus. Dubitare ipfc adeovidetur, an lex posfit asfu- im, cuitis caufa movens nulla alia fit, quam ut digni fiamus felicitate, quamquam nlio loco illam legemnon dari tantum perhibct, fed earn quoque fupremam efTe dicit. ?. Attamen illara ab alia fuprema diftinguit , quam ra- tio practica vi tantum fua 9 qua valet voluntati nofiraeim- perare^nobis prasscribere potest. jubet hac fua volun- tatem commovendi facilitate, nos ita agere ut caufa voluntatis noftras movens (maximc*) pro principle uni- ver-- GODS AANWEEZEN, ENZ. uf kail gehouderi worden voor het grondbegin* fcl der algemene wetgevingi Dan hoe de- 2eons door de Praftilcheredengegevene wet door hare bloote zdgenaamde algemeene wetgeevende form, van welke KANT dik- werfTpreekt, den wil kunne t>epalen,verfta ik in* 't geheel niet. Want zy is in zulke on- duiddyke en twyfelaclitige woorden voor- gedragen,dat zij nader moet verklaard wor- den, eerwy begry pen kunnenwat men door wettfc verftaan hebbe, daar in tegendeel, die hoogfte wet 20 klaar en dilidelyk rnoec uitq[edrukt worden, daceenieder, dieflegts eemge kundigheid bezic> dezelve ligt ver^ ftaan kon. .Want hier moet gevraagd vorden i i.) Wat het beginfel tyrincipiurri) der al gemene Wetgeving zy, 2.) Hoe vcrfalis Icgiflationis mefito jpiitnilda fit. Qiue cjui- dcm lex a ratione praclica nobis data , quomodo tantum forma fua univerfali , ut ita'dicam ,' legiila- torla , (Je Q 11 ^ 1 ^-pi ll s disfcrit Kantius ^ posfit vo^ luntatcm determinarc, neutiq.uaiii intelligo. Etehira. tarn perplexis ver'bis eft expresfa, ut uberius ante lit expiicanda, quam , quid fibi lex vclit, cogitation^ afTcqui queamus , quum e contrario ilia lex fuprema ita dillincle et dilticidc expr'imefnda fit, tit a quovis, nifi mentemhabcatminiilie cxcultjlrii et fupfiria ignoran- tia obvolutam, facile intelligarin*. Quaeri eiiiiti debet I.) Quid fit principiura iniiverfalis iegiflationis. iiB TVVEEDBANTWOORDopDEVRAAGE 2. Hoe de beweeggrond sodanig een be* ginfelkan worden, 3. Welke de oorzaken zyn , waardoor dit kan bepaald worden. Zo langnietalle dezedingenvoorafin hel- der dagligt zy n gefteld , moet de door KANT metzulkeen groten ophef geprezene Wet, noodwendig wegens haare duisterheid vol* ftrekt onbekwaam zyn, om den wil van re- denmagtige wezens te be wegen. Ook mogen wyte regt vragen, waarom wy toch verpligt zyn om aan deze wet te gehoorzamen. Ze- kerlyk zal niemand ene andere reden kunnen bedenken , dan op dat wy der gelukzaligheid waardig worden. Derhalven noemt ook KANT dikwerf de hoogfte wet de gene, die ons gebied , dat wy ons der gelukzaligheid waar- 2.) Quomodo caufa movcns fieri posfit elus gci\?- ris principiuni 9 f 3. Qurcnam Tint caitfjc , quibus id definiri qucat. Qua) quidem omnia nifi arile" luculentcr Tint expolita neceflc eft , ut ilia lex a Kant to vebemeiiter conimen- data proptcr obfciiritatem fuam plane iuepta fit, ad rerum ratione utentium yoluntarem commovendnm. jure etiam noftro anquirimus, cur tandem huic leg! parcrc , iimus obligati. Aliam profeclo caufam nemo jK'^rit exc'jgitare , quam ut digni fianuis felicitate. Quapropter etia'ia KkWttts legcm iupruniam fivpius np- pel- OVER, GODS AANWEEZEN, ENZ. 119 waardig jnaken. Deze wet moet derhalven iioodwendig hoger zyn dan de gene, die, volgens K A N T, beveelt dat wat wy ook doen, wy dejbeweegoorzaak van onzen wil voor het.beginfel deralgemene wetgeving moe- ten houden , omdat , deze iaatfte hare kragt om ons te verpligten flegts van de eerfle ontvangt. Dan dat beide wet ten niets an- ders zyn , dan verdigtzelen van een fpeelend vernufc , leerc d'Hr. KANT uitdruklyk ?ig(No. 15. rile Deel) ten zy de Gelukza- ligheidkan verkreegen worden. Maar dat zodanige verdigtzelen uit zig zelvegeene ver- bindende kragt hebben> begrijptieder ver itandig mensch. Hier uit volgt dus van zel- vc, dat de door den Hr. KANT aangepre- zene wetten, geene waare wetten kunnen genaamd worden , noch eenige kragt hebben om ^U'd 1 . . peliat- iftam, qtifc riobis prxcipit, ut'dignos nos feli- citate faciarn'us. Qu^ igitur lex fuperior fit quarn il- ia, necesfc : eft, qua?,, Karith iudice ",- --iijandat , ut quicquid agamus , caufam voluntatis ; noftrse moventem (maxime) quaeamiis proiiiiiveiialis : iegiflationis princi- pio habere , quia hiec poflerior a priori .-tail turn vim fu am accipic", nos obligtindi. Utrasque atitenrleges eflc nil aliud , nifi higenii luxuriantis. figmenta , ipfe Kantius exprefle docet (No. 15) nrii felicitas potest obtineri. Scd eius generis figmenta per le ntillamvim habere nos obligandi , quis eft tarn hebes , tarn excors, qui non intelligat. Ex iis igitur prono quafi alueo leges' illas 3 quas' commendat Kant j us' 9 nequ^ I 3 vew 1 20 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE om onzen wil over te buigen , ten zy wy ver- pligt waren om onze Gelukzaligheid te begeeren. De hoogfle wet derhalven is de- ze, zoekuwe Gehkzaligheid. Maar indien iemand vraagt, van waar ^y dekragt hebberi om ons te verpligten. Men weete dan, dat wy eindlyk die eerfte aanlokzelen van lede- re 2id, die aan de eene zydereden bezit, doch aan de andere zydezieh beperkt vind en haare behoeftigheid dus geyoelt, als de hoofdbronhouden dervei*pligting, welke ons verbindt die hoogfte wt te volgen. 8. De deugd beftaat volgens den Heer KANT in de overee'nftemming van den wil met die wet, welke by meenc het eerstont veras leges efle nominandas , ncque ullam vim habere, noftram flectendi voluntatem , niii ad felicitatera ex- petendaoi efTcniLis obligiiti. Omnium igitur iuprema, lex efto : quse^c felicitatem. Sed un.de ilia habeat vim BOS obligandi fi q.uispiam quadrat , nee efle cflc fcito , ut tandem prima ilia cuiusfius mentis .quce ut rationc eft prsedita , ita etiam lioiitibus _circunifribitur,atque indigcntiac , qua laborat , lenfu concitatur,incitamen ta pro fonte, quo lupcrior non datur 9 illius obligatio- nishabeamus, qua omnes obllricti tQiiemur, ut fn- premam illam legcm fcquanjui\ 8, Virtutcm docet Kantius confiftcre in voJuntatis cum legc.ilJa, quam primus. detcxifle ilbi videtur, quam* OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 121 dekt tehebben, en hy de hoogfte noemt, en welke overeenftemmfag uit eerbied voor die wet voortvlpeit. Maar verbedt u dat i de gelukzaligheid niet kan verkreegen wor den, dan zoude de wet, gelyk hy zegt, niet dan een louter verdigtze] zyn, zy zou- de derhalven voor niets anders kunneti ge- houden worden , indien wy niet onze voor- naame zugt naar dat doelwit rigtten. l)at wy derhalven de wetoni haare waardigheid alleen zouden eerbiedigen , zonder de geluk- zaligheid in aanmerking te neemen, wic kan dat begrypen? Maar vanwaar weettog die Wysgeer , dat in deze waereld geene overeenkomst van den wil met de zedelyke wet, welke hy als de Heiligheid belehryfc, kan plaats hebben ; -Die rnoet ik hem nog vraagen ? Die tog kan hem dc Praftifche re- de quamque nominat fupremam , confenfione ex reveren- tia erga illam profecta. Sed finge 5 felicitatem non poffe obtineri; lex ilia turn, ut ipfe dicit, nil. eft nili inane ingenii figmentum. Efletigitur, nifi ad felici- tatem tanquam ad metam animum dirjgeremus , nobis pro illo putanda. Quare ergc> Icgem illam tantum ob dignitatem fuam venerari debeamus, nuila feiicitatis habitaratione, quis eft , qui cogitatione posfitaflequi? Sed unde philofophus ille fciat, in hoc ten-arum orbe perfectam voluntatis convenientiam cum lege inorali , ut ille definit fanctitatcm , non posieexiftere,eqiudem ex illo fciscitor. Ratio elus practica id ilium nequit I 4 do- iss TWEEDE' ANTWOORD OP DE VIIAAGE de nietleeren, even weimgalsdeiTheored- fche , omdat deze volgens hem , buiten flaat is lets te verftaan, buiren de dingen die on- der de forme van tyd en ruimte gedagt wor- den; doch, waarom hy dit beweerd heb- be, is ligt te begrypen. Hy begreepn^am- lyk: Dat het zynezaak was, de Heiligheid 20 te.bepaalen, dat zy flegts kqn gevonden worden, in een zekere oneindige voortgapg tot overeenftemming met de zedelyke wet. 9. Dan indien wy door de deugd de Ge- lukzaligheid flegts waardig worden^ zonder dezelve tc verkrygeq, hoe kan hy dat wee- ten, ten zy hy de.Theoretifche, niet de Praftifche reden raadplecge. Doch, dat de eerile geen vennogen heeft orn iets te be- grypen , boven die dingen welke de ziel on- der de fonnen van ty d en ruimte bef chouwd , be- doccre 1 , nee tbeoretica ,. quippe -qiue prieterea, fub forniis fpatii et tcmporis .cogitantur ,: quicquaiu intelligeiulo plane tmpar lit habcmla. Attameji.in promp- in cit ,' quam ob can lam id aflinuavcrit. E re -lua vi- delicct esfc-cognosccbat ,i fanditiitem ita definire , ut in pro^rcsfu quodam infmito nd coitvcnientiam cum legc m'orali tiu'itum poslct inveniri.. 9. A virtute nos modo dignos felicitate fieri , non autom illam allequi, quo tandem modo potcst- icire, nifi rationcm tbeoreticam , . non prafticain confulat. vSed illi inillam vim incile, fjepius confitetur, fupia ea, GODS : A AN WEE ZEN, ENZ. 123 bekend hy dikwerf., Hy fchynt derhalven, zig zejven : hicr niet gelyk^^nHp aien mi%j iljjg vervallen te 270 welke men in de Log!- cac.' 9 tritium Subreptlonis noemt. Ik ontken geenszins, dat de deugd het voqrtreflykfte ikraad is dej -ziele ; doch dat zy , Jict hoog*-- fte, of gelyk hy zegf het.yoikonienile nice zyn kan, wyl die Bonder Gelukxaligheid geen plaats heefc, zoude ik, zo dit zyne- meening is, hem wel willen toeitemmn* i53 o ;ItfbO -"t-D fnc ifi j{3W' frjJsoi nab 10. Schoonds ondervinding, alsdebefte Icermeesteresfe ons overvloedig leert, dat in-jonze \y3ereld de deugd met de Geluk/* zaligheid niet noodzaaklyk verbonden is, leerc onseehterdie ^elveondervindiHg^dat de deugd haar beminpaaren mildlyk be* Ippnd, en dat die niet anders zyn kan , ziet een ca , qua? mcns fub tampons .{: fpatiiformis itituetur, guicquam intclUg^ndi. V r icletur ergo hie lib! new con- ilarc'. ct i\LbiCptiuiii:3 vitiuin coiumittcre. Nun qui- tlcm ncgo , virtutcm oruunientum auimi cuiusque csi'e praiflaijtisl-iiiuim , icti bDiiuni iuprcmum , fiyc,..,,^ elicit Hie, comiimmatuai illam non csic, quia id-. line felicitate locum non hahet, fi exisi;ii}iat 5 ia ici^tcnti- am eias ire, nou rccuib, : mm ^ ...... . 10. QuanqiiAm iu nostro terravum orbe.felicitateip C.iim virtute noa uecesfario eilc con jun clam, -cxpc- .rientia optima rerum magiftra fatis i'uperquc doccu, ; .tam^a illam preemiis fuis hoaiincs cuniularc 1 5- "iiui 124 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE x eenjeder, die waarlyk de deugd kent. Zy tog is die voortrefflykheid der ziele, waar- door dezederwyze gefterkt wordt, dar zy, overeenkbmftig de wetten, en der Wil op- wekt , en de daden beftiert. Dan de z?de* lyke wetten zyn die geenen, welke bevee- len wat wy te doenhebben om het goede te verkrygen en het kwaade van ons te wee- ren. Wanneer wy dernalven de deugd vol- gen, kan het niet anders zyn , of wy flaan den regten weg in om der Gelukzaligheid te naderen. Ue deugd derhalven en de Ge- lukzaligheid zyn verlchiiltnde begrippen; Want deeerfte leidtons tot de laa (te; en hoe meer eene ziel in deugd uitmunt hoe grooter de gelukzaligheid is welke zy geniet. Doch, dat deze begrippen ten uiterilen on- gelykfoortig zyn, kan eerst dan beweezcn wor- quibus colitur eadem experientia nos facit certiores. Nee aliter id contingere posfe, quis eft, qui non perfpiciat, fi modo de vcravirtutis notionecogitat. Eft ilia animi prasdantia, qua ita roboratur, ut legibus convenienter et voluntatem excitet et aftiones dirigat. Sunt autem leges morales ex , qua? przecipiunt quid fit faciendum , ut bona confequamur , et mala a nobis re- movcamus. Quapropter fi virtutem fequimur non po- lest, quin ad felicitatem regia quadam propius acce- damus via. Virtus ergo et felicitas funt quidem notio- nes diverfae , qnia ilia eft , qiias ducit ad felicitatem et quo cuiusvis mentis virtus eft pra^stantior , eo major Ctiam exiftat felicitas , qua fruitur. Verum enim'eve- ro OVER GODS AANWEEZEN, EN*. worden, wanneer hy sal betoogd hebben: dat de kragt der deugd geheel ter verkry- ging van die Gelukzaligheid ongefchikt is; doch dat dit valsch is, bewyst en ondervin- ding enreden. Niet 20 als deze laatfte door den Hr. KANT ontzenywd is en verkragt , maar zodanig als sydoorde meeste enkun- digfte wysgeeren begreepen en geleerd wordt. Dan of de Stoicynen of wel de Epi- curisten,?;ig hetverfte vande waarheid ver- wyderd hebben, zal ik niet onderzoeken, alzo het niet noodig is , dat dit gefchil in dc- zc Verhandeling beflischt worde. n. Onze wysgeer begrypt, dat wy ons eenewaereld moeten voorftellen, die naar alle zedelyke wetten geftemd is, en in wel- ke .nov/uc ro utrasque illas cfife notipnes diffimillimas ( ansferst ungleichartige Begriffe) modo turn potest probare , ii demonftravit, virtutis vim ad felicitatem confequendapa penitusefleineptam, id quodautem falfum elle, quuni experientia turn ratio, ? non ut 9, Kantio ilia eft enerva- ta, fed a plurimis philofophis perfpicacisiinus effc exiftimatur 9 fatis fuperque doeent^ Num vero ftoic^ an Epicurei a vero longius discesferint , non examina- Lo, quia in hac disputatione necelTQ non eft,, ut con* troverlia ilia dirimatiu:. 1 1. Statuit philofophus noster , mente concipiendum efle nuindum qui cundtis legibus moralibusfit accomo- datus 3 et in quo felicitatem inter ac virtutcm necesfa- ria i-6 TVVEEDE ANT.WQORD OP DE VRAAGE ke ecn noodzaaklyk verband plaats heefjb tusichen de Gelukzaligheiden de deugd ,20 dat dp ccrfte.een gevolg is van de laatfte. Dan , fciende, dat dit alieenlyk uit de werkmgdet; Theoretifche reden kan befloten Cordon, noemt hy die waereld blootlyk eop denfc- beeld, welks waarheid wei geileld word* doch niet kan bewezen worden. Dan , waar- om, en met wclk recht, hy dit denkbceld een clenkbeeld der Praftifche reden noemt, fchynt een dicper onderzoek te vereifchen* Dan welkeook de rede z,y> die hem bewo gen heeft haar met dien naam te beftempe- len, blyktdaaruit echter niet, of dit denk- beeld een : bloote herfche.n-fchim zy, dan een d.aadlyk beftaan, (Realitas (jbjettiva) hebbe^ Het geen ook daaruit blykt, dat KANT dat denkbeeld betreklyk maakt tot zaa- ken die de ziel kan aanfchouwen. : -,fhib. eo; 12; Dc . . ria qiTScdam'detur copula, ut ilia hanc^qiMtur. Qiuim rtiirem videat, ivl tamum ope rationis theoretics posfe coiligi , mitndum ilium appellat Nudam iJcam, cuiws veriias quidemponitur , dcinonltrari autem non potest. O'.inre autciir illani practice rationis idcam nominet^ ct nuo ' i'uo inre, res videtuu c(Te -altioris indaginis. Tjna etiam cunquc nuione cormnotus cll,illam hoc no- mine iuiignire , tamcn jnde non elucet, utrum Ut ilia idea inane inodo ingenii figinentum, an re ipfa fnb- intutur (cine obiect-ive jlealitait Jiab-e), id quod c- tiam inclc apparet , quia. Kaniius illam ' idcam non ad res refcrt, qnas'mens potest intucri. 12,. Idem ovEti GODS A A NW RE 2 EN, ENZ, 12. Dezelfde Wysgeer beweert ook: dat de rede In haar praftifch gebruik leert: dac hare Pradifche wetten of beginfelen noodzaaklyk zyn; Maar hier komt in over- weeging. i.) Van welke wetten. 2.) Van welke noodzaaklykheid , hier gefprooken wbrdt. Ongetwyfeld beweert hy dit, van die hopgfte wetten, waarvan -de eene ge- biedt 20 te handelen , dat wy de beweeg- oor^aak van onzen wil {Maxime) voor het beginfel der algemeene wetgeeving houden ktinnen; de andere, dat wy ons der Ge- luk^aligheid trachten waardig te maaken- Maar waar'uit blykt de noodzaaklykheid dier beide wetten? watmybetreft t ik houde my overtuigd, dat er geen ander bewys , waardoor derzelver nood^aaklykheid ge- ftaafd kunne wbrden, uit te denkenis,dan, 12. Idemilleetiam affirmat, rationem in prn&icofuo u fu docere , leges luas pradticas feu principia practica eile necesfaria. Sed hie cadit in deliberationem i.) de qnibusnajn legibus 2.)de quanam necesfitatc iermofit. Be Icgibiisprocui dub'ioillis fupremisid aflerit, quarum altera ita agi jubet., ut voluntatis nofinu caufam mo- ventem (^maxime^) proprincipio nniverfalis legiflationi? hribere posfimus, altera, ut uos felicitate dignos red- dere Pcudeamus. Sed unde illarum neccsffitas intclligi^- ttir? Nnllum aliud, equidem perfuafus fum , excvigi- tari poffe argumentum , quo illarum neceffitas probe- uir, quam viuin- , nil! illis obtenip.eramus , fclicitas ea TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGfi dat wy , Bonder aan dezelve te gehoorfcamentf die Gelukzaligheid niet erlangen kunnen* Daar nu, gelyk dc Hr. KANT meent, uit die noodzaaklykheid., de rede in haarTheo- retiscli gebruik, befluit, dat er noodwen- dig eenftelzel der deugd moet zyn,het wel- ke met dat der Gelukzaligheid onaffcheid- baar verbonden is ; zo leid de rede de laat- fte noodzaaklykheid alleenlyk afuitde eer- fte. Want indien er zodanig een fyilema niet was, zoudeookeen Gelukzaligheid on- verkrygbaar zyn, en de door hem voorge- draagen zedelyke wetten , zouden voorlou- tere hersfenfchimmen moeten gehouden worden (zie eerfte deelcNo.i50 Dan, wyl de Theoretifche reden, aan welke hy alle vermogen cm iets te weeten van zaaken die in de zihnen vallen, ontzegd heeft^daarom- trent a nobis non potest obtineri. Quiim igitur, ut Kan- this putat , ex ilia necesfitate ratio in theoretico ftio ufu colligit, ncceffc eflc, ut detur fyftema virtutis, quod cum iylleniate fclicitatis indiflblubili coniunchim eft' vhiculo ., hanc pofteriorem neceflitatem ex ilia fupe- liore ratio tantum elicit , quia fi eius gciieris fyftema jion darettir, ncc felicitas poflet obtineri et leges illte 9 quas tulit, mofale^ pro inanibus mentis iigmends es- fent putandce (No. 15.) Quoniam atiteiii ratio thco- rctica , ciii vim de rebus in fenfus non incurrentibtis quicqiiam fciendi dctraxit omnem , de ilia re nihil po- test decernere, igitur etiam id fyftema in idea jniracra- tionis confiftcrc opinatur , quod quidem fperamus ? an ve- OVER GODS AANWEfiZEN, ENZ. tfent niets befliffen kan, zo meenthy oofcj dat dit fyftema in een blooc denkbeeld der rede beitaa, welk fyftema, wy wel hoo- pen , doch niet bepaalen kunnen of het ooit meer dan een blooc denkbeeld bly vcn zal. 13. Hy verbeeld zig wel eene zedelyke waereld , die, van de jreene in welke wy nu leevcn ten uiterften veriehilt. Eene waereld, die flegts door het verftand kan begreepen worden, en in welke geene beletzelen der deugd voorkomen , en een ieder zyn pligt doet , zo dat alle redenmachtige wezens hun- ne daadenzodaniginrichten, als ofdezelve voortfprootcn uit eeneenigehoogfte wil,die alle by^ondere willen of in- of onder zich bevat. Maar of eene zodanige waereld waar- lykgevondcn worde oi flegts beltaan kunne^ be- veto extra illam idcam aliquando exfiflat, definire non valcmus. 13. Mornlcm quictc-m nuindum fingit , qui ab co, in quo mine fpiramus, vehementer diverf\is eft, qui tan- turn intelleiftu potest concipi,in quo nulla virtutis im- pedimenta reperiumtir, et oranino lie agittir, ut de- bet, in quo o nines , quiratione^ utautur, ita aftio- nes indituunt fuas , ac fi illae ab una fuprema volunta- te, qua^ cunc^as fingulorum voluntatesautin feautfub ie comprchendit, proficiscantur. Scd utrum ille vere invcniatur , an modo exfiftere queat , nullis argumentis p a TWEEDE ANTWOORD or DE VRAAGE bekent hy niet voldoende te kurmeribe^- zen. Wanneer wy derhalven zyne voet- Happen drukken , dan heeft onze reden , in haar Theoretisch gebruik (gelyk hy ge- woonlyk fpreekt) in het geheel geen vermo- gen omte doorgronden of deze waereld niet eene bloote herfchenfchim zy. Hy verbeelt fcig nogtans zodanig eene waereld, om uit derzelver begrip te kunnen verklaren, op Svelke wy^e, de deugd met de gelukzalig- heid kunne verbonden zyn , dat deze , door hulp der eerfte Zeer zeker kan verkreegen Worden. Dit zegt hy^niet mogelyk te zyn, 2:0 de blotenatuiir ten grondflag geiegd wordt, en ten zy een zodanige waereld voortgebragt worde van eene hoogfte reden , die alles vol- genszedelyke Wetten beftiert, dan dat die vaereld door hem verdieht zy, Geeft hy duid- ifc fatis probriri posfc ipf c : cofifitctuf. Ouapropter 11 cius vefligia fequimur, ratio nollra in theoreticofuo ufu, ut loqiti fqlet , nil habet facultatis .perfpiciendi^ nnne mundus ille tantiim inane fit ingenii figmcntum. l ? ingit aurem eius generis mundum , ut ex eius notions declarer, quanara ratione virtus posfit cum felicitate tain arete eflc copulata, ut lure ope illius obtincatur certisiime, Quod licri non posfe dicit, fi natura fo- 1a fundamenti loco ponitur et nifi afuprema quadamra- lione (liachder Vcrniinft, ) qncc fecundtiiti leges mo- rales oninia" ffiibernai , citis generis iraindus procrea- fur. A le aurem umnd-in illimr iictmn rile , lulls lucu- leu OVER GODS AANWEZEN, ENZ. 13* - duidlykgenoeg tekennen,wyt hy ons dikwyl* herinnert, dat die waereldeen bloot denk- beeld is, ten zy wy begrypen dat men dc- zelve daarom raoet ftellen,ten einde deGe lukzaligheid kunne verkreegen worden. , 14. Hy vormt zig een denkbeeld van eeri zeker redentnagtig^weezen, (Ititelligentia). in "twelk de volmaakfte fcedelyke wil, met de hoogfte Gelukzaligheid verbonden, de eerfte oorzaak is van alle Gelukzaligheid, en deze noemt hy het denkbeeld (Ideale) van het hoogfte goed. Dan, doorwelke be* wy zen zyne Theoretifche rede betoogenkan, dat dit denkbeeld niets anders zy dan eene herfchenfchim , willen wy wel bekennen niet'te zien. Hy neemt dat denkbeeld flegt aan , op dat zyne rede den grond van het noodzaakiyk verband tusfchen gelukzalig- held lenter indicat, qtiia fapiiis nos adnioriet, cum mun- dum effe nudam ideam, nifi ilium propterea ffcatueu- dtim efle judicamus a ut felicitas posfit obtinerii 14. Ideam de re aliqua^ quje ratione utitur (intel- ligcnz) fibi concipit, in qua voluntas mofans pcrfec- tisfima cumfummabeatitudinaconiandlacuiufuis felici- tatis caufa eft pfimaria, illamque fummi boni ideak appellat* Sed-quibusnam argmiientis ratio eius theo- retica posfit evincere, illam ideam cfTe nil, nifi ingi- nii figmentum , nos quidem nan videmus. Asfumit ijitur earn tautum, ut ratio fua caufam K 132 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE heid endeugd, kunne ontdekken , welkver- band, niet in onze, aan de zinnen onder- worpene , waereld gevonden wordende , plaats zal hebben in eene andere waereld Dan ik verwondere my, dat zyne reden ; zig hier een zoo groot vermcgen aanmatigd , dat zy van zaaken, welke zy onder de formen van tyd en ruimte niet befchouwen kan , iets met zekerheid durvt flellen. 15. De Gelukzaligheid npemthy het nood- zaaklyke doelwit,ter bereiking vanhetwel- ke de wil van iedere beperkte, en uit dien hoofde, door het gevoel van zyne behoef- tigheid aangedaane ziel , niet nalaaten kan zyne krachten intefpannen. Die gelukza- ligheid kan , gelyk hy er by voegt , die ziel niet erlangenten zy ze volmaakt deugdzaam zy inter felicitntem &virtutem necefiariae detegere posfit * quse quum in noftro mundo fenfibus fubjcfto non re* p.eriatur, in alio locum habebit future. Sedilliusra- tionem hie iibi taiuani vindicare facultatem miror,ut de rebus , quas fub temporis & fpatii Formis intueri non potest, quicquam certi conflituere audeat. 15. Felicitatcm dicit effe metam neceflariam , ad quani confequendani cuiusvis animi, qui limitibus in* cludiuir & ideo indigeiitije fuje feiifu afficitur, volun- tas non potest nou nervos fuos intendere. Confequi illara, ut ab co additur, idem animus iicquit, . nifi . virtute lit praeditus. Sed fi quis e,x philo? fopbo OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 133 zy. Dan, zo lemand onzen wysgeer vroeg* van waar hij dit alles weet, wat tog zou hy antwoorden? zoude hem ook zyne Prafti- fche reden zulksgeleerdhebben? ditzalhy niet durven beweeren, want deze kanflegts beveelen wat er moet gedaan wordea Zoude het dan de Theoretifche zyn ? Deeze heeft hy hier-boven alle kracht ontzegd om iets uittevorfchen, het welke de zieJ niet ondcr de formen van tyd en ruimte befchouwen kan. Wie kan dan raaden, van waar hy dee- ze kundigheid gehaald hebbe ? om dezelfde reden kanzy ook nietzekerder worden, dat in deeze waereld^ noch eene volmaakte deugd, nog een noodzaaklyk verband def gelukzaligheid met dezelve, mogelyk zy. Dat evenwel die zedelyke waereld, in wel- ke zulk een verband gevonden word , toe- komftig zy , dit weet hy niet , maar gist het fopho noflro fciscitaretur , uncle hiec fciret omnia , quid quasfo refponderet? Num forte eius rei magiilra fuit praclica illius ratio? Hoc non audebit. affirmare, quia ilia, quid faciendum fit,modo potest iubcre. An. igitur ratio theoretica? Huic fupra ea 5 quas mens fub formis fpatii & temporis intuetur, quicquam explo- randi vim eripuit oninem. Unde igitur h^ec eius fcien- tia enata fit , quis potest divinare? Eandem ob cau- fain ilia quoque minime valet evadere certior, in hoc terrarum orbe neque perfectarn virtutem , neque feli- citatis cum ilia dari posfe nexum neccsfarium. Atta- ni en ilium znundum moralem 5 in quo eius generis iie- K a xus 134 TWEEDE ANTVVOORD OP DE VRAAGE het flegts. Hy betoogt niet , maar ftelt flegt Maar waarom? omdat hy zig inbeeldtte zien, dat , dit ontkend wordende de Gelukzalig- hcid niet kan verkreegen worden,en dit niet zynde, zyne algerceene wetten, welke hy zedelyke noerot, niet voor zaaken, maar flegts voor verdigtzelen, waar door zeerdik- wyls het menschlyk verftand misleid word, moeten gehouden worden; maar nu neemt zyne Theoretilch e reden eene t aak op zig , ter uitvoering van welke de Hr* KANTdezelve ten eenemaal ongefchikt moet verklaaren , ten zy hy lust hebbe, zig zelven en de beginfelen van zyn nieuw fy sterna, tegen te fpreeken- 16. De reden , welke ons doorhaare eige- ne kracht gebied, dat wy ons der gelukza- ligheid, door betrachting der deugd,zullen waardig maaken , eischt ook , dat er tusfchen die xus invenitur, futurum effe noli fcit, fed conjedliira asfequitnr, 11011 demonftrat fed ponit. Quare autcin? Quia fibi videtur viderc, hoc negate, felicitatem non posfe impetrari, & qiuim ilia non potest obtincri , le- ges fuas univeriales, quas morales nominat, non in rerum fed figmentonim numero effe habendas, quibus mens liumana faepiffime dcluditur. Nunc autem denuo ratio eius theoretica fibi inunus imponit, ad quodrec- te adminif!:randpm illam effe ineptisfimam Kant/us, mfi forte illi eft volupe, fibi fuique fyftematis nouiprinci- piis repugnare, neccsfe eft, ut ipfe fatcatur. 16. Ratio, qua), ut nosvirtutis fludio dignos fe- licitate reddamus , tantum fua ipfius vi nobis prsecipit pos- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 135 die beidcn een noodzaaklyk verband zy ; dan met wit recht en met welken uitflag? Ikzal hier niet vraagen , of zy die kragt bezitte, dewelke zy waarlyk niet bezit, gelyk ik, zo ik my niet grootlyks bedriege, hier bo- ven beweezen heb. Maar ik ben begee- rig te weeten , of daaruit , dat de reden fculks eischt, volgc, dat er buiten een denk- beeld van dien aart , eene waereld zy , in welke dat verband der deugd inetde geluk- 2aiigheid gevonden worde. Wie tog is zoo infchiklyk , dathy dit toeftemme , en wie zoo rekkelyk, dat hy er in het geheel niet aan twyfele? De reden word ook gezegd te eifchen , dat wy een leeven te wagten hebben,en weleen eeuwig leeven in eene toekomftige waereld , wel- poflulat etiam, ut inter utrasque, fit nexus necesfarius. ' Sed quo jure, quo demum eventu v ? Non hie qua3ram, anillih^ec vis infit, quara ei non compctere, nifi me oninia fallunt fupra a me probatum eft. ' Sed cu- pidus fum fciendi , num ex eo, quia ratio id postu- lat , fequatui") ut etiam extra ideain ejus generis mun- dus fit , in quo ilia virtutiscum felicitate connexio inueni- tur. Quis quciefo tai^a eft facilitate, ut id concedat, quis tarn pronus ad asfcntiendum , ut minime dubi- tet? Poftulare etiam ratio dicitnr, ut fit vita nobis ex- pedanda eaque aetema in mundo aliquo future, qui eft itaformatus, ut virtute ornatisfimus quisquefitfe- K 3 li. 136 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE welke zodanig gefteld zyn zal , dat de,deugd- fcaamfte de gelukkigfte zy. Maar weeten wy daaruit met zekerheid , dat die geeisch- te waereld ons zal te beurte vallen? Wie tog is zo ligtgeloovig , dat hy , om dat de redenzulkseischt ,hetzelve voor eene afge- daane waarheid houdt? zy eifcht cindlyk, dat wy een , van de geheele natuur der din- gen ganfchlyk onderfcheiden , opperwezen onderftellen , het welke echter de voor- naameoorzaak is, waaruit de nauwkeurig- lie overeenkomst der deugd met de geluk- zaligheid, voortkomt. Doch ik vraag al weder, met welk recht en uitflag zy dit eischt? d'Hr. KANT zal hier op antwoorden : Dat dit geeischt wordt^ om dat , zonder dat opperweezen aan te neernen,de Geluk- fcaligheid niet kan verkreegen worden^, en dus de zedelyke Wetten, welke de Prac- ti- licisfiraus. Num autem , quia ppfliilatur enm nobis certiffime inftarc icimus? Quis ell ita credulus , ut propterea., quia ratio id poftulat, illius fibi explora- tam habeat veritatem. Poflulat tandem, ut numen aliquod iiipremum efle flatuamus, ab univerfa rerum natura penitus divcrfum, illius autem caufam princi- peoi, a quo cxncftisfima virtutis cum felicitate conve- nichtia proikiscirur, fed quonam fuo iure id poflulat, quo cvcntu, iterum fciscitor. Respondebit Kantlus , id pollulari, quia, nifi numen illud admittitur, felici- citas non potest impetrari, & fie leges morales; quas ratio pxaccica vi fua nativa, voluntatem hominum ex- cicandi, prxcipit, inanibus iugenii acc.enfendae fnnt OVER GODS AANWEEZEN,ENZ. 137 tifchereden, doorhaare natuurlyke kracht beveelt, ter opwekking van den menschly- ken Wil, flegts onder de uitvindingen van een fpeelend vcrnuft moeten gerekend wor- den. Dan,indicn menvoortgingmette vraa gen , zyn die zeddykewetten niet inderdaad zoodanige verdigtzelen? Watzou onze Wys- geer hieropantwoorden? Misfchien zouny zeggen , het zyn niet zulke losie herfenfchim- men; omdat dit hoogfteopgerweezen de por- zaak der geheele natuur, inderdaad butten onze denkbeelden beftaa. Welk opperwee- zen die toekomftige waereld zodanig zal inrichten, datin dezelve deugd en gelukza- ligheid fteeds met elkanderen zullen gceven- redigd zyn. Doch ,indien hy dus redeneeren zoude, zou het my verwonderen, dat de- zeanders zeer fchrandere man, dencirkel niet gezien had,voor welken hy zig haddie- nen te wagten< Dan, daar wy niet begry- pen ; dat de grenspaalen der reden zoo nauw ludibriis. At fi qiris urgeret interroganda: leges illse morales iuntne huiusmodi figmenta? Quid illi oppo- jieret noster philofophus? Forte, illas n.on efTe vana ingenii figmenta diceret , quia numen illud fuprema uni- verfae naturae caufa extra ideas noftras vere eft y quod mundum fie condet futuruai , ut in illo virtus felici- tas pari paffu ambulent. Si fie autem ratiocinaretur; virum ilium ca^teroquin acutisfimum in hoc argumen- tandi genere circulum non vidifle mirarer, a quo fibi pavere debuisfet. Quuni autein rationis terminos noil K 4 tain 138 TVVEEDE ANTWCORD OP DE VRAAGE nauw beperkt zyn, als d'Hr. KANT zig ver- beeld heeft, te weeten, datzy, boven die dingen , welke in de zinnen vallen , niets be- vatten kan , zoo begry pen wy , dour haare hulpe weldegelyk, dat,indien er zulk een opperweezen is, het welke de waereld, zoo als wy dezelve hier boven befchreeven heb- ben, fchept en befliert, de werkkragt van dat Weezen , noodwendig moet van dien aart zyn , dat hy dezelve overeenkomflig de aedelyke wetten gebruikt, en het hoogfte goed zy , van het welke alle overige goeden, hunnen oorfprong hebben. 17. Dat de Pradifche reden dat gene uit- gewerkt heeft , het welk de Theoretifche niet konde, heeft onzc wysgeer welgezegd , doch niet genoegzaam beweezen. Want, fchopn de eerfte eischt, dat wy het aan* wee* tarn aiiguftos efle, quam Kantlt/sfM perfuafit, cenfea- mus , ut fupra ea, qua? in fenftis cadant, fapere nil posfit , illius ope omnino intell.igimus, fi datur ejus generis numen, quod fie, ut fupra mirndum descrip- fimus, ilium creat et gubernat, non pofl'e, cjuin eius visagendi fit ita comparata , ut legibus earn uioralibus conuenienter applicet , fitque fupremum bonum, a' quo reliqua bona omuia oiiuntur. 17. Practicam rationem, quod theoretica non po- terat, id praestitifle, philofopbus noster quidera di- xit , fed non reet, nos deilla re faciendi certiores. Nee fibi potest OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 139 weezen van Godftellen,hceftzyechtergee- ne kracht om ons daar van te verzekeren. Ook kan zy zig niet het vermogen aanmaati- gen, om, wanneergevraagd wordt, wieen hoedanig hy zy , het v/elke juist dat gene is waaromtrend getwyfeld word , zulks ce verklaaren , ten zy ons de Theoretifche re- den tehiilp kome, opdat wy deze duistere, en met veele zwaarigheden omwikkelde 2aak, ophelderen en die uit den weg ruimen* Want indien deze niet leerde : Dae God de allerheiligfte is: Dat hy de vol- inaaktfle kennis heeil van alle dingen > die ej zyn en gebeureh kunnen , dat Hij Almachtig is , Oneindig , Rechtvaardig en Algoedertieren ; en door deze zy- zyne volmaaktheden eene waereld fcheppen en regeeren wil en kan ; in welke deu^d eu gelukzaligheid op het nauwfte verbonden zyn, arrognre facultatem, li quarntur, quis fit et qunlis, id, de quo dubitatur, explicandi, nili ratio theoreti- ca nobis fuppetias ferat, ut hanc rem obfcuram , mu!- tisque implicatam difficultatibus illufcremns et ab iisli- beremus: Qux enim nifi doceret, Deum efl'e fanftisfi- rnum, omnium, quae funt et accidere posiunt , cog- tiitionem habere perfedtiffimam, effe eundcm opinipo- tentcm , juitiffimum , benignisfmum getcrnum illum- que his fuis perfection ibus et velle et poiTe mimdum greare ac gubernare , in quo virrus et felicitas arclis- ipa et neceflaria quadam copula coniuneta (int, quo quxfo jure fuo ratio prr.6Hca posfet hsec omiiia poftu- K 5 la- 140 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE fcyn ,hoe zoude dePraftifche reden alle de- e dingen met reden kunnen eisfchen? Het blykt derhalven noodzaaklyk te zyn, dac deTheoretilche reden dePradlifchevoorlich- te. Dan onze Wysgeer roept ons geftadig toe t dat de eerfle zoo arm en gcbrekkig en van alle krachten ontbloot is, dat zy van aaken , die niet in de zinnen vallen , maar flegts door het verftand kunnen begreepen worden , volflrekt onbekwaam zy een ze- ker en onbetwistbaar oordeel te vellen. Hy eischt echter, dat wy het aanweezen van God voor eene waarheid moeten houden , opdat zyne zedelyke wetten niet gefteld worden ondcr de ydele herfenfchimmen. Maar van waar kan ny , i. weeten, dat die gemelde Wetten niet onder de evengenoem- de hersfenfchimnnen behooren? 2.doorwel- ke bewyzen kan hy zulks derwyze ftaaven, dac lare? NeccfTe igitur efTe liquet, ut ratio theoretica, prufticje face quiifi fua prseluceat. Sed illam cs^ i*e tarn mifcram , inopem , omnibus deftitutaiii viribus, ierme Temper nobis acclamat, ut de rebus, quas in fenfus non cadunt , fed intelledu tantum posfunt per- cipi 9 *ad cemim indubitatumque indicium fcrendum, fit plane iuepta. Poftulat autcm, ut efle Deum pute- mus, ne leges fua? morales ingenii figmentis annume- randaj funt inanibus. Sed unde potes: i)fcirc, le- ges illas de corum inimero ciTe eximendas , 2) quibus argumentis id ita ilabjlire, ut incus vcri cognosceiuii aui- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 141 dat eene naar waarheid begeerige ziel niet nalaaten kan in dezelve te berusten , ten zy hem de Theoretifche reden te hulpe kome, die reden naamlyk , welke hy meent bewee- zen te hebben , zoo onmagtig te zyn , dat zy, buitendedingen,die doordezinnen begfee- pen worden, niets weeten noch betoogett kan. Uit al dat geene, het welke, uit de bo- vengemelde boeken van dezen Wy sgeer , door my getrouwlyk aangehaaldis, en uic het geene ik tot onderzoek van hetzelve heb bygevoegd, meene ik niet zonder grond te mogen befluiten, dat de beginfelen , op wel- ke dat zedelyk bewys , door welk alieen hy meent , dat Gods aanweezen genoegzaam kunne beweezen worden, onzcker en san menigvuldigezwaarigheden onderhevig zyn, de- auida non poslitnon in illis acquiescere , nifi opcm il- li ferat ratio theoretica, quam adeo imbecillam efTe, fibi probafle videtur Kantlus ? ut praster ilia, quae per- cipiunturfenfibus, nil queat fcire,nilque demonftrare. Ex omnibus iis, qua^ ex huius philofophi libris, quos fupra nominavi 9 a me fidclitcr excerpta funt , atque ex iis, qu ad ilia examinanda adieci, in apri- co pofitum efle ? non temere mihi videor arbitrari , principia, quibus fubnititur argumentum illud morale, quofolo, DeumefTe, fatis evinci pofle affirmat, es- fe incerta difficultatibusque implicita innumeris 9 qure ope TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE dewelke noch door de Theoretifche noch doordePraftifche reden kunnenuitden weg geruimd worden. Ditzal een ieder, zo ik my niet bedriege, duidlykzjen. Dan laatcnwy toeftemmen, dat zc van dat gewigtzyn het welke hy hun toefchryft, dan meen ik echtcr het myn pligt te zyn , te bewyzen-, dat demanier van befluitcn, wel- ke hy gebruiktheeit, niet kan goedgekeurd worden. Wanneer deze fchrandere man be- merkte , dat die hoogfte zedelyke Wet, wel- ke de Praftifche red en door haare krachtom den wil te bepaalen,zijns oordeels , geeft (2) , niet aan zyn oogrnerk beantwoordde, en dc Pradifche reden, uit dien hoofde niet nood- zaaklyk eislchen konde, dat wy het aan- weezen van God moesten erkennen, heeft hy ope rationis, five prafticse, five theoretics neqtieunt fuperari , qui non videat , efle cenfeo neminem. Verum enim vero conccdamus , iis pondus inefle, quod illis asfignat, tamen concludendi modun: , quo ufus eft, probari non pofle, ut demonftrem, mearum partium efle judico. / Supremam legem moralem, qnam ratio practica vi fua voluntatem determinandi,i]io iudice , fert (No 2.) quum fcopo fuo non cife accommodatam , nee ob il- lam poffe rationem practicam neceflario poftulare, ut Deum efle affirmemus , vir acutisfimus videret, aliam le* OVER GODS AANWEEZEN, ENZ, 143 hy eeneandere Wet erbygevoegd, welkeons beveelt zodanig te handelen , dat wy , door* dc deugd , der gelukzaligheid waerdig worden. Ook begreep hy zeer wei , dat de Pradifche reden,uit hoofdejvan die Wet niet hetregt hebbcn , omnoodzaaklyk te eisfchen, dat er cen God zy , ten ware hy de deugd en de gelukzaligheid zodanig bepaaldde* dat de eerfte eene volmaaktite heiligheid zy (8) welke geen mensch in deze waereld berei- ken kan , en dat de gelukzaligheid in die gefteldheid der ziele beftaa, waarin alle des* zelfs begeerten vervuld worden , niet alleen ten aanzien der verfcheidenheden maar ook dergraadenen duuring, dat is Extenjive, Intenjivt , en Protenfivc. Maar nu zullen wy hem vraagen ,of deze bepaalingen van de Pradifche , dan Theoretifche , reden af kom- fligzyn; of derzelver waarheid kunne be- we* legem adiunxit qu?e nos iubet ita agere, ut per virtu- tern digni evadamus felicitate. Nee ob illam legem rt- tioni practice ins corapetere 9 cccefTurio poftulandi ut Deus efTet, itidcm facile intelligebat, nili virtutem et felicitatem ita definiret , ut ilia eflet fanftitas perfecta (No. f?.), quam hominum nullus in hoc raundo pos- fct coniequi, & ut felicitas in ilia anirai couditione confiileret, in qua omnes eius appetitus non taiitum ratione varietatum, fed graduum etiara ac durationis explerentur, i. e. exfenfive , intenfive,protenfive. Sed mine ex eo hiterrogamus , num hje definitiones a ra- tione practica an theoreticafiiit proferaeftari ab ilia non posfe , faepifilnTe in novo Kantii afiirmatur iyltcrnate. Forte nobis ille oLiiciet, id nort csie rationis pra^ttcas problems fed pastulatnuu At. L I 4 B TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE fcal hy ons tegenwerpen, dat dit g bkma , maar een geeischte (JPostulatum)fat Praftifche rcden is;doch deze tegenwerping doet niets a Want wanneer in de Wis- kunde iets geeischt wordt, dan is het of ene zekere zaak, die door het gezond verftand niet in twyfel kan getrokken worden of ene onzekere zaak. Zo het eerfte, wie zal dan ontkennen, dat het tot een grondflag kan gelegd worden? maar 20 het laatfte, dan zal het by niemand dezer dingen kundig voor een waaragtig geeischte kunnen gehou- den worden- Indien de praftifche reden eischt, dat wy het aan^esen van God ge- loven zullen, dan eischt 2y iets dat onze- ker is, en waarover getwist wordt, ten zy de theoretifche reden vooraf op ene bondi- ge wyze de waarheid van 'tgeen depradi- fche eischt , betoogd hebbe. Doch dat de laatst- quatitumuis etiam illud nobis obiicit ; tamen hac nil ^fficitur oppofitione. Nam in raathefi 9 ii quid podii* latur, illud eft vel res certa , de qua ratio fobrianon potest dubitare , vel incerta. Prius fi contingit, quis ell, qui, illud fundansenti loco poniposfc, inficias cat? Sin posterius: id verum poilulatura, a nullo harum rerum gnaro haberi potest. Si ratio pra(5tica pipftulat^ ut Deum arbitremur esfe , rein pofhilat , quas iucerta efl et dc qua in utramqne partem disputatur, nifi ratio tbeoretica firiinsfimo argumerito id, quod practica poftulat , an tea probaverit , qua tamen vi ra- tionem illam efTe penitus deflitutain ferme quavis li bro- OVER GODS AANWEEZEN, EOT. 149 iaatstgemelde reden van die krachtontBloot is, leert d'Hr KANT genoegzaam op elkc bladzyde zyner werken. Is het dierhalven niet klaarblyklyk, dac dit door de Pradi- fche reden of uit hoofde van nut, of uit hoof- de van behoefte , geeischt wordt. Uit hoof- de van behoefte, omdathy, indien ditniet geeischt wierd, begrypen zoude dac zyne zedelyke wet ten loutere herfchenfchimmen waren. Uit hoofde van nut , om dat , God ontkend zynde , de Gelukzaligheid door de betrachting der deugd niet zoude kunnen verkreegen worden. Stemmen niet de voor- treflijkfte Wysgeeren, als eenpaarig toe, dat uit de bloote behoefte en het nut, geen bewys kunne afgeleid worden, zoo bondig, dat uit heczelve ongetwyfeld blyke, dat werklyk beftaa , datgeene, hetwelkewyzo noodwendig behoeven. Onlangs droonide een "brorumfuorumpngina dicflitat. Estneigitur inpromp* tu id tantum . propter indigentiam a ratione praftica aut propter utilicatein poftalari 5 ob indigentiam , quia 9 nifi id poftularetur, fuas leges morales inania effc mentis figmenta, intelligeret , ob utilitatem, quia, Deo negato , felicitas non posfet virtutis ftudio im- petrari. Nonne autcm uno quafi ore fapientes prae- fhntisfimi confitentur ,ex mera indigentia atque utili- tate nullum firmum derivari posfe argumentum , quo extra omnem ponitur dubitationem , vere rem ilium effe, cuius ob utilitatem indigcmus. ludigere, nu- per fomniabat gallus quidam philoibphus ad raodura, La ce- 1 50 T WEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE een zeer beroemd Fransch Wysgeer, dat dc menfchen om gelukkig te zyn, geheel niet moesten in God gelooven. Door deze allerfchadelykfte dwaaling wtggefleept , heeft hy het befchaafdfte deel van Europa doorreisd, ten einde een ieder te overree- den, dat geene meening voor het mensch- lyk geluk naadeeliger zy dan die waardoor de menfchen zig valfchlyk verbeelden, dat er een God zy. Metwelkeloftuitingenver- hefte niet Lukretius oudtyds Epicurus, om dat hy 't eerst het ongelukkig menschdom van die allerbitterfte vreeze verlost had , welke hen dag en nagt kweldde, omdat zy geloofden , dat de Goden zig met de mensch- lykezaaken bemoeiden (*> Zouden dan deze allerverkeerdfte menfchen, zig niet ver- beeld (*) Zie Lukretius, dcrde Boek de Rerum Natura. Celebris, homines ob felicitatem fuam, ut nullam es- fe Deuin arbitrarentur. Quo quidem pefiimo errorc abreptus, complures Europe moratiorisregionesper- agravit, ut omnibus perfuaderet , nullam opiniouera cfie humauas faluti perniciofiorem ea y qua homines Dcum efTe , falfo fibi imaginarentur, Quaatisne olira laudibus Lucretius Epicurum efferebat, quia miferos homines ab acerbiflimo primus liberavilTet timore, quo , quum Deos humanarum rerum curas agere pu- tarent, dies noctesque angerentur (*J. Nonne igi- tur homines illi perverfisfimi fibi perfuaferant, a ra- tio- (*) Vide Tit. Lucretii de rorum natura lib /III, OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 151 beeld hebben : Dat hunne Pra&ifche reden , nuts-halveeischte, dat zy het aanweezen geener Godheid geloofden. Wy zien der- halven, dac de Praftifche reden van de waarheid kan afdwaalen, wanneer zy zig het recht aanmaatigd , door een zoo zwak bewys te beflisfchen , wat al of niet zy. Dan de Heer KANT fchynt, naar het my voor- komt, daar op aan te dringen, datdePrac- tifche reden het aanweezen van God, ver- eischt,om dat, indien hy niet beflaat,wy de gezogte Gelukzaligheid , niet erlangen kunnen. Doch dit ook blykt niet klaar genoeg, want dat geen geeischte nood- zaaklyk is , ten zy het zeive het eenige is het welketer verkryging van het laatile oogmerk, aangenomen wordt, leert ons, eene flegts eenigzinsgeoeffende reden. Dan indien iemand meent overtuigd te zyn, dat de tione fua praftica ob utilitatem postulari, nc Deum opinarentur effe. Videmus ergo , longisiime a vero pra^icam rationem pofle aberrare, fi ejus generis in- firmo argumento , quid fit aut non fit, decernendi ius flbi arrogat. Verum euim vero id urgere mihi vide- tur Kantlus , quod a rationepractica neceffario postu- letur, utDeusfit, quia, nifi fit, felicitatem, quam expetimus, non posfimus obtinere. At ne hoc qui- dem fatis elucet. Nam necesfarium non efle poftula- tum , nifi unicum fit, quod ob fcopum ultknum As- fumitur ; ratio paullispcr modo exculta nos docet. Si quis autem fibi perfuafum hab^at, mundum ita eiTc L 3 in- TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE de waereld , door haare innerlyke natuur zodanig gefteld zy, dat,wy ditleeven ver- laatende, tot een andcren ftaat verheven worden , in welken , zo niet ten eerften , ech- ternaa veelvuldige omkeeringen derzaaken, wy eindlyk daar been zullen komen , dac alle redelyke wezens aan dezedelyke wet- ten gehoorzamen zullen ; dat alles naar on- sen wensch zal uitvallen , en de hoogfte gelukzaligheideengevolg zyn zal der hoog- ftedeugd. Omdeonmogelykheidhiervante begrypen , heeft de theoretifche reden, volgens het begrip vah den Hr.KANT^geen vermogen. Wy zien derhalven, dat door de Praftifche reden, ten einde ons, door behulp der deugd, de hoogfte gelukzalig- heid, of het volmaaktfte goed eindlyk te doen erlangen, ook geeischt kan worden, dat pnze Waereld niet door eene Godheid, maar interna fua natum conftitutuni, ut, li ex Lac vita jnigramus , ad alium ftatum eueliamiir, in quo, nifi ftatini, tanien postmultas rerum converfionestandem co fimus ycnturi , ut omnes ration e utenteslegibus moralibus obediaut , omncs eventus e voto nobis fluant, & fummara virtutcm fumma Temper felicitas fe- quatur ; id fieri non pofle, ratio theoretica fecundum Kantii i'ententiam intelligendi facultatem habetntillam. Cernhnus igitur, a ratione praftica, quo felicitas i'um ma, feu confumuiatum bonum virtutis auxilio tan- dem a nobis impetrctur. poflulari quoque pofle, ut inundus nofter noa a nomine quodam divino 3 fed a na* OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 153 maar door haare Natuurlyke krachten , zoo- daniggefteldzy, dat wy eindlyk naa ver- fcheiclene omkeeringen van zaaken, door bctrachting dcr deugd^ tot de hoogfte Gc- lukzaligheid gebragt worden. Uit dit alles blykt ten overvloede^ dat het geeischte, waar door d'Hr. KANT tracht het aanwezen van God te bewyzen, niet moet gehouden worden voor het eenige , gevolglijk ook niet voor het noodzaaklyke bewys ; alzo de Praftifche reden ook eisfchen kan , dat er eene waereld zy , die door geene hoogfte voorzienigheid der Godheidbeftierd wordt, nochtans uit hoofde van haare innerlyke kracht, zodanig gefteld zy, dat onzeziel, uit den kerker des lichaams verlost , ten min- ften naa veelvuldige omkeeringen, eindlyk, naar maate zij de deugd betrachtheeft,ook gelukzalig worden z;al Het fchynt derhal- ven, naturalibus fuis viribus ita conftitutus fit , quo tandem post varias rerum converfiones virtutis Itu- dio ad fummam ducamur falutem. Ex quibus fatis faperque npparet, poftulatum , quo probare conten- dic Kantius, Detim effe , non putari debere pro uni- co , nee igitur pro neceiTario ? quoniam praftica ratio etiam potest pofhilare , ut mundus fit, qui, quamvis a nulla fupremi numinis providentia regatur^ taraea ob internam fuam vim iia fit comparatus , ut animus, pofter, liberatus a corporis carcere, post plurimas faltem rerum cvolutioncs tandem, ut eft virtutis fludio- j ita fiat etiam beatiffimus. Jtaque videtur a L 4 ?a 154 TWEEDE ANTWOORD oi> DE VRAAGE ven , dat bet ons , door den Hr. KANT zoo zcer en dikwerf als noodzaaklijk aangepree- zen vereischte,niet dan flegts verzoekender wyze (Precario)gefald worde, omdat het nice het eenige is , maar dat de Pradifche reden ook om het andere , het welke met het eerile regtftreeks ilrydigis (gelijk ieder ligtlyk begrypt) denken kan. Daar de reden , indien wy des Hr. KAN T s voetftappen drukken, noch devalsheid van het laatfte, noch de waarheid van het eerfte , betoo^ g:n kan, zokan het zedelyk bewys, waaiv door hy Gods aan weezen tracht te be wy zen, en het welke hy het eenige waare noemt, geheel niet vry zyn van den misflag, welke men in de Logica f^itium Subreptionis noemt, en dus geenekrachthebben om datgeenete bewy zen , waartoe het door hem uitgedagt is, rntione praclica id poftnlatum , quod nobis Kant i us mirtim in modum fsepiffime'commendat, tanquam ncv ceflarium precario poni ? quia illucl non eft uniciim , fed ratio pradica etiam cogirarepotcil de altero 9 quod iili quafi e diametro oppolitum efle , facile conflat inter omnes. Quuin ratio , fi Kantli veftigia premi- mus nee pofterioris falfitatem, nee veritatem prioris clemonftrare ppflit, argumentum iUud morale, quo eiTe Deum proba.re molitur , quodque appellat uni- ce verum , vijtio fubreptionis vchementer laborare , nee vim habere ullam , eorum pvobandorum , ad quse probanda ab illo eit cogitatum , nifi omnia me fal- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ, \ 155 is. Dit heb ik, 20 ik my niet zeer bedriege, zodanigaangetoond, datniemand, die het een en ander behoorlyk overweegd , my zal tegenfpreeken, III falliint, ita oftendi.ut qui omnia rite ponderavcrit, non poffit , quin raihi aflentiatur. -. L 5 III. I5<5 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE III, filer wordt onaerzogt : of de Heer KANT zig het yermcgcn kan aanmatlgen , het aanzyn 'van God^ door een onwcderfpreeklyk bewys te betoo{ren;zonder zyn cigen nieuw fys- tema tegen te fpreeken. Die beroemde Man fpant alle kragten in, om ons te overreden , dat onze theo- retifche reden , buitenhetgeene, het welke onder de fbrmen van tyd en ruimte bevat wordt , niets weeten en niets betoogen kan, Het heeft my dikwerf verwonderd , hoehy de grenzen van deeze reden zoo nauw be- perkende, het boek, getyteld, Critiekder Rei- III. posfit K A N T i u s nifi fyftemati fuo novo re- ptignare anmtltur , fibi faciiltatem arrogare , argtttnento firmisfimo probandi^ Deum e$- fe, anquiritur* Omnes intendit vir ille nervos 9 ut nobis perfua- dcrct, rationem noflram theoreticam praeter ea, qua Tub temporis et fpatii formis intuetur nil poffe icirc, r.ilque demonftrare. Sum equidem facpenume* romiratus, quomodo, qiuim tarn anguftos rationis huiiis tcrminos efle exftimat ? potuerit librum , qu.i iu- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 157 Rcinen Vcrnunft heefc kunnen fchrijven, en wel zo omflagtig als het zelve het licht 2iet. In dat werk heeft hy ons verfcheide- ne bepalingen (Definitioncs') opgedrongen; beginzelen der Menschlyke kennis byge- voegd; ontelbaarezaaken, over welke de theoretifche reden flegts twisten kan , heefc hy getracht te verklaaren , en uit dit alles veel verzameld , het welke niet doordezin- nen bevat, maar flegts door de reden -kan begreepen wordcn. Hy fchynt derhalven in dezen tyd, den rol van Sextus Empiricuste hebben willenfpeelen , die door eenen vloed van woorden "en fcherpzinnige fpreuken, die geene trachteninverwarringte brengen, welke meenden veele zaaken, die niet in de zinnen vallen , met zekerheid te kunnen begrypen. Hy trachte ten fterkfte te be- wyzen,dat niets kon betoogd worden. Men kan infcribitur Crltica rationhpura^ tanto, quanto in lu- cem eft editus , volumine exarare. Varias enim de- finitiones in illo nobis obftrufit , cognitionis humanse principia adiecit, innumera, de quibus ratio theore- tica tahtum disputare potest, explicare connifus eft, ct ex iis omnibus multa collegit, quas non fenlibns percipi 9 fed tantum ratione intelligi queant. Vide- tur igitur perfonam fexti Empiric! hisce temporibus induifle, qui flumine verborum et fententiarnm fob- tilitate ftudebat conturbare cos, qui a ratione humana,. plurima, in fenfus non incurrcntia , certo pofle fciri putabant. Dcinonftrarc vehementer contendebat , nil 158 TWEEDE ANTVVOORD OP DE VRAAGE kan bezwaarlyk zeggen, of hy dit gedaan hebbe in ernst , dan alleen om de fophisten van zynen tyd te befpotten. Wanneer wy het be wys , het welke de Heer K A N T , hec zedelyke en waare noemt en waarop hy het aanwezen van God grondt , een weinig nau w- keuriger onderzoeken , dan zullen wy zeer ligt begrypen, dat hetzelve, uit de theo- retifche reden voortvloeit. En warmeer ook, gelijk hy dikwerf beweert , de Pradti- fche reden zoo veel kracht zoude hebben, dat zy alleen den wilkonbepaalen, zoude zy echter, daar alle onze neigingen geenszins louden in aanmerking komen, flegts deze wet geeven , waardoor wij verpligt worden , zodanig te handelen, datwy dengrondon- zer handelwy ze ( Maxime ) kunnen houden, voor het beginzel der algemeqne Wetgec-. ying, Dan, pofTe demonftrari. Num ferio 9 an ut fophistas fua; irrideret , id fccerit , diiflu eft difficillimum. Argumen- tum , quod Kant i us morale et unico verijm nominat, quo effe iudicat Deum, fi paullo accurr.tius rimamur, id maximara partem a ratioue theoretica proficis cifacil- lime . intelligitur. Quod fi etiam , qucmadmodum faepius confirmat, ratio pradtica tautam vim habcret, qua voluntatem Tola determinarct , tamcn quum ad nullos noftros reiptccrctur appetitus , tantum hanc legem nobis ferret, qua obligaremur lie agere, ut iioftra age ndicr: ufa (maxim e) pofTet a nobis haberipro principio univerfalis legiflationis. Sed OVER GODS AANWEEZEtf , ENZ. ' 159 ! Dan, waaruit zoude deze Reden weeten; i. Datuit diehoogftereden eene andere gebooren worde , welke gebiedt dat wy ons der Gelukzaligheid zouden waerdig maaken. II. Dat het flegts dedeugdzy, welke zou- de uitwerken , dat wy gehouden moesten worden deceive waardig te zyn. III. Dat in onze tegenwoordige waereld," die Gelukzaligheid niet verbonden zy met de deugd. IV. Dat er noodzaaklyk eene waereld zoude moeten beftaan, in welke op delaat- fte de eerfte noodwendig volgen moet. V. Dat Sed unde ratio ilia fciret, . I. Ex ea Icge fupreina alternm oriri, quas jube-* ret, ut nos dignos felicitate fnceremus; II. Virtutem tantum clTe, qnse eHlccret , ut ilia digni effemus putandi ; III. In hoc iioftro mundo felicitatem illant cutn virtntc non effe conjnnctanj ; IV. Necesfe e(Te, ut mnndus exilfteret, in quo hanc neceflario ilia liquerctur. V 11- 160 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE V. Dat die waereld niet kunne beftaan; ten zy er een van dezelve zeer verfchillend weezen zy, door welkezy zodanig gelchapen en beitierd wierd, dat in dezelve de braaf- fte de Gelukzaligfte wierd. VI. Dat hetzelvc moet begreepen wor- den, als een alweetend, allerheiligst aller- lerwyst, weldaadig, almachtig, alom te- genwoordig en eeuwig weezen. Maar zyn niet alle deze dingen van zodanig een aart, dat zy flcgts kunnen begreepen worden , in- dien niet onze practifche , maar onze theo- retifche reden , die kracht bezitte , de zaa- ken , welke zy onder de formen van tyd en ruimte geenszins kan bevatten , naatefpeu- ren en regt te verftaan ? Indien onze theo retifche reden nietgenoegzaame kracht had, om V. Ilium mundum non posfe exfiftere, nifi quis etlet ab illo' longisfime diverlus, aquoiic conderetur^ fie gubernaretur, ut in co honestiffimtis quique fie- ict beatisiimus; VI. Ilium ita efle cogitandum 9 utelfet omnium re- rum maxime giiariis, faiictisfimus 9 fapientiffimus,be- Jieiiceiitisrinuis , omuipotens , omniprseteus et seter- tius. Smunc autem omnia ilia lie comparata, uttan- nim fciri queant, fi ratio noftranon pracrica fed theo- roticavi pollet 9 res quum inveiligandi , turn recte in- fclli.'>-endi , quas Tub temporis etipatii formis incueri neu- tiquam valet? Nifi ad has resperfpiciendas ratio noltra theo- OVEH GODS AANWEE2EN, ENZ. 161 qm deeze saaken te dooraen,' dan kan ook de praftifche reden met geen recht nood- saaklyk eifchen, dat \vy aan het beftaan vanGodniettwyfelen moeten. Maardaarnu de Heer KANT door alle kunstgreepen tracht tebewijzen, dat onzeTheoretifche re- den volftrekt onvermogend isom iets met ze kerheid te begrypen van zaaken die bovea het bereik der zinnen gaan , zo kan hy , ten ware hy zelve de nieuwe Wysgeerte zoekc om ver te werpen zig niet het vermogert aanmatigen, het aanweezen van God, door zyn zogenaamd zedelyk bewys zodanig tc betoogen, dat het ons niet meer tryftaa het^elve in twyfel te trekken. Den Heer K A N T'S Practifche reden , mag dan zoo veel het haar behaagt eifchen, datiwy' het aan- v/cezen eener Godheid erkennen, ik meene ech- theoretica vires haberet idoneas , etiam ratio practica nullo jure poflet neceffario poilulare, utDeum efl^e> non dubitaremus. Quum autem Kantius , rationeui noftram theoreticam plane ineptam effe , omni quali machinatione probare eonetur, utfapra easres, quas fenfuum ope intiietnr, quicquam certo intelligat : iis quoque,nifi novam philofophiam ipfe quafi peflTum- datum ire cupit, fibi facultatem nou potest arroga- re, ' argumento , quod appellat morale , Deum efle ita 'probandi , ut de illo dubitare, non amplius licep.tno- bis. Pollulet igeiur, quantumvis velit, Kant it ra- tio practica , ut Deum affirmemus effe: tamcn ex eo poftularo argumentum firmum, quod recte fie eft no- mi- 1 52 TVVEEDE ANTWOORO OP DE VRAAGE echter niet Bonder reden te mogen onder- ftellen , dat niemand dezer zaaken kun* dig, niet duidlyk zie, dat uit het gemel- de geeischte geen bewys, dat dugtig kan genaamd worden, voortvloeijen kan. IIIL miiiandum, nnllo rqodoenasci, qui rion perfpiciat, liarum rerum peritiim efle neminem , videor miki hand tcmere arbitrari* IlII. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 163 He eft de Heer KANT niet zelve bekcden^ dat in zyn zedelyk bewys geene waare maar flegts eene fchynkracht eener, betooging zy. Schoon ik, wegens de enge paalen,wel- ke my voorgefchreeven zyn, myn ge- voelen korter, dan eene 2aak van 200 veel gewigt vereischt , zal voordraagen, meene ik echter dczelve niet geheel ftilzwygend tc xnoeten voorbygaan. Wannecr ik hier bo- ven aan het einde der inleiding,gczegdheb^ dat de Heer KANT met duidlyke woorden bekent, dat in dit zyn zedelyk bewys geenc .Waare bctoogkraeht gevonaen wordt, heb ik IV. Nonne ipfe KANTIUS confesfus eft, arguments fuo inorali non inejje veram, fed modo quafi vim perfects demonftrattQnis? Quamquam ob limites, qui mihi c'Onftituti ftinf , poftulatis, K. d. P. V. pag. 827. 5fCi M * 1 66 TWEEDE ANTWOOPvD OP DE VII A AGE eischtende kennisonzer Thecretifcherederi uitgebreid: worde , is hy nochtans van oor- deel, dat die kennis niet van dien aart zy, .dat uit dezelve eenig Theoretisch gebruik voortvloeije. Want, volgens den Hr. KANT zyn en God en de onfterflykheid der ziel, flegts begrippen , die gefteld moeten wor- den , op dat de hoogftegelukzaligheid door onskunne verkreegen worden, fchoon on- ze Theoretifche reden,noch van de natuur onzer ziele, noch van die van het Opper- wezen, met zekerheid iets kenmerken (y). Ook kan onze rcdcn niet , gelyk hy ons trachtte overreeden, die begrippen zodanig gebruiken, dat zy in haar Theoretisch ge- bruik iets zekers van dezelve ftellen of uit dezelve afleiden kan (). Deze byvoegze- len C^) K, d. P. V. png. 239. (z) K. d. P. V. pag. 343. theoreticae rationis cognitionem amplificari nonneget, tarn en hanc non ita eile comparatam iudicat, ut inde ullus theoreticus ufus oriatur. Simt enim ,Kantio\\\- dice, animi immortalitas et Deus duntaxat notiones, quae poui debeut, ut fumma a nobis felicitas aliquau* do poflit obtincri ,' quamuis neque de animi noftri, neque de fupremi numinis natura ratio noftra theoreti- ca quicquam fibt certum et exploratum habere pos- fit (3?) neC potest , ut ille nobis periuadere ftudet, notionibiis illis ratio noftra ita uti, ut in tbeoretico fuo u fu quicquam qerti de illis ftatuat, aut ex il^s colligat (z). (y) K. d. P. V. pag. 239. 00 K, d. P. V. pag. 34*' OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 167 len mogen dan voldoende zyn , cm ons te doen begrypen, datde Hr. KANT zaaken be- weert, uit welke, zo zy waar zyn, volgt, dat zyn zedelyk bewys geene kracht hebbe. Want indien dc theorecifche reden, van die begrippen geen gebruik kan maaken, Han begrypt zy zekerlyk ook met, dat zy jnoodwendig mceten aangenomen wordcn ter verkryging van de Gelukzaligheid , op dat de zedelyke wetten, welke de Prafti- fcheredenzig aanmatigd te geeven, voor geene bloote Hersfenfchimrnen moeten ge* houden worden. Maar daar de Pradifche reden, alleenlyk, ter bereiking dier oog- merken eischc , dat er een GOD zy, zozicn wy, dat op geenerlei wyze kunne bepaald worden, of zyn geeischte, ter verkryging van het doelwit, het eenige gefchikte, eh derhalven noodz^aklyke zy,of niet. Dus door Qua quidem addidifle jam fuflicit, ut intellignmus ? 9. Kantio ilia affirmari, quae fl vena funt, lequitur, ut eius morale argumentum probandi vim habcac nul- lam. Si enim ratio theoretics adnullam rem iis notio- nibiis uti potest v profe^o etiam non intelligit, illas neceflario affumendas effe, ut felicitas pofiic irnpetra- ri, ne leges morales , quas fereudi praftica, ratio libi ins arrogat, pro vanis Sngeuii figmentis fint liabeii- dae. Quoniam autera ratio practicu ob illos fcopos tantum podulat, ut Dens fit; videmus, eius poftula- tum iium fit unicum ad metam coniequetidam. idoueum et i^itur necelTanuin 5 necne, v. Kantio. , qui theore- M 3 tl- 1 68 TWEEDE ANTWOORD OP DEVRAAGE door KANT, die de kracht der theoreti- fche redenten aanzien der dingen die niet door de zinnen , maar door het verftand bcgreepen worden, getracht heeft gehiel cnal ce ontzenuwen ,op geenerlci wyzckun- ne bepaald worden; ookbekent hy ztlvedird- lyk genoeg dit niet te kunnen bepaalen, gelyk uit het weinige dat ik hier nog zal bijvoegen, zeer duidlyk blykt- Hy had ge- 2e^d , dat indien ergecn God was , ook geene gelukzaligheidaan de grootheid onzer drug- den geevenredigd , vol^ens de natuur der dingen, te verwagten zy en zdfs niet kunnen verkreegen worden. Maar hy 2egt tevens, er n:et voordagt nice byge- voegd tehebben,dat dicoordeel (legts geldt wanneer wy opde geftcldheid onzer reden diehy dc onderwerplyke (yw^V^/^noenit, let- ticserationis vim quoad ea, quse nonfenfibus, fed in- tclledlu percipiuntur,' penitus encrvare molitus est, modo pofTe determinari. Nee fe id pofie definire, ipfe fatis luqulenter confi- tetur , quemadmodum exiis, qua^ p iucis addam , per- fpe&u ell facillimum. Dixerat . quidem , nift numen fupremum efTet , fcltcitatem magnitudiui virtutum no- ftrarum convenientem fecundum ea, quae in rerum na- tura accidunt, expetftandam baud efTe , immo illamne obtineri quidem paffe, fed fe confulio non addidifle dicit , id judicium modo valere , fi ad rationis noftr* conditionem , quam app^Uat fubjeEtivam , mentis ocu^ los OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 169 letten. Waaromtrent hy ook beweert, dat de reden niet in ftaat zy om met zekerheid te begrypen, of dac nauwkeurige verband van deugd en gelukzaligheid, door den na- tuurlyken loop der dingen te wege kan werden gebragt, dan niet. Zie hier de Heer KANTS eigene belydenis: welke 20 hy de- zelveniet voor geveinsd en valschdurft ver- kharen, hy ontkennen moet, dat de Prao tifche reden hec aanweezen van God nood- we dig eifche, alzo hy niet bepaalenkan, of er eene waereld beftaa, in welke wy door de betrachting der deugd, de aan ftaar ge- evenredigde gelukzaligheid erlangen zullen van den natuurlijken loop der dingen of dat dezelve flegts door God den fchepper der Natuur kunne bewerkt word en. Dan 5 daar de Heer KANT zelve zegc: Dat het twyfe- lach- los dirigamus. Quocirca etiam affirmat , rationem es% fe ineptam, ut, num ilia accurata et congruens vir- tutis et felicitatis connexio a natural! rerum curfuefli- cipoffit, anne, certo iciat. En hie ipfain Kantii confesfionem , quam nifi audeat dicere fiinulatam at- que falfam eiTe, inficiari debet, a ratione pradlica ne- ceffario poftulari , ut fit Deus, quoniam ilia nequit determinare, num ut mundus exfitlat , in quo virtu- turn iludio olim felicitatem illi respondentem confeque- rnur, a natural! rerum curfu , an a nutnine fupremo, univerfaj naturas conditore , tantum effici queat. Quum vero duobus illis propofitis utrum fit verius, in utramque partcm deliberari pofTe , ipfe Kantius d^- M 4 cat 179 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE lachtig zy , welk van beide het waare is (ad) 200 rnoet hy ook noodwendig tocftemmen , dat het van onze willekeur afhangt , welk van beide, wy voor het waarachtigfte en met ons oogmerk oyereenkomftigfte , verkiczen te houden. Daar nu de Pra&ifche reden, zig niet kan het recht aanmaatigen , nood- wendig te eisfchen dater een God zy , gelyk hy met uit drukly ke woorden leert ( a b ) , zo volgt uit dit alles, dat het Zedelyk bewys^ geheei ontbloot %y nde van de noodzaaklyk- heid, op \velke het rust, niet voor waar^ vast en wettig kan'gehouden worden. Da^r nuheteerfte, volgens, hetoordeelvan den Hecr KANT 2;elve , v^aarachtig is, zo jnoet ook het laatfte noodwendig waar . d. P. V. F3. 262. cat (/zrf): idem etiam non potest, quin affirmet , a jtioftro dependerearbitrio , utrum eonim verius noftro- que fcopo convenientius efTe, nobisperfaadeamus. Non- n'e igitur , quoniam ratio pra^ica ms fibi non potest vindicarc, necesfario pofliilandi, utDetisfit, quem- admodtim ille (tf^) expresfis verbis docet , ex iis omnibus fequitur, argumentum illud morale, neces- fitate, qua nititur, penitus fublaia, non efTe prove- ro, firmo atque legitimo putandum. Quum autem, ipfo Kantis iudice , verum fit prius: pofterius etiam ita K. d. P. V. pag. a6a* 1. c. OVER GODS AANWEEZEN, KNZ. 17 r zyn , zoo datde zaak geen verder cmderzoefc fchynt te vereifchen, Hy bekent ook, dat de kracht van het nieuwe bewys, waar van hy zig voor den uitvinder uitgeeft, met zoo groot zy, dat het zelve het aanweezen van God voldoen- de betooge; indicn wy de natuur welke- ons het vermogen niet gegeven heefc, dcze. zaak regt te beoordeelen en dezelve voor ons volkomen begryplyk te maaken, tegen de berispingen dier geenen verdedigen zul- len, diehaar om deze kaarigheid, meenen meteenenydigeftiefmoeder te mogen verge- lyken. Maaroideeze verdedigingder natuur door den Heer KANT ondernomen, veeler^ behaagen zal,twyfelik zeer. Hadonsdena- tuurhet vermogen ojngegeeven het aanwee- ita in pi-omptu efl, ut res disputatione non amplius cgere vicleatur. Confitetur etia'm argument! novi 9 cuius innentorem fe venditat , vim non elle tantam , ut Deum efl'e fatis demonfEret , ii naturam, quse nobis, hanc rein refte cjijudicandi , nobisque peuitus cognitam reddendi, non dedit facultatem , ab obtredationibus defenders nitimur eorura, qui illain ob hanc illiberalitatem cum invida novQrca efl'e comparandam arbitrantur. Nuia autem id nature patronicium , a Kantlo fusceptum,. plurimis placeat , anirm vehementer hsereo. Quodfi natura nobis facultatem dediflet , perfects demonftraa M $ di TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE ten van God , en der onfterflykheid vol- maakt te betoogen , dan zbude God en de Eeuwigheid, door haare ontsaglyke Majes- teit , ons , zynes oordeels , geduurig voor oo^engezweevdhebben, waardoor wy zou- dcn gedwongen zyn geweest, de wetten te gehoorzaarnen. Indien die gebeurd wa- re, dan zouden \vy > voJgcns het oordeelvan onzen Wysgeer meestiyds door vreeze, zeldendoorhoopc, nimmer doorplichtzyn aangedreevengeworden, om overetrnkofn- ftig met de Godlyke wetten te handelen; daar nu echter (legtsallezodanige ha^delin- gen , die dour ons uit hoofde van pligt be- tragt worden , de godlyke goedkeuring ver- dienen (ac). Dat deze zaaken door den Hr. (^c) K. d. P. V. pag. 264 &c. di , nuraen fuprcmum efle atque itmnortalitafem : Deum ct seternitatem tremenda fua maieflate nobis Temper ante oculos verfaturos fuifle putat, quibus cogere- mur , ut legibus obtemperaremus. Quando id conti- giflet, idem ille philofophus arbitratur, nos,plerum- que timore, raro-fpe, officio nunquam impulibs, ea executuros fuifle, quae legibus divinis convenirent , quam tamen illae tantum actiones , qua? ex officio per- aguntur a nobis dignae fint, ut a fapientia divina comprobentur (ac^ Quae quidem omnia a^/;ofub- tiliter efle disputata , non negamus, fed ex iis litem non fae") K. d. P. V. pag. 264 c. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 173 Hr. KANT zeer fchrander beredeneerd zyn f ontkennen wy niet. Het fchynt ons echter met toe, dat de twist daar rnede volkomen zy afgedaan. Want wy Vraagen, L Of, indien eene gunstigere Natuur ons het ver- mogen geefc , om het aanweezen van God volmaaktlyktebetoogen,wy het zelve niet cerst zouden moeten opfcherpen en vermeer- deren , ten einde dat licht te verkrygen , door het welke wy zien , dat God de Schep- per is en beftuurder der waereld. II. ' Beweert de Hr. KANT zelf niet , dat , ten zy dePraftifcheRedeneisfche dater een God is,geene waereld zou kunnen beftaan, in welke Gelukzaligheid verkregen word; en 20 'er geene Gelukzaligheid kan verkre- gen worden, dat dan die hoogfle Wettcn, wel- non componi videre etiam nobis videmur. Namquas- rimus I. Nonne nos, fi benignior nobis natura factilta- tem dat, perfe5le demon iirandi, Deum efTe, illam prius ita excolere etaugeredebemiis,ut1ux nobis iubo- riatur , qua Deum effe mundi conditorem et gu- beniatorem videmus? II. Nonne ipfe Kantius affirmat,nifi ratio praftica poflulat, utfitDeus, non exiftereposfe mundum , in quo felicitas obtinetur, et nifi potest felicitas impe- trari , leges illas fuprcmas 9 quse prcecipiunt , i. m I 7 4 TWEEDE ANTWOORD o* DE VRAAGS welke gcbieden (a) dat wy ons der Geluk- zaligheid waardigtoonen, (b) dat de bewe- gende grond van onzen Wil (Maxime) al* tyd by ons kunne gehouden worden, voor het beginzel der algetneene Wetgecving, beide voor hersfenfchimmen moeten gehou- den worden. HI Zoudederhalven dezevan alle kragt ~om onzen wil te beweegen, ontblootzyn, indien niet God en deEeuwigheid ons voor oogen zweevden? IV. Weet RANTS Reden, dat^er in de geheele Natuur, geene Zielenzyn, met zo uitmuntendehoedanigheden begaafd , dat zy door de beginzelen haarer Reden, het Aan- wezen van God, die alles beftuurt, vol- maaktlyk betoogen kunnen, en indien 'er 20 i. ut nos felicitate dignosprjEbcamus, 2. utcaufanos- tra movens voluntatis (maxime) Temper a nobis ha- ben posfit pro principio univerfalis legiflationis , in iiumero inanium figmentorura efle habenda? III. Nonne igitu'r illae omni vi voluntatis oollrae com* movendse eflent deftitutac , nifi nobis ante oculofi verfarentur Deus et ceternitas ? IIII. Num Kant it ratio fcit , in univerfa rcruni na- tura nullas efle mentes , tanta condecoratas prseftan-. tia^ ut rationis fuse principiis Dcum efle, a quoom- n ia OVBK GODS AANWEEZEN, EN*. i?5 i fcodanigen waarlyk fcyn, zoude daar uitvol- gen, dat derzelver deugden van minderc waarde moesten geoordeeld worden, om dat 2y noodwendig,of door vreeze, of door hoopc, doch nooit doorpligt, ter uitvoe- ring van hct geene, met de godlyke Wet- ten overeenkomstig is, zouden aangedre- ven worden? Doch dit ajles Vraagen wy niet om het een en ander op te helderen ,' maar om flegts aantewyzen,wat nogeersc diende onderzogt te worden, voor dat dc Hecr KANT met recht van ons vorderen kan, dat wy hem byvallen. i ilia regantur , perfedlifllme demonflrarc 'queant , et , fi vere eflent , an fequeretur, ut illartim virtutes mi- noris eflent cedimand^, quia neccfFario vel tiroore, Yel ipe 9 numquam autem officio ad ea exfequenda im- pellerentur, quse legibtis divinis eiTerit accomtnoda" tiffima? Sed hsec quaerimus , non ut ilia omnia luce colluftremus, fed iudicennis potius , quaenara adhuc prius perfcrutanda fint, quam Kantius iure fuo a no- bis queat poftularc, ut fibi aflfeiitiamur. U E D E R D E ANTWOORD O P D E V R A A G E , DOOR D E HOLLANDSCHE 3VIAATSCHAPPYE DER WEETENSCHAPPEN TE HAARLEM: VOOR HET JAAR 1790 OPGEGEVEN Wat men te denken Jiebbe van het Moreelc bewys van GoSs Aanweezen , en wel zoo als het zelve dior den Heer KANT is opgegeeven , als 'ware dit het eenlge ? DOOR LUDWIG HE I NRI CM JACOB, Profefor der Philof. op de Fiederiks Univerfiteit te Halle. ONDER DE ZINSPREUK: Internet reBa rationls lex patentem etiam extra no* nescitit judlcem et legiflatorem. HENR: MARUS, ^Aan wien, ALLEEN omdat daarin het gevoelen van den HeiT KANT allerduidelykst is voorgcfteld; en we- gens den Arbeid, daartoe befleed, een Zilve* re Medaille is vercerd,) BEANTWOFTUNG DER VON DEKHOCHPREISLICHENGE- SELLSCHAFT DER WISSEN- SCHAFTEN ZUHAARLEM. FUR DAS JAHR 1790. JUFGEGEBENEN F R A G E IVas hat man von dem moralifchen Beweife fur das Dafeyn Gottes und zwar fo wie derjelbe. yon Pr. KANT Cr. d. R. V. 804-818 und Cr. d. P. V, 223248 als 'ware er der einzlge 1st dargeflellt worden zu denken? D.ERDE ANTWOORD O P D E V R A A G E : Wat men to cknken hebbe van fat Moreele bewys yn Gods Aanweezen, en wel zoo als het zelve door den Heer KANT, is opgegeeven , als 'ware dit het eenige ? Voorafgaande Verklaaring van de.n Scbryver. Byaldien volgende verhandeling voor het plan der geleerde Maatfchappy te uit> gebreid rnogt weezen, kan enkel het TWEE- GEDEELTE als de beantwoording van het BEANTWORTUNG DER A U F G E G E B E N E N F R A G Was hat man von dem moralifchen Beweife fur das Dafeyn Gottes und zwar fo wie derjelbe von Pr. KANT Cr. d. R. 7. 804-818 und Cr. d. P. V, 223248 als 'ware er der einzige 1st dargeftcllt worden zu denken? forlaufige Erklarung des Ferfasfers. WenntiachftehendeAbhandlungnach dem Plane der gelehrten gefellfchaft zu tlark feyn follte^ fo kanu blosf der ZWEITE THEimls die Beantvvortung N i8o DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE het vcrfchil bevattende, aangemerkt eri aan het oordeel der achtingswaardigeRech* ters onderworpen wordcn. = Her eer- fie gedeelte is enkel eene voorbereiding ter oplosfing en kan dcs noods achtertyege gclaatcn worden, IN- dcr Fragc angefchen, und zur Beurtheiluiig derres- pektabeln Richter gebracht werden. Den der erfte Theil ist nur blosf Vorbereitung ziir Auflofung, und kann allenfalls weggelaflcn werden, I N- OVER GODS AANWEEZEN, *N2. . .. - . I N L E I D I N G. dan nict, is men buitcn twytel verpiicht alle mooglyke wy- 55enen manieren, volgcnds welken, buicer> de opgegeevene, zoodanig bewys kan wor- den ingericht , vooraf te o verweegen* Ten cinde idus den geeerden Leden der Maat fchappy genoegcn te geeven , 2al ik alvo- rcns uit de natuur der zaake a&elve, vol* gcnds een grond-beginfel, alle mooglyke wyzen om riet bewys voor het beftaan van God te voldingen, voorilellen enderzelver waar- EINLEITUNG. Die Atifgabe der HochpreisflichcnAcademie fcheini zuihrerAuflorungeinezwiefacheUnterfuchung zu erfordern. Denn bevor manbeurtheilenkaiin, oh cin Bevveis der einzige fey oder nicht, miiiTraan noth- wendig zuvoralle mogliche ArtenundMethoden ^ die auffer der aufgegebenen Statt finden , und nach wel- chen fonft noch Beweifle gefuhrt werden kdnnen , (iberfeheiu Urn alfo den Ehrwurdigen Mitgliedern der Akademie cine geniige zu leiften ? werde ieh aus der Natur der Sache felbft , nach einem Principle alle mogliche methoden aufftellen, wie Beweifle fiir das Dafeyn Gottes gefuhrt werden kounen, und dabey N ih-t DERDE ANTWOORD 0* I>E VRAAGE waarde naauwkeurig bepaalcn; 't welk my vcrvolgends in ftaat zal ftellcn van tc beoor* deelen,of het zoogenazmdzedelyk bewys door KANT voorgefteld, het eenige is , wclken rang liet onder de overigen bekleedc, wcUc deszelfis waarde is , of het door andere gron- den in kracht nog meer verflerkt kan wor- den, en 200 voorts. EER- ihren Rang genau beftimmen; und dannwcrdcicherfl im ftande feyn zu beurtheilen ob der von KANT fo genante moralifche Beweisf der einzige fcy,wa3erfiir einem Rang unter den iihrigen behaupte , was er ftir eine Kraft in fich felbfl befize, ober durch andervvei- tige Griinde in feinen Wiirkungeu noeh verfta'rkt wcr- den konne 9 und fo welter. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 183 E E R S T E D E E L. Over de mooglyke wyzen om het beflaan van God tebewyzeriy in V algemeen. E E R S T E A F D E E L I N G. Algemesne 9 voorbereidende aanmerklngen tot dit onderzoek. Er zyn voor ons flechts twee wyzen moogiyk, volgends welken wy ons van het aanweezen van lets kunnenovertui- gen. iO Door de zinnen, volgends de re- ABHANDLUNG. E RST E R THE I L. Usher die moglichen Arten das Daffyn Gottes zit beweiflen uberhaupt. E R S T E R A B S C H N I T T.: Allgemelne Vorbereitung zu dlefer Unterfuchung. / Wir haben nur zwei moglichen Arten uns van dem Dafeyn eines Etwas zuiiberzeugen, i.) vermitteh der Slnne nach Regeln der unmittelbaren obie&iven Wahrnehmung oderder Anfchauung. Der N 3 Glau- 1 84 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE gelen van onmiddelyke obje&ive waarnee* ming of van gewaarwording. Het geloof omtrent het aanweezen der zinlyke wae- reld en van alle zinlyke hoedanighedeq derzelve, is alleenlyk op gewaarwording Segrond (*), De overtuiging aangaande et beftaan van inwendigc gewaarwor- dingen en van alle voorftellingen bin- nen ons, berust eindelyk enkel op dc ont waarwording van ons innerlyk zintuig, 2). Het . (*) Wat Jeeze zvnlyke wnereld o.p zich zelve zy , of een famenvoeging vaq dcnkbeelden ofvrn Atomi, of denzelven iets ^tvezenlyks ten grondfl.ige ftrekkq, buiien dst 't welk wy ons dasr van voorllellen; enz. Die r.lles wordt ons door de zin- tuigen niet geleerd, \vy moeten zulks door de rede leeren kennen. Maar dat -wy eene voorflelling to: iets , welk van deeze voorftelling onderfcheiden is , Ipetreklyk manken, is eene bcwustheid welke zy onmiddelyk aan de zinnen verfchuldig4 zyn en daarom opk door niemand in twyfel getrokken is. Glaube an dem Dafeyn der Sinnenwelt und aller finn- lichen BefchafFenheiten derielb.cn, griindet fich nur allein auf die Anichauung. (*) Die Ueberzeugung von dem Dafeyn innerer Empfiiidungen und aller vor- IteJlungen in uns beruht zu lezt bios auf unferm in- liern Sinne; und 2) (lurch die yernunft , indem fia ein- (*) Was diefe Sinnenwelt an fich fey, ob ein innbegrifF von Ideen oder Atomen, ob ihnen etwas Reales ausfer, dem zum Grunde liege, was wiruns von ihr vorftellen und fowei-. ter ; dicfes alles lehren die Sinne nichs , fondern diefes musf durch Vernunft erkannt werden. Aber daf wir eine Yorficl- lung auf etwas voii diefer Vorftellung verfchiedenes beziehen ist eia Bewuftfeyn, welches wir unmittelbar den fmnen ver- dankcn und welches daher you Niemanden bezweifdt WOT- Men lit. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 185 Het tweede middel , door welk wy ons van cenig aanweezen overtuigen , isde reden , wel- ke inziet wat met de waargenomenen wezen- lyk beftaande dingen noodzaaklyk in verband ftaat of faamgehecht is. Want alle menfcke- lyke erkendtenls van waarlykzyn , dienvol- gends ook die welke op de reden gegrond is , berust ten laatften op lets , 't welk waargeno* men is of op een daadlyk voorval. De gronden voor het aanweezen geeft de reden fteeds op , hoewel zy die niet altyd oplevert of in zich bevat. In dit ge- val bcroept zy zich op het gezach der zin* nen , in het ander op haar eigen gezach als een voldingend bewya voor het aanweezen van eenig ding, Het aanzien en degenoeg* zaamheid der reden moet derhalven ecrst wej be- einfieht , was mit den wabrgenommenen wirklicheii Dingen ^o/^^w^zufammenhangt. Dennjedesmensck- liche Furwahrhalten , alfo auch das Ftirwahrhalten durch Vernunft beruhet zulezt auf etwas wahrgenom*- menen oder aufeiner That f ache. Die Griinde fiir das Dafeyn zeit dar, ob fie gleich folche nicht jedesryial liefert , oder felbft in fich enthalt. Im erf!ern falle fiihrt fie die Au5loritat der Sinne, im leztern ihre eigene als einen giiltigen Bevveisgrund fiir das Dafeyn einer Sa^ che an. Das Anfehen und die Giiltigkeit der Vernunft iiberliaupt piiisfen wir dahcr immer erft befeftiget ha- N 4 tea 1 86 DERDE ANTVVOORD OP DE VRAAGE bcveftigd weezen , voor dat wy ons op eenig bewys verlaaten of door hetzelve overtuigd kunnen worden. De reden beproefc alles , ook zich zelve. Het is de noodzaakelyke verbindtenis der voorgefteldedingen,we!kederedentenricht- fnoer' flrekt; naardien dezclve, nietgclyk dezinnen hetgegeevenegewaarwordt, inaar de voorwaardender mooglykheid deszelven, *t zy deeze al, dan niet , mede tot de gewaar- wordihg behooren, zich vertegenwoordigt. De reden befluit akyd volgends deeze grond* ftelling : wanncer lets vegeeven voorgejieldis, zo moeten ook de voorwaarden voorbandenzyn, (ook in geval deeze hyde gewaarwording nice vervat mogten zynofkondenweezen,) zon- der we/ ken dat gegeeven lets in 't gebeel met zou ben, bevor wir irgend einem Beweisgrunde trauea , oder uns darch denfelben iiberzeugen konncn. Die Vernunft priifet alles, fo gar fich felbfi:. Die nothwendige Verkniipfung in den vorgcftellten Blngen ift-es, welche die Vernunft leitet, indem fie nicht, wie die Sinne, das gegebene anfchauet, fon- dern die Bedingungen der Moglichkeit desfelben, fie mogen nun mit in der Anfchauung enchalrcn feyn oder nicht, denkt. Die Vernunft fchliesft jederzeit nach folgenden Grundfaze : tVennetwasgegebenift ^ fomus- fen anch die Bedingungen dafeyn (vvennfie auch gleicfi ilicht mit in der Anfchauung gegeben feyn folten, oder auch OVER GODS AANWEEZEN, EKZ. 187 zou hinnen beflaan. Deeze grondftelling is der reden met de daad wezenlyk cigen, en geldctcn opzichte van allevoorwerpender* zelve. Ennaardiendezelve tot nog vangecn wysgeer beftreden is, noch beilreden kan worden (#) zal ik my hicr met derzelver ont> (*) ; De grondflag van het .algcmeen geldende deezer (telling Is daarin gclegen , dat dezelve analytisch is, naardicu deze.'va niets ais het werk der reden nitdrukt, als zyiets denkt. Want iets is hec veelvuldige tot Eenheid verbonden. Eenheid is dienvolgends door het veelvuldige moogelyk, bygevolg vervac het veelvuldige de voorwanrde van het lets. Naardien nu elk veelvuldige wederora altyd op zich zelfs iets is , zo vervat die alvvcder voorwaarden en zoo vervolgends. Dan, of wyders de veelvnldige deelen de voorwaarden en wel de genoegzaame voorwaarden zyn , dit voorftel korat hier in 't geheel niet te paste. Wy wilden flechts de grondftelling bybrengen, vol- gends welke de reden ten alien tyde noodwendighandelenmoet, zoo, anch nicht gegeben warden konnten) okne wekhejenes gegebene Etwas gar nicht moglich //?. Diefes Gefetz ill der Vernunlt in der That wefentlich, und mufsvon alien Objekten der Vernunft gelten ; und da es noch von keinem Philofophen beflritten worden ifl , noch beftritten werden kann , (*) fo befafle rch mich hier mit *) Der grund der Allgemelngiiltigkelt diefes Satzea llegt darlnn^, dasf er analytifch ill , indem er nichts als das gefchaft der VernunfC ausdruckt, v/enn fie Etwas denkt. Dfinn Etwas 1st das Mannigfaki- ge zur Einheit verkniipft. Die Einheit wird a!fo durch das Man- igfaltige mogiich , folglich enthalt das mannigfultige dieBedingung des Etwas. Da nun aber jedes mannigfaltige wiederum jedereeitfiir iich etwas ift , fo enthalten lie wieder Bedingungen und fo fort. Ob iibrigens die mannigfaltigen Theile die Bedingungen und zwar die vollftandigen Bedingungen find: diefe Frage gehorc gar nieht hierher, "VV^ir wollea bios das Gefz arauhren , nach welchen, die Vernunft al- le- N 5 1 88 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE ontwikkeling en de bevestiginghaarerbon- digheid niet bezig houden , maardezelveals algemcen geldende, ten grondflage leggen. De reden heeft dienvolgends twee grond- ftellingen, volgends welken zy vanhetaan- weezen van eenig ding , geheel zeker kan overtuigdworden. Deezezyn: i.)degrond- fteiling der gewaarwording : wat een voor- werp van gewaarwording is of volgends rege* len zoo dra zy zich voorwerpen voorftelt. Ter bevesdging in 't voorbygarn , is reeds voldoende , dat zelfs de Aarts- Scentieus DAVID HUME deeze grond Helling toeflaat. KANT heeft de- zelve ook nergends aangetast. Eene andere, deeze gelykfchy- nende Celling, naamlyk: Jndien iets gegeeven [voorge- fteld] is, d?n moeten ook al deszelfs voorw^rrden, (door de gewaarwording of door ons verftand,) ge^eeven ofvoor* .,, gefteld zyn ;" heeft KANT, en wel met recht , beftreden. jnit feiner Entwikelung und der Begriindung feinef giiltigkeit nicht , foiidern fetze es als allgemein giiltig zum voraus. Die Vernunft hat daher zwei Grundfatze , nach wel- chen fie von dem Dafeyn eines Dinges ganz gewisf iiberzeugt warden kann. Diefe find i.) der Grund- fatz der Anfchauung. Was angefchauet wlrd^ oder Icmal nothwendig verfahren musf , fo bald Ce Obiektc denkt. Zur einft>veiligen Beuiatigung ift fchon hinreichend , dasf ihn felbft der Erzfkeptiker David Hume einraumt. Kant hat ihn ebenfals nijgend angegrifFen. Einen andern diefen aenlichfcheinenden Satz , nemlich : Wenn etwas gegeben ift, fo miifler^ auch alle feine Bedingungen der Anfchauung oder in unferm VerfUnde} gegebev feyn ," Jiat w Kant , und zwar mic Recht beftritten. OVER GODS AANWEEZEN, LNZ, 189 len van ondervinding zyn kan, is aanwee* fig, (*) En 2.) De grondftellingdernood- fcaaklyke famenhang ; Dat, wat men zich ah eene noodzaaklyke voorwaqrde, ah den rondjlag tier mooglykheid van een wezenlyk ejlnan bebbend ding , noodzaaklykalswczen* lyk worhanden , moot voorflellen , is even zoo, met de daad aanwe&ig (**}. Naardien de eer- (*), Deeze grondflelling loopt nach hec Idealismtis noch l;ec Scepticismus vooruic,- want volgends beiden wordt aan de.\ve- zenlykheid der gevvrgrvvordingen nice getwyfeiU, maar flGCli^s de wczc^lykheid van dat, vvat zich n jet laatg^ \yaarworden, bedreden , naamlyk de voprfteliing vi.n de gronden deezer ge- waarwordingcn. (**) Dienvolgends nietdat, wrt deze of gene als voorwaar* de van het aanweezen vrineenigciing, toevrliigdenkt, nirar de reden moec door het voorwerp zeive , door lets , dat met de daad beftaat, genoodzaakt worden , - - zoo da zy zich zelve zott tegenfpreeken , wanneer zy anders denken wiide, vach Regeln der ErfahrunQ angefcha.uet werde-n ifl wirklich: (*} und 2) der Griuidfatz der nothwen- digen Verkniipfuug : was ah elue nothwendigs Bedin- gung^ ah der Grund der Moglichkeit eines w irk lie hen Dinges nothwendiger Weife ah wirkllch gedacht wer- dsn musf i ifl ebenfals w irk lick. (**) Da der erfte fatz ^*) Diefer Grundfatz gr^ift weder dem Idealismus noch Skepti- cismus vor; denn beide zweifeln nicht an der Wirklichkeit derAnfchau- tingen , fondern befli eiten nur die Wirklichkeit desfen , was fich niche anfchauen lasft, nemlich die Vprilellung von den Griinden diefer Anfchauungen. (**_) Alfo nicht was diefer oderjenerals Bedingung der wirklich- keit eines Dinges zufalliger weife denkt, fondern die Vernurifc musf durch das Objekc felbft , durch etwas wirkliches , genSthigct werde t jBiusf ficii fv'luit wiedcrfprechcn wenn fie anders denkcn DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE eerfte (Idling ten bewyze voor het beftaari van God in 't geheel niet kan dienen, zo moeten alle mooglyke foorten van bewys voor het beftaan van God , op de twede ftelling , gegrond weezen , en wy hebben derhalven flechts tc onderzoeken , war de re- dcn uit kracht van dit grondbeginfel kan ver- richten. Alvorens moet ik echter nogaanmerken; 'dat men zeer wel moet onderfcheiden of men ten oogmcrke hebbe, flechts in't algemeen een onderfcheiden beftaan te bewyfen, dan wel het beftaan van een zeker in de voorftel- ling be f add voorwerp. Dus geeft al het aanweezen, "t wclk wy menfchen onmid- delyk ontdekken of waarneemen , ons be- voegd- fatz zu einem Beweife fiir das DafeynGottesgarnicht zu gebrauchen ift^ fo warden alle mogliche Beweife fur das Dafeyn Gottes , auf dem zweiten beruhea muflen , und wir werden nur dahiti zu fehen haben^ "was die Vernimft vermoge diefes Princips auszurich- ten im ftande ift. Zuvorderft musf icb aber nochbemerken, dasfman felir wohl unterfcheiden rails fe, ob man die Abficht habe, ein verichiedenes Dafeyn nur uberhaupt zu be- weifen , oder das Dafeyn eines gewiflen in der Vor* . ftellung leftlmmten Dinges. So berechtiget uns alles Dafeyn , welches wir Menfchen unmittelbar entdec- ken , auf ein verfchiedenes Dafeyn uberhaupt zu fchttes- OVE* GODS AANWEEZEN, ENS. 191 vocgdheid orn toteenonderfcheidenbeftaan in 't gemeen te befluiten , naardemaal nie- mand van ons en geen bcperkt wezcn hoe* genaamd , recht heeft om te waanen , dat hetzelve zich van het voorgeftelde met dc daad beftaan hebbend ding, voltedig,. dat is, van al deszelfs in-enuic-wendige gron den en wezenlyke voorwaarden bewust zy, welken dienvolgends altyd nog aanweezen iDQet worden toegekent. Dit is van de wys^ .geeren algemeen erkend : 7 t zy Idealisten of Materialisten, Sceptic! ofDogmatici, Athei's- tenofThe'isten, of hoe men henandersgc- liefc te noetnen. Want in ditgeval blyfthet onbeflist, of het in het ding zelfs voorhan- den zy, (hoewel ons nietvoorgeileldofook in 't gehcei niet voorftelbaar, ten minilea niet fen, well fich Niemand unter uns , und kein einge- fchrdnktes We fen iiberhaupt ruhmen kann^ dasf es fich cles gegebenen wirklichen Dinges vollftandlg d. h. aller feiner (innern und auflcrn) griinde and wefent-. lichen Bedingungen bewust wiire, denen alfo iedcr- zeit noch ein Dafeyn beigelegt vverden musf. Diefes ift allgemein von den Philofophen zugeftanden , fie mogen Idealiftcn oder Materialiftcn , Skeptiker oder Dogmatiker, Atheiften, Deiftcn oder Theillcn , oder, \vie man fie fonll will, heiilen. Denn in diefem falle bleibt es unentfchieden , ob es indem Dingefelb(l(nur nicht uns vorgcftellt, oder auch garnichtvorilellbar, wenigftens nicht anichaulich) oder von ihm ganzlich wnterfchieden fey, und was es an und fur fich, ohne :> DERDE ANTXVOORD OP DS VRAAGE Diet gewaa rwordclyk ;) dan of hetzelve daar- van gehecllyk onderlcheiden is, enw^athet op zich zelve buiten deszelfs betrekkingen en zonder aanmerkingvan hetdoorhetzelve beftaan hebbend ding voorhoedanigheden hebbe ; dan wanneer men het aanweezen van cen zeker, ofindcvoorftcllingreedsbepaald; of te bepaalend ding bewyzen wil, zo wil men riet flcchts bepaalen, dat dat ding van hec anderafzonderlykbeftaa, tnaarookwel- ke hoedanighcden hetzelve , zonder het daar- mede verbondene ding , pp zich zelve in ei- gendom behooren. Dus erkent elk reeds vanvooren, hetaanzynvanietsin > tgemeen > 't welk donderenblikfemveroorzaakt, dan of deezeoorzaak, de onmiddeiykewerking Gods of van zekere ftoffe en bcpaaldclyk van de eledrike ftoffe zy, en welke hoeda- feine Beziehungen und tins durch davsfelbe wirklichc Ding fur BcfchafFenheiten habe; Will man aber das Pvifeyn cinesgcwiflenin derVorflellungentwederfchon beftimmten oder noch zubellimiTiendenDingesbeweis- fen ; fo will man niclit blosbeftimmen , dasf das Ding von dem einen abgefoiidert exiitire, fondern aucli , was ihm fiir eigemhumliche BefchaiFcnheiren ohne je- nes mit ihm verkniipfte Ding, an und furficlizukom- men. So giebt jcdcrmann das Dafeyn eines etwas iiberhatipt welches den Donner und Blitz verurfacht, fchon a priori zu; ob aber diefc Urfache dieunmittel- bare hand Gottes oder cine materie, und ob es gcra- de die Elektriichc Materie fey, uiul was diele i'onft OVER GODS AANWEEZEN, ***. 193 frigheden deeze op zich zelve heeft , door wclken nog geheel andere verfchynfels dan de zoo even gemelden verklaard kunnen wor- den, om dit uitteinaaken wordt een geheel ander onderzoek vereischc. De zwaarighe- dcn beginnen ecrst dan , wanneereen van bet gegeevene, [yoorgeftelde] onderfcheiden aan* tveezen in 'tafgttrokken.' bepaaldmoetworden ; en de hoofdvraage is deeds , van waar zul* ke bepaalingen te ontleenen , by aldien niec , gelyk in hetgegeevenvoorbeeld, deonder* vinding zelve ons tot derzelver kcnnisfe ge- leidt? Er zou derhalven in 't geheel geen twist syn, byaldien mendevraagwegenshetaan*. zyn van den genoegzaamen grond , van dat f ft welk ons door waarneeming wordt voor- Jioch an und fur fich fiir Befchaffenheiten habe , aus -Welcher auch noch ganz andere Erfcheinungen, als die obert ervvahnten begreiflich werdeii; diefesauszu- mitteln werdeii ganz audere Wege erfordert. Alle rchwierigkeiten gehen nur erft da an, wenn era von dem gcgebenen verfchiedenes Dafeyn an und fiir fich beflimmt w'erden foil , und die Hauptfrage id immer, wo dergleichen Beftimmungen herzunehmen , wena uns nicht, wie ctwa in dem eben gegebenen Beifpie- le , die Erfahrung ielbft zur Erkenntnisf derfelbea verhilft? Es wiirde daher gar kein Streit feyn, wenn maa iic Frage wegen des Dafeyns des vollft^idigea Grua- dff, i p 4 DERDE ANT \VOORD o? r> VRAAGE gefteld, dus inrichtte: of 'er nogeenaan- weezenin'tgemeenvoorhanden zy, 'twelk van dac geen , 'c welk wy ons voorftellen , on- derfcheiden is , dan of wy denatuurder din- gen geheel volledig, volg;ends alle derzel- vergronden, en bun geheel wezen , verkla- ren kunnen , en ons omcrent dezelven in 'c geheel niets verborgen zy en blyven moet? want, hieromtrent ishet amwoord van al- le vvysgeeren, hoe verfchillendeen tegenftry- 'dig hunne overige grondilellingen ook zya mogen, eenftemmig, en loopen gemeenlyk hierop uk, dac de dingen gevvislyk eenea wezenlyken (reilen) grondhebben, wclken \vy zelfsnietvolledigbevacten, veelramge- waar kunnen worden , en welke innerlyk wezen ons voor altyd verborgen bly ft. Dan of des, dcsfcn was uns durch Erfuhnir.g gcgeben id, fo einrtchtete. Ob noch ein Dafeyn iiberhauprware, welches von dcm was wir uns vorftellcn , verfchieden ist , oder ob wir die Natnr dcr Dinge ganz vollllaudig ullen ihren Grliiiden und ihren ganzen Wefen nacher- klaren konntcn , und uns an ihneii ichlechterdings nichts Von ihncn verborgen feyn undbleibeii niiisie ? denu hier fallen alle Antworten der Weltweifcn , fo verfchie- den oder wiederfprechend ihre iibrigen Grundflltze feyn mogen , zufarnmen, und cndigen gemeinfchaft- lich in der Antwort, dasf die Dingc allerdings eineu realen grund haben, den wir nicht einmal volftaiidig denken , gcfchweige denn anfchauen konnen , und desfen inncres wefen uns auf immer verborgeu bleibE, Ob ovfcrt GODS AANWEEZEN; LNZ. of dit wezen niet ten minften eenigermaate door het gegeevcne of voorgeftclde bepaald kanworden, en hoedanig zulks bepaald moetworden hierover ftryden de wysgce* rcn , zo lange ; cr v/ysgeerte beoeffend is. . - t7 , - , . v ;, j Wyaers, zou ergeen oneenigneidonder de wysgeeren plaats hebben , byaldien men 2ich enkel, tot deeze vraag bepaalde ; of men dit door onze waarnceming in 't ge- heel nietgegeevene ofvoorgeftelde bcftaan, derwyze bepaalen konde , dat men de laat- fie of volftrekte gronden van alle dingen, welke wy kennen , in hetzel ve plaatile , en of men niet met recht kunrie beweeren, dac alle ons bekend gewordene hoedanigheden der ftoffc, en in J c gemeen alles 't welk wy door onze opmerking gewaar worden, de or* 5b aber dief^s WefcMi wenigftens nicht einiger masfejt aus dcm gegepenen beftiinmt werden kunne und wie es beftimuit werden music, dariiber ftreiteu die PUN lofoplicu 3 to laiig'c Philofopliie gewcfen ift. 1 Es wilrde fcrner rio'ch keine Uncinigkelt unter "deli AVeltweifeii ectdelieii , wcnn man bios antriige, o> man nicht diefes in unfrcr Erfahrung gar niclit gege- bene Dafcyn , fo ' bcftiinmen ! kounc , dasfmandieletz- ten und abfolliteri Griiifde von alien Dinge'n, welche wir erkciiiicten in .dnsfelbe vcrlcg'ie ? und ob man niclit mit Recht fagen koiiiic, alle lins V.ekamit gewordene Kigenlchaften der raatcrie , und allesuber^aupt, was wir (lurch luiierErkeniitiiis-vcrrnogciigevvalirvvcrden , O die 1 9 6 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE orde of wanorde, wyshcid, magt, goed- hcid, verftand enz. , indat onsnietvoorge- ftelde aanweezen gegrond zy? op dit voor* ilel , fcouden wy van alien kanten eene ge- lykluidende toeftemming ontvangen. Want noch PLATO, noch ZENO, noch SPINO- ZA, noch HUME, noch eenig ander Phi- lofoof heeffc immer iets andersbeweerd, of kunnen be weeren. Want als dan is het nog geheel onuitgemaakt > of dit aarrweezen een zelfftandigheid (Subftantie) of eene Hoedahig- heid, {Accidensd de voljftrekte Noodzaa- kelykheid of een verftandig wezen , iets een- vouwdigs of famengefteldt ; een of veele Byaldien dienvolgends een ding door voor- ftel- die Ordnung oder Unordnung , Weisbeit, Macht, Giite, VerRand u. f. w. fey in jencm uns nichtge- gebenen Dafeyn gegriindct? fo wiirde von alien Seiten her ein eiiiftimmiges Ja ertonen. Denn weder Plato noch Zeno 9 weder Spinoza noch Plume noch irgend ein anderer Philofoph hat jetnais etwas anders behaup- tet, noch behaupten konnen. Denn dabeyiftes noch ganz unbeftimmt , ob diefes Dafeyn eine Subftanz oder ein Accidenz, die abfolute Nothwendigkeit oder ein verftandiges VTefen , etwas einfaches oder zufammen geieztes, eins oder mehrere feyn ? Wenn alfo ein Ding durch vorflellung gegeben ift, des- OVER GODS AANWEEZEN, EN& 197 flelling gegeeven is , welks tnooglykheid of volledige in -en uit-wendige voorwaarden nice tevens medezyn voorgefteld, 20 zyn wy altyd bevoegd om tot het aanzyn van een, van het gegeeven onderfcheiden ding, beftaan, in't gcmeen, te befluiten, en.de hoedanigheden van het ding, 't welk als voorwaarde, het gegeevene ten grondc ftrektj te zoeken. Nu. doet zich nog flechts deezc vraagop, hoe het mooglykziy , de pre- dicate Van net ding, ^t welk als voorwaarde, van het gegeevene^gedacht wordt, derwyzc nittevinden dat dezelven met even die zeker- heid gekend worden , met welke het gegeeve- nc zeifs wordvertegenwoordigd? Die nu is flechts optweeerlei wyze nioogiyk , i) Voor- eerst, wanneer de ten grondeleggende voor- waar- 4csfcJi ISloglichkeit oder volldundige innere und ail- fere Dedingungen nicht zu gleichcrZcitmitvorgeftcllt werden, ib find wir jederzeit bercchtiget, auf ein von dent gegebeneii Binge verfehiedcnesDdfeynuber iiaupt zufchliesfert 9 und dicBcichafFenlieiten desDin^ ges, das als Dedingung dem gegebenen zum grunde liegt, zufuchciii Es entfteht niirmit dieFrage ? \vie cs moglich fey, die Prsedikate des jcnigen Binges, das als Be'dingung des gegebenen gedacht wird , fci ausfiindig zu niachen , dasf fie mit eben fo vieler ge- wisfheit erkaunt wcrden , als das gegebenefelbftvor- geftellt wird? Bicfes ift aber nur auf eine doppelte Art moglich 5 nemlich l) entweder dasf uns die zum O 2 Grim- i o 8 DERDE ANTWOORD o? i)E VUAACE waarde ons even eens gelyk het gegeevenfc' worde voorgcfteld , dat is , wanneer wy des- zelfs hoedanigheden door Opmerking (a pos- teriori) leeren kennen ; waafomtrent de Phy- fica, de Chymie, de Geneeskunde en Phy- chologie ons ontallyke voorbeelden opleve- ren ; ofte 2.) ons verftand eene kracht bezit , door welke het voor hetzelve reeds op zich zel ve mooglyk is de hoedanigheden der voor- waardc van het gegeeven ding te kennen , tender dat het aan hetzelve door empirifce gewaarworcling worde voorgefteld, dat is, a priori. Want 'er zy n geen meer bronnen onzerkennis, dandedingen, welke op on- ze zinnen werken, enonsveritandvolgends deszelfs produdive kracht. Nu Grunde liegendc Bedi'ngung ebenfalls gegebcn wcrdc, d. h. wir lernen deslcn BefchafFenheiten dutch Erfali* rung (a pofteriori)erkcnneiirf Phyfik, Chymie, Arz- neikunde und Pfychologic geben uiiendliche B-eifpiels hiervon; oder 2) unier Erkenntnisvcrmogen rausf eine Kraft befitzen, wodurch es ihm feh'on an ficlial^- lein uioglich ift, die iJefchiriFenheiten der Bedinguni: eincs gegebenen Dingcs zn crkcnnen aline dasf ihm folchcs durch cmpiriiche Anfchauung gegebcn wird d. h. a priori. Denn cs gicbt nicht mehr quellcn unfrcr Erkcnntnis als die Dinge , welchc auf imfre iinne \virken , und das Erkeimtuis vcrniogeu ielbfc fciner produktiven kraft nadir Nua OVER GODS AANWEEZEN, BNZ. 199 Nu kunnen wel is waar, dc hoedanighe- 4en van ecu ding a posteriori gekend wor^ den; maardat bet tot een andcr, als zync oorzaak behoore, kannimmer alleprmiw- teriori gekend \yorden, Hiertoe mo^t pfeen grond a priori voorhanden zyn , of 'er is in't geheel geen kennis van zodanig een objeftif verband. mooglyk. Van hier, dat'erakyd een kcnmerk 'c welk de oorzaaken van de werkingonderfcheid, a priori bekendmoet weezen, ten einde men een zeker merkte- ken hebbe om de dingen in de opmerking daardoor aaneentehechten. Ten aanzien van de zinlyke voorwerpen is ? er gewislyk alcyd zoodanig een merkce- ken a priori , door 'c welk de oorzaak van Jiaar uitwerkfel genoegzaam wordt onder- Nun konnen zwar die UefchafFenlieiteu eines DingeS; a pofteriori erkannt werden ; dasf es aber zu einem anderji als feine Urfache gehore , kaminiemalvSalleina posteriori erkannt werden; fondern hierzu musf ent- weder ein Grund a priori vorhanden feyn, oder es id gar keineErkeuntnisf-von einer folchen objektiveii Ver^ Icniipfung maglich. Daher musf ein Kennzeichen ^ welches die Urfachen von der Wirkungunterfcheidet^. jederzeit a priori b.ekannt feyn , damit man ein ficher res merkmal babe die Dinge in derErfahruugdadiirch zu verkniipfen* Es giebt abcr in Anfehung der fninlichen Objekte o i- aco DERDE ANTWOORD OPDE VRAAGE fcheiden. Dit merktekon, naamlyk, dat de oorzaak van een gegeeven uitwerkzel, dit voorval is, 't welk haar noodzaaklyk al- ty d in ty d-orde voorgaat. Wy behoeven al- zo in de waarneeming, onze opmerkzaam- heid flechtsop zodanige voorwerpenteves- tigen, welke eenig verfchynfel voorgaan, en ondcr de veelvuldige voorvallen welke voorgaan flechts die optemerken, by wel ker wechneeming alleen, ook het uitwerk- fel wordt wechgenomen , ten einde deszelfs oorzaak uittevinden. Derzelver hoedanig- heden worden als dan door verdere waar- neeming gekend. Men kan echter van eene oorzaak in de zinnelyke waereld , a priori In 't geheel niets meer leeren kennen , dan dat dezclve in tydorde , volgends eenen re- gel, i allerditigs ein folches merkmal a priori, wodurchdie Urfaclie von ihrer Wirkung hinlanglich unterfchieden \vird. Diefes ift das Merkmal dasf die Urfache einer gegebenen Wirkupg die jenige Begebenheit fey, wel- che nothwendig allemal in dcr Zek vor ihr vorher geht. Wir durfen alfo unfre Aufmerkfamkeit in der Erfahrung nur auf die jenigen Objekte richten , die vor einer Erfcheimmg vorhergehen , und unter den mannigfaltigen Begebcnheiren die vorhergehen 3 dieje- nige bemerken, bey deren aileinigen Aufhebungauch die Wirkung aufgehoben wird, urn die Urfache der- felben ausfindig zu m.achen. Hire Uefchaffenheiten werden fodann durch weitcre Erfahrung erkannt. Es kaan aber von einer Urfache in der Sin nen welt fchlech- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 20* gel , haar uitwerkfel moet voorgaan : der- fcelver overige hoedanighedcn mocten alleen door waarneeming ontdekt worden. Is nil echter het ding, ? t welk menwilleerenken- ncn, van die gefteldheid, dat hetzelvein't geheel niet zinlyk kan worden waargeno- jnen, zokunnenookzelfsdeeze Predicaten niet a priori van hetzelve gefteld worden , en naardien alle ons bekendc Predicaten, wanneer dezelven reeel zyn en eenen inhoud hebben, lets eigen is, \ welk in de zinlyke gewaarwording daar aan beant woord en dee* ze voorwaarde by bovenzinlyke dingen vol- ftrekt vastgefleld is, dat dezelven metszin- lyks bevatten, zo fchynt het, als of wy, noch a priori, noch a posteriori, iets van de- kunnen leeren kennen. Wan* fchlechterdings gar nichts welter a priori erkannt wer* den, als dasf fie in der Zeit nach einer Regel vor ihrer wirkung vorhergehen muffe : ihre ubrigen Be- ilimmungen musf allein Erfahrung lehren. Ift nun aber das zuerkcnnende Ding von der Bcfcbaffenheit, dasf es gar nicht finnlich angefchauet werden kann , fo konnen auch felbft diefe Praedikate nicht a prio- ri von ihm ausgefagt werden , und da alien uns be- kannten Praedikaten , wenn lie real find und einem Inhale haben, etwas in der finnlichen anfchauung ent- fpricht, und diefe Bedingung beiiiberiinnlichen din- gen fchlechterdings gethacht ift, dasf lie nichts flnn- liches enthalten , ' fo fcheint es als konten wir weder a priori noch a posteriori etwas von ihnen erkennen. O 4 Wenn so* DEKDE ANTWOQRD or DE VRAAGE Wanneer een vcrfchynfel in de waereld yordt waargenornen, zobefluitmen, welis \vaar , in het algemeen , dat lets in het voor- j gaandc , alsdcszelisoorzaak voorhanden zyn moete, dock deeze oorzaak geheel^ priori Bonder waarneeming , op zich zelve be* fchouwd, tebepaalen, kan nimmer plaats hebben. Dat dagen nachtdcordeomwen- teling dcr aarde, het ys doorcene zekerege- Iteldheici der lucht, dc voottteeling der die- rien door de werking v^nden byilaap vcroor- zaakt worden , kan geen niensch a -priori weeien. \Vy kunnen hier nietsanders doen , als onder deonmiddelyk volgende waarnee- ming voorgaande vcrfchynfden, die uitte- zoeken , by welker nice zyn , ook het aan- weezen van het verfchynfe! /t welk verklaard jnoec' worclen , geen plaats zou hcbbcn. Dan, TTenn einc EiTclicinung in der Welt wabrgcnom- mcn wirdj fo fchlied man zwar in' allgemeincn ,' chsf ct\vas in den Vorbcrgchenden als ihrc Urtache enthalten fcyn tirasru , aber ^diefe Urfucbe giinzlich a priori obnc hllc 'Erfahrung an und flir fich bctrachtet in bcflim'meu,' kann ni6mals vcrlhttctwerden. Dasf ,T/ag uncl Nacbr du'rch'die b'dbndcre Bewegung der "prde; d'as Eis durcb cine gcwisio Temperatur der Luft;' die Efzc'ugung dcir Tliiere durch die IlandLung tics Dcitchlafs veriirfaclit werclen , kan kein nicnfch a 'priori wisfun. Wir koniieti liter nicbts tbun , als ii ntcr den unmittelbar in der Erfahriing vorbergeben- den Ericheiniingendicjenieen lierausfuchcii ? bey dereii Nicht- OVER GOBS AANWEEZEN, ENZ. 2 03 Dan , zoekerr wy niet meer na de kennis van dieoorzaaken in de zinnelyke waereld, welke deeds weder andereoorzaaken buiterv zich hebben , maar begeeren wy deoorzaa- ken der verfchynfels zeifs, wclke oorzaa- ken geen verfchy nfels meer zy n , en als zo- danig ook niet tot de zinnelyke waereld be- hooren, en by gevolg ook derzelver algc- meene voorwaarden in 't geheel niet meer onderworpenzyn, optefpooren, zofchy- nen ons alle vermogens omzodanige kennis te bekomen, ganichelyk te oncbreeken. "VVant, hoewel ook een van de zinnelyke wae- reld, voor zo ver dezelve ons voorgefteld wordt , onderfcbeiden aanweezen algcmeen wordt toegeilaan, zo is de vraag met datal, yaar door en hoedanig wy hetzelve zullen be- Nichtfeyn auch -das Dafeyn der Erfcheinung , die eiv* Jkljirt werden foil, nicht crfolgt. Streben wir aber iiicht mehr nach der Erkenntnisf der Urfachen in der, Sinnenwelt , die jederzeit wiederum andere Urfachen iiufTer fich haben , fonder.n wollen wir die Urfachen der Erfcheimingen felbd, die nicht mehrErfcheinun- gen find, und als folche auctj gar uicht zur Sinnen- welt gehoren und folglich auch gar nicht ihren allgc- meinften Bedingungen unterworfen find, erforfchen; fo fcheinen mis alle Kr^fte eine folche Erkeniituisf ziv Standezubringen , ?ufehlen. Deim \vie auch ein von der Sinnenwelt, fo fern fie, von tins yorgeftellt wird, yerfchicdenes Dafeyn allgemein zugcgeben werdcrx. musf, fo fnigt fich dennoch , woduvcli und \vJe fol- 9 ? - to DERDE ANTWOORD OP DE VRMGE bepaalen? Zegtgyflechts: in dat, watwy niet aanfchouwen, wat den volftrekten grond der zinnelyke waereld be vat, is de zinnelyke waereld zelye niet alle haare in- licdtingen en vastftellingen, de beweeging 20 wel als hetdenken, gegrondt, zo hebt gy uwe gedachten wel juist ontwikkeld en geen tegenfpraak te duchten , maar gy zyt niets gevorderd, naardien by zodanigeene verklaaring nog deeds onbepaald blyft of deeze laatfte grond de natuur zelve of iets van dezelveonderfcheiden, zy; ofzodanig een wezen faamgefteld of eenvouwdig r ver- ftandig of niet verftandigis, eene onbepaal- de of eene bepaalde magt hebbe, met een woord God of niet God zy, 'twelkgytoch eigcnlyk begeerd te weeten* TWEE- len wir es beflimmen ? Wollet ihr bios fagen : in dem , was wir nicht anfchauen , was den abiblutcn grund der Sinncnwclt cnthalt, ift die Sinnenwelt felbft mit tillen ihren Ordnungeii und Einrichtungen , das Be- ,wegen fo wol als das denken gegriindet, fo habetihr cure Gedanken zwar ricbtig entwikelt undkeinenwie- dcrfpruch zufiirchten; aber ihr habt auch nichts ge- wonncn, indem cs bey einer folcbcn Erklarung noch jmmer unbeftimmt blcibt , ob diefcr lezte Grund die Natur felbft , oder von ihr verfchieden ; ob ein folches We fen einfach oderzufammengefezt, vernunftigoder nicht vernunftig, an inacht unbefchninkt oder be- fchrankt , mit einem Worte ein Gott oder kein Gott fey: welches ihr doch eigcntlich wisfen wollt. ZWEI- OVER GODS A AN WEE ZEN, ENZ. 205 TWEEDE AFDEELING, Over allc moogelyke wyzen om het beftaan God door de Reden te bewyzen* lie erkendtenis van waarlyk zyn door derede, ook wanneer zulks eene er- endtenis a priori is, moet toch altyd in de eerfte plaats opvoorvallengegrondweezen; \ zy nu dat deeze voorvallen , denkbeelden of gewaarwordingen van buiten of van bin- nen zyn. Dienvolgends moet ook het ver- band van het aanweezenGodsmet eenig voor- val, noodzaaklyk door derede worden in- ZWEITER ABSCHNITT. Ueber alh mogllche Arten das Dafeyn Gottes durch Fernunjt zubewelsfen* A lies furwabrhalren durch Vernunft , wenn es gleich ein Furvvahrhaltcnaprioriift, musffich zu erft doch allemal auf thatfachen grimden; diefe Thatfachen mogen nun Begriffe , oder Anfchauungeti oder Empilndungcn feyn. Daher musf auchdie Ver- liuupfung des gottlichen Dafeyns mit irgend einer That- fache nothwendiger Weife durch Vernunft eingefeheu werden, wenn der, Bewei$f dafiir nichteineleereChi- jna- DERDE ANTWOORD OP ^ VRAAGE gezien, byaldien het bewys voor het be* Itaan van God geene enkele hersfenfchitn sal weezen. Alle bewyzen voor het aan- \vee&en van God moeten dienvolgends aan- toonen dat de Godheid als voorwerp ; met eenig voorval, in noodwendig vcrband fta. ]S T u zyn 'er flechtstwcerlei(geheelongelyk- foortige) voorvallen, waarvan wy denk- fceelden hebben; tc weeten: voorwerpen der zinnen, (van de innerlyke en vande ui- terlyl^e ^ welker famenyoeging Natuur heet en Vryheid (*) Dienvolgpnds; moetderede het C*) Dat de Natuur of de voorwerpen dervzinnen voorvnl, (fd&iimj is, znl wel door niemand ontkeud worden ; maardac tie vryheid voorval , (faftuni) is , kan by fommigen aan twy- feling onderworpen weezen. Onderttisfchen is de zedelyke wet, toch een onloochenbaar faftuiii, naardien men dezelve aan pare fcyn foil. Allt? Beweisfe fiir das Dafeyn Gottes iniisfen alio qcigcn , dasl* die Gotth.eit als Objektmit irgend einer Thatfache in einer nothwendigen Ver- kiulpfung flehe. Nun giebt es aber nur zweierlci (ganz ungleich artige) Thatfachen , wo von wir Be- griffe haben nemlich, gegenftiiii^e dcr Sinne (clcs in- riern und des ausfenO deren in begriff Natur heift, und Frsihsit. (?) Dahcr musf die Vernunft die Ver- kniip- C*) Dasf Natnr oder gegenfcande der finne tbatfache fey, modi- t2 wol vo'i Nie/nanden" be.arittfen v/erdfen; dasf a'>er die Freiheit 'fhatfachc fey, mochte vieileicht bey einigen zweifel erregen. In dpsfen lib doch das moralifche gefetz ein unbezweifeltes Faktum, veil man c jc.l?m vorlegen kann, und durch dcisitlb^ 4ie prakt^f fciu Ve.-nunft fdbll. ' Und' da das 'moralifche 'Gefetz' gewlsfe Hand- ovsa. GODS AANWEEZEN, wt. 207 het verband van het Godlyk wezen of met de Natuur of met de Vryheid, welke het wezen der praftifcherede (*)uitmaakt, in* 2ien. Vermits nu de weetenfchap van dat wat ann elk knn voorftellen , en^daardoor is de praftifche redezel- ve zodanig. En naardien de iz'cdelyke wet zekere bedfyven ge- bied, welke niet ariders , als door -fieri e van alle oorzaaken en van de zjnnclyke waercld onderfcheidene en onafhanglyfce oor- zaaklykheid, welke wy Vr'yhcid noemeh, mooglyk zyn , zo . volg^dat de rede zelve ook deeze kracht of oorzaakelvkheid hecft en met de rede en haare onmiddelyke werkingen zelfs is gcgeeven. 't Is hier de plaats niet deeze ftoffe breeder ta ontwikkclen , .ik'heb my dcihalven alleenlyk op dat geen tc beroepen , 't wclk zo wel in de Critik der reinen , als der tyd8ifchen Pernunft, als mede in de Metaphyfik der Sitten, (alien van KANT,) op verfclieiden plaatfen des aaugaandege- zegd is. (*) Wegehs de nitdrukking, praftifche rede zyn in de Ver- (iandeling getyteld: ZENO, wer on^eloof en Zeden ^ bl. pen kniipfung des gottlichen WefensentwedermitderNa- tur oder mit der Freiheit welche das Wefen derprak- tifclien Vernunft (*) ausmacht einfehen. Da nun die "VVisfenfchaft desfen was von der Freiheit abhangt. Mo- lufigen gebietet , die nlcht anders moglich find , als durch ei alien Urfachen und der Sinnenwelt verfchiedene und unabhangige Causfalitat die wir Freiheit nennen , fo hat die Vernunft felbft auch wirklich diefe Kraft oder Caiisfalitac, und ift mit der Vernunft oder ihren linmittelbaren Wirkungea felbft gegeben. Die fache hierwei- cer auszufiihren , ift nicht der Ort , und ich musf mich deshalb auf das berufen , was zo wohl in des Critik der Reinen als der Praktifchfn , ingleichen in der Mttaphyjik der Sitten an mehrern ftel?- len gefagt worden ift. C*^ Ueberd?n Ausdruk der prajttifehen fefnunft find in der Schrift ; ZenQ. Over Ongeloof en Zed en S. i:<. und an mehrern ftellen eini- ge zweifel yorgelegt, Darnit felbi^je n.ic.ht etw4 auch pisine Bear- DERDE ANTWQORD OP DE VRAAGE wat de Vryhcid betreft Zedehmde, en van dat wat de werkingen dcr Natuur betreft, Natuurkunde in de uitgebreidfte betekenis genoemd wordt, zo volgtdatallebewyzen, voor het aanweefcen der Gcxiheid ten laat- ften , of op de Natuurkunde of op de Zede- kunde gegrond moeten weezen ; want deeze weetenfchappen bevatten alle de fafia wel- ke immer tot onze kennis kunnen komen* Het elders, eenige bedenkingen voorgetield. Ten cin^e deeze nu ook veelligt myne Beoordeelaars niet ophouden , zal ik eene Icleine proeve neemen ; om dezelven wechteruimen. Vooreerst vra?gc de Schryver, wat men eigenlyk door depraclifche rede te verftaan hebbe, of enkel het redelyk verftand in 't gemeen ^ toegepast op voorwerpen van den wil, of hecpraftischvenno- gen van het fpeculatiye, geheel en al onderfcheiden zy, en of wy eiikel door een eigenfoortig en geheel byzonder gevoel , daarvan het denkbeeld vcikrygen? Myn antwoord is , naardien \vyaUekrachten enkel en alleen vdlgends derzelver uitwerkingen on- desfen aber was Wirkung der Naturift, Na- turwisfenfchaft oder Phyfik im weitern Sinncheiil, fa wcrclcn alle Beweisfe fiir das Dafeyn Gottes flch zu- lezt entweder auf die Phyfik oder auf die Moral fliit- zen raiisfeti ; denn diefe AVisfenfchaften enthaltenai- le Fafta, die je zu unferer Erkenntnisfgelangenkon- nen. Der eine Beweisf fchliesfl alfo auf das guttli- che theilers aufhalten , fo will ich einen kurzen Verfuch machen fie zu heben. Zucrft fragt der Verfas'fer ; was man eigentlich unter der J)raktifchen Vornunft zu verftehen habe, ob bios den gemeinen Ver- ftand , angewandt auf die Vorwiirfe des willens , ob fie vonderfpe- kulativcn ganz verfchieden fey, und ob der Begriff davon uns bios d.rch ein, etgcntliiimlicjies und gltiiz befonderes GefiilU zugetiihrt OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. Het eene bewys bcfluit dien volgends tot het beftaan van God, uit de denkbeelden van de natuur, het ander uit die van dezedekun- de. Tusfchen beide foorten van bewys is een zeer groot en wezenlyk onderfcheid; Want het eerfte moet de oogmerken van het theoretisch vermogen der rede voldoen , het laatfte fkchts de bcdoelingen van het pra&isch. De bedoeling van het theoretisch ver > onderfcheiden , zonder verder te weeten, wasrin de eigenlyke natuur der dingen beilant , in welke deeze krr.chten^nn\\ cezcn hebbcn, zo moeten wy, natuurlyker wyze, ook die krachc welke prnftifche rede gcnoemd wordc , wanncer nr.n dczelve zekerc werkingen wordt toegekcnd , welke van de werkingcu die men aan het redelyk verlhnd in 't gem ecu, en debefchou* wende redct toefchryft, onderfcbeiden zyn, dezelvc ook van laaatllgenoemde krachten onderfcheiden. Nu is inrniddels de pra<5tifche rede de grond der mooglykheid v?.n vrye betiry- ven, of de krachc welke vrye bcdryvenvoortbrengt. Dewer- kin- che Dafeyn nus -don I'egrifFe der Natur , der andere aus dcm Bcgriffe der Moral', zwiichen beiden Bevveis- fcsartcn findet ein fehr grosfcr und wefcntlicher Uii- terfchied {hut. Dcnn die erftere foil die zweke des theorctifchcn Vernunft vermogens befrieciigen; die leztere nber nur die zweke des praktifchen. Derzwck des theoretifchen Verntinft vennugens ill aber, ztter- werde? Ich afttworte^ da wk alle Krafte lediglich und alfein nach ihren wirkungen unterfcheiden , ohne weiter zu v/isfen , worinne die eigentliche Natur der Dinge beilehe, \vorinne diefe Krafte wirkjich find, fo miisfen wir natiirlicher wcisfe auch idie Kraft , welcheprak- tifche Vernunft hei^t, wenn ihr gewisie wirkungen beigelegt \/er- den, dje yon den wirkungen f die wan gemein^n VrftandQ udder ft io DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE vermogen der rede is te verklaaren en te be* grypen , de bedoeiing van hec pra&ifch werk* zaamte zyn. Wanneermenhetbeftaanvan God theorctifch bewyzen wil, zo wil men uit de erkendtenis derzelven de natuur ver- klaareu, dat is, de wyze haarer moogl^k- heid uit het denkbeeld van God inzien. Maar wil men flechts pra&ifch bewyzen , zo be- fcingen der befchouwende rede zo wel als van 't rcdelyk ver* Hand in 't geraeen daarentegen beftaan eiikel in beoordeelingen heist cben fo vicf, OVER GODS AANWEEZEN, "X feegeert men flechts zo veel van God te wee- ten als vereifcht wordt, om zekere daaden re- ivoordigen , maar of iiilkS intvoerlyk dat is , reeel motfglyk zy, kan een menfch even rain vveeten, als hy kan weeten of 'er tusfchen den mensch en den aap nog duizend foorten van dieren mooglyk zyn. Het denkbeeld van praftifcheredebeko- men wy even zo, gelyk het denkbeeld van elkeandere krachf , naamlylt door derzelvcr werkingen , In dit geval $ door het voorftel of gegeevene der vrye bedryveni L>e tweede vraag, welke in gemelde verhandeling {5ag. 10. xvordt voorgefteld , raakt my eigenlyk niet. Ik zal intusfchen flechts aanmerken dat de toepasfing der daar voorgedragene regel op enkele voorvallen zeer gemaklyk is , zo ras men der- r.elver bedoeling bebqorlyk inziet. Dezelve leert naamlyk noch bcdoelingen^ noch middelert'i maar beflist, wannaer men de bedoelingen 1 en middelen , of de ftof orizer bedryven kent , of bedoeling en middel z'edelyk zyn. Dezelve zyn dat , wan- neer bedoeling en middelen, algemeen, dat is, zonder dat eeni- ITandliingen vernuiifciger Weife t\i \vollen , o'def die fpekulative Vernunfc mit der praktifchen in Ucberein- ftim- als ob ein wcfcn bios Krafte verniinftig zu erkcnnen ohne krafte das ^erniiunfdg .erkannte auch wirklicli zu inacben oder verniinftjg i\i handcln haben konne. Diefes liisil ilch nun zwar ohne alien wi^- dsrlpruch deiiken ; ob es aber ausfiihrbar, d. h. rcaliter moglich fey; kann ein mensch eben fo wcnig wisfan , als ob noch zwifchen dem ^menfchen und affen caufenderlei Thierklas fen moglich find. Der Begriff von der praktifcHen Vernunfc vvird uns aber (b wie der Be- griff elner jeden Kraft durch ihre vvirkiingen * d. h. durch die Auf- gabe der frcien Handfungen zugefuhrt. Die zwelte Fra?e, die dort aufgeworfen wird p. 10. gcht mich eigentlich hier nichts an. Ich \vili inJesfen mir bemerken . dasf lie Anwendung der dort aufgeitellteu Fo'rmel auf einzelne Fiille fehr Jeicht wird, Jrb bald man nur ihren zweck gehorig erwegt. Siefoll nemlich weder ziveckc und Mittel lohren ; fondern nur , nach dem man zwecke uad Mittel oder die Macerie uafrer Handlungen crkann't iwc ? eatfcheiden , ob avt'eck uai ni. ; c;-j[ maralifch find. Sie Und !"> abec a 1 2 DERDE ANTWOORD OP DB VRAAGE redelyker wyze te willen , of de befchou- wende met de pradifche rede in overeenftem- ming X* ecnige rmderc zedelyke bedoeling en micldel lets ontnomcn worde, vcrkozen en gebruikt kunnen worden. Ik ftel my by voorbeeld, eene bedoeling voor, Gclukza- . ligheid, en vrang of ik als een zedelyk wezen, my dezelve tot bedoeling kaa mnakcn? myn hoofdregel antwoord : Ja , zekerlyk, maar flechts zodanige gelukzaligheid, door welke de gelukzaligheid van anderen door uwen wil , geen nadeel toe- gebrngc worde. Hierdoor heb ik tevens een zekeren toets- fteen voor de zedelykheid van alle middelen leidende tot dee- ze bedoeling. Wat eindelyk ten der den > de betaking betreft , ofdeprao tifche rede met de daad een /##/ a priori , dan of dezelve enkel eene verbeelding zy, dezelve vereischt een wydloopiger onderzoek dan het beftek dezer verhandeling toelaat. By al- dien intusfchen getoond kan worden, gelyk KANTzich vleit, dat ftimmung zn bringen , fo dasf die Einflcbt def erfre- ren niit den gefezen iiiidHandlungenderletztereiinicht im wiederfpruche fleht. Der aber mlsdenn iroralifch , u^enn zwecke und mittel alfgemem d. h. ohne dasf irgend einem andern moralifche zv/ecke und mitte! genommen v/erden, erwahlt und gebraucht wcrden konnen. Ich erkenne Z- B. einen zweck Gliikfeligkeit; ich frage ob ich mir diefe als ein moralifches Wefen zum zwecke machen konne ? meine Forme! antwortet o ! ja aber nur eine folche Gliikfeligkeit , wodurch die d?r Gliikfeligkeit anderer durch deinen willen keinen Abbruch thuft. Hierdurch habe ich zugleich einen fichern PriifHein fur die Moralitat alles mittel zu diefem zwecke. Was endlich drittens die sweifel anbetrift, ob die praktifche Ver- nunft wirklich ein faktum a priori , oder ob felbige eine blosfe Einbildung fey , fo bedarf diefes cincr weitlauftigern Erorterung * als hier gegeben werden kann. Wenn indesfen gezeigt \verden kann , wie Kant fich fchmeichelt . dasf diefes wirklich in der critik der praktifchen Vernunft gefchehen fey, dasf jenes allgemeine ge- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. ttiing te brengen, derwyze dat het uitficht der eerften met de wetten en daaden derlaat* ften niet flryde. Het denkbeeld der natutir mi, is of het denkbeeld van een' natuur in >c algemeen , of het onbepaalde denkbeeld van een' wae- reld , of het door onze waarneeming be- paalde denkbeeld van eene zinnelyke wae- reld, waaruit tot het aanweezen van God befloten wordt De twee eerfle denkbeel- den ctat zulks in de critik cler praftifchen Vcrmtnft met de daad gefchicd zy, dat genoemde algemeene \vet, werklyk uit het denkbeeld eener 'werkende reds analytifch voortvloeit , zo zou- den alle in gemelde verliandelinge voorgedragen bedenkingen , flechts daarpp uitloopen, of meii de wetten der neigingen, of die der rede meerdcr te volgen hebbe , of het beter zy zich nan de rede of aan de neiging te onderwerpen ? Als wanneer naar myn inzien j de ftryd geinaklyk te beflisfen is. DerBegriffder Natlir isf nun entweder der Begriff einer natur uberhaupt; oder der unbeflimrate Begriff einerWcIt, oder der durch linfere Erfahrung be- ftimmte BegrifFe einer Sinnevvelt; aus welchen -auf das Dafeyn Gottes gefchlofTen wird. Die beiden er- ilen Begnffen find metaphyfifch , imd fie grunden den metaphyfifch ontologifchcn- und metaphyfifch kosmo- lo- fez wlrklich aus dent Begriffe einer hdndelnden Vernunft analytifch fliesft; fo wiirden 'alle in -jener Schrift auf^edellten Einwurfe nur darauf hinauslaufen , ob man den Gefetzen der Neigungen oder den .Gefetzeii der Vernunft mchr folgen nnisfe , ob es alfo besfer fey fich der Vermmfc oder der Ncignng zu unterwerfen 7 zo, diinkt der Screit leicjit zu entfchelden ift* P 2 i 4 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAOE den zyn metdphy fik en de gronden Van het jrietaphyfikontologisehe en van het meta- phyfisch kosmologische bewys. Dan dat beiden fofistisch zyn is niet flechts in de Cr#/getoond, maarzulks is ook door het grootste gedeelte der Wysgeeren zodanig bevonden. Derzelver fubtiiiteit is ook zo groot, dat byaldien dezelven ook meerder vastheid hadden, dezelven des niettegen- ftaande buiten eenige fchoolgeleerden , door niemand zouden bevat worden en dienvol- gens voor menfchen van enkel gezond ver- ftand, geheel onbruikbaar zyn zouden. Daarentegen is het denkbeeld van de nay tuur, voor zo ver hetzelve door waarnee- ming wordt voortgebragt en bepaald , niet flechts op zichzelveveelvruchtbaarer, maar Iietzelve fchynt ook veel meerder en veel be- logifchen beweis. Beide find nicht nur in de Critik fondcrn aucb -fonst von dem gFosften Theile der Ph\- lofophen als fophiftifch befunden worden. Die fub- tilitiit der tclben ist auch'fo grosf^ dasf wen fie auch fclbft mehr feftigkeit hiittcn , fie den noch auffer eini . gen fchulgelehrten , memanden bekan-nt werde-nkonn- tcn und alfo ohne alle Brauebarkeitfurmenfchen voti blosfen gefunden verilande feyn warden. Dagegen ist des Begriff von der Natur , fo derfclbe durch Erfahrung erzeugt und befthnmt wird, nicht nur an fieh weit fruchtbarer, foiidera erfcheinc auch OVER GODS AANWEEZEN, BNZ. 215* bevatlyker predicaten ter bepaaling van het oorfpronglyk weezen te bevatten. Nu ontdekken wy in de zinnelyke waereld of in de natuur tweeerleien zarnenhang, vol- gends welker aaneenfchakeling wy tot het denkbeeld van eene volftrekte oorzaak ge- raaken kunnen. Vooreerst ; de famenhang der werkende oorzaaken, (nexus cffeflivus) vol- gends welken elk ding in de waereld zyne oor- zaak heeft , door welke het tot aanweezen ge- komen is , waaromtrent het redelyk gebruik of deoogmerken deezer dingengeheel buiten opmerking blyven en enkel demooglykheid van het aanweezen in overweeging komt. Omtrent deezen famenhang, welke enkel mechanik is , is de Natuurkunde eigenlyk al- leen bezig. Phyfica, chymie, pfycholo- aucb welt mehr und weit verftandlicliere Pr^edikate zur Beflimmung des Urvvefens zu enthalten. Wir treffen aber in der Sinncwelt oder in der Natur eincn doppelten zufammenhang an, an deflen Kette wir zu dem BegrifFe eines abfoluten Grundes gelangen konnen* Einmal einen zufammenhang der wirkenden urfach$n ( nexus cffectivus ) nach welchen eiu iedes ding in der Welt feine Urfache hat, durch die es zur Wirklichkeit gelanget ifl, wobei gar niclit von dem vernunftigen Gebrauche oder von deu ^wecken diefer dinge die rede ifl:, fp.ndern bios von der moglicbl^eit ihres Dafeyns. Um diefen zuzammenhang, der* bios mechanisch ift, bekiimmert fich die Naturwiflenfchaft dgentlich ganz allein. Naturlehre, Chemie, Pfy- JP 3 51 6 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE gic hebbendeezen famenhang geheelalleen ten voorwerpe: - De oorzaaken vanhet onweder, van warmte en koude , van aardbeeving, van de verwisfeling van luchts* gefleldheid en wjnden, van devorming aer metaalen en der verfchillendekoleuren, 2uurenenzQuten,zoook de leevendigheid ofduidelykheid der voorftellingen , de he- vigheid der hartstochten en aandoenin- gen, enz. worden onderzocht, met gan- fchelyke ter zy deflelling van de bedoelingen deezer uitwerkfels, Deeze famenhang der \verkende oorzaaken kan ons, wel is waar, tot het denkbeeld van eene opperfle en on- voorwaardelyk of onveroorzaaktwerkende oorzaakleiden^en de wezenlykheid aan zo- danig eene werktuiglyke (mechanike) por- ^aakin ^tgerneenmetrechtdoenvastftellen , maar cliplogie haben ganz alfein diefen zuznmmenhang zu ihrem vorwurfe die UiHichen dcs Donners - der Wiirme und Kalte,' der Erdbeben , der Abwech- felung der Witterung und Winde, die UiTachen des Meffings und der verfchiedeue Farben , Sauren und Salze ingleichen der Lebhaftigkeit oder klarheit der Vorftellungen , der Heftigkeit der Leidenfchaften und Gefiihle u. f. w. wcrdcn unterfucht ohne alle Einmi- fchung von zweckcn , welche dabei konnten ilatt ge- f linden haben. Dicier zuiammenhang der wirkenden, Urfachen kann zvvar auf die jdee einer oberllen uncl unbedingt wirkenden Urfachen fuhren,und mitRecht tfie Realitaet eiaer Iblchen niechaaiichenUrfache fiber. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. maar men is niet in ftaat om door dezelve , deeze on voorwaardelyke oorzaak , volgends derzelver verderehoedanigheid te bepaalen, haar zelfs verftand , zedelykheid of eenige andere [eigenfchap toetefchryven , welke overeenftemt met ons denkbeeld van de Godheid, DQ Nexus effeftivus , wyst altyd van het een verfchynfel tot het ander , wel- ker hoedanigheid telkens weder door nieu- we waarneeming moet bepaald en gekend worden. De laatfle oorzaak van alle ver- fchijnfels intusfchen , is geen verfchynfel, en van daar dat gemelde famenhang ons tot geene kennis van dezelve kan geleiden,naar- dien de genoemde famenhang ons niet meer leert, dan dat de grond van alle mechanike kracht of van den geheelen famenhang der oorzaaken , in die eerfte oorzaak voorhan- den haupt beweifTen; aber man ist vermiltteft deszelben liicht im ftande, diefe unbedingte Urfache ihrer wei ter Qualitat nach zu beilimmeu und ihr gar Verftand, Moralitat oder fonst eine Ejgenfchaft beizulegen , die zu unferm BegrifFe von der Gortheit pasft. Der Ne- xus effectivus weiflet immer von einer Erfcheinung auf die andere, deren Qualitat je'desmal durch-eine neue Erfahrung beftimmt und erkannt wird. Das letzte Princip allerEiTcheinungenist aber felbst nicht jnehr Er-Tcheinung, und daher kann unsjener zuzam- menhang nicht zu einer Erkenntnis desfelben verhel- fen', indem es uns nicht weiter lehrt, als dasf der Grimd aller meqhanifchen kraft oder der ganzen zu- P 4 * 1 8 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE den moet weezen. Dat mechanike kracht en derzelver wetten flechts van een redelyk wezen kunnen cx)rfpronglyk zyn,zulkskan door waarneeming nimmer getoond wor- den. Het is dienvolgends geheel onmoog- lyk, om langs den leiddraad van het werk- tuiglyk verband der dingen in de waereld, tot de kennis der bepaalingen van dat on- derwerp te geraaken , 't welk als de eer^fte grondflag van dat verband moet word en aangemerkt. Want i.) verlaac ons hier de waarneeming geheel en al, en; 2.) is er ook geen befluit volgends analogic moog- lyk, naardien deeze eerfte oorfpronglyke oorzaak als Ding , (Ens) op zichzelve be- fchouwd, juist van alle oorzaaken, wel- ken wy hebben leeren kennen, zo wel ten op- Sammenhanges nach urfachen in ihm cnthalten feyu mufle. Dasf abcr niechariifche Krafte undderen Gcfeze nur durch ein ypnniiiftiges ,Waar eene groote menigte van oogmerken, welke men geheel niet voor enkel toevallige gevolgen van een bloot Mechanismus kan verklaaren 9 maar welke op de blykbaar- ile lecre und nichts bedeutendeWorte verfteken esf gleich gut und verniinftig 1st den Mechanismus als Werkzeug und als nachde Urfaclie einer jeden ein- zelnen von uns entdeckten Wirkung aufufehen. Die Vernunfc verlangt abernoch zu wisfeu , warum diefer Mechanismus gerade to und nicht anders eingerichtet 1st. Wen nun der lezte Grund in dem Mechanismus felbst enthalten ware, fo miisfte ficii auch diefe Fra- ge aus ihm beantworten la (Ten , welches aber ganz unmoglich id. Nun entdeckt der Vcrlland in der Er- f ah rung ganz unletigbar eine grolfe Menge von zvvec- }ven , die als zufalligeFolgen des bloffen Mechanismus i'chlechter dings nicht erkliirbar find ? fondern P 5 OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. fte en nadruklykfte wyzede erkentenis van nog eenen anderen grond begeeren, aan welke het Mechanismus zelfsals enkel werk- tuig ondergefchikt is. De reden is alzp door de blykbaareoogrnerken, wclke zich in de bewerktuigde en bezielde Natuur van alle zyden voordoen , en welkeuic het Me* chanismus der natuur in 'tgeheel met tever- klaaren zyn, gedrongen nog eene anderc oorzaaklykheid aantenemen , aan welke ge- jnelde mechanismus der natuur geheel of ten deele ondergefchikt is, en welke des- zelfs wetten en wyze vanwerking bepaald. Naardien wy nu eene oorzaak, welke vok gends oogmerken, het mechanismus regelr, gewoon zyn eene .^r/?j;2^/g perfte oorzaak van de inrichting der wae- teld, ene zeer groote magt en een fceer groot verftand toebehoore , overeenkomftig met de verordefing van de mechanique wet- ten der zeer gepaste inrichting der waereld welke zich allenthalven in dezelve open- 1 baaren. Dan waartoe de waereld zelve be- nevens haare geheele inridhting moet die- nen , wordt door de phyfike waereld be- fchouwing alleen nog niet aangeweezen. Ja laatstgemelde laat het zdfsnog in 'tonzeke- re of 'er niet veelligt nog een dwaaling in ons denken plaats heeft en of de oogmerken der Natuur niet van een beginfel herkoms- tig zyn kunnen, 't welk zo wel met het ver- ftand als met het Mechanismus ongelyk- ftach- phylirch oder ganz empirifch feyn, nicht'zu clem fcblusfe berechtigen kaiin, dasf eiit Gott exiftifcn mufl'e , de? allmiiclitig , allweife, allgiirig ^ n. f. w. i'ft ; f^ndci l n dasf der leztere empirifche Natnr- Begriffuns bios ib weit fclhre , dasf der Obefften Urfache der AVelteinrichtung einc fehr grosfc macht und ein fehr grosfer Verftand zukommen miisfe, weleher der Ati- ordnung der firh in der Welt ofFenb'areuden mechani- fchcn Gefetze von der zweckiniisfigen Welte in ric luting entfpricht. .Wozu aber die Welt felbit und ihre gau- ze Ernrichtung dicnen folle , lelrrt die phyfffcbe \Velt- Letrachtung allein nocli nkht. Ja die letztere hrsft e$ fo gar noch ungewisf , ob nrcht viellcicht doch noch tin Irrthum in unlern Denken vovgehen , und die Nii* tuc- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. (lachtig {beferogeeifris. Dan ? er is nog een fadum voorhanden, naarnlyk Vryheid of sedelyke rede , welks denkbeeld vari dat der natuur geheel onderfcheiden is, en \ welk eene geheel andere waer eld befchou wing t wat een ding in de zinne- lyke waereld of in de waarnetning is , is voor- waardelyk: de zedelykheid daarentegen is in haaren aart en wezen van de wetten der waarneeming afgezonderd, en haare ooi> zaaklykheid, de Vryheid naamlyk, of de pradifche reden behoort in 't geheel niet tot de zinnely ke waereld , maar is cene oorzaak- lykheid van geheel heterogene foortmet al- les 9 wat zich in de zinnelyke waereld voor- doet. Van daar dat de zedelykheid eene vol- urn keiner andern fache willen id, fondern jeder- zeit als zwek an fich als letzter abfoluter zwek an- gefehen wird, wozu wohl andere dinge als Mittel zu- fammeH ftimmen kdnnen, das aber felbft keinem als Mittel dient. Hiermit flimmt nicht nur der gemeiae Menfchenverftand, der alien perfonlichen Wenh in die Tugtnd des Menfchen fetzt, iiberein, fondern die Vernunft rechtfertiget auch desfelbenUrtheil vo'llkom- men. Denn nur alles , was ein Ding in derSinnenwelt oder Erfcheinting id , ift bediugt; die Moralitat aber weicht ihrer Natur und Wefen nach von denGefetzen der Erfahrung ab , und ihre causfalitat, die Freiheit oder die praktifehe Vernunft, gehort gar nicht zur Sinnen- Q 3 welt, 2 3 2 DERDE". ANT WOORD OP DE VRAAGE volftrekte en onvoorwaardelyke waarde heeft , omtrent welke menniet op nieuw kan vraagen, waartoe dezelve nut of goed is, rnaar die zeer wel tot een Eind oogrnerk ftrekt. Dit zelfde blykt ookuic het denk- beeld der reden zelve, wanneer men dit be- hoorlykontleedt. Want daar die grond,door welken oogmerken mooglyk worden , rede genaamd wordt, zo moeten ook alle oog- merken door dezelve bepaaldwordeh, zei* ve echter kan zy niet weder door eene nog hoogere bedoeling, als raiddel tot dezelve bepaald zyn. Want anderszins zou het denkbeeld der reden niet eens op haar kunnen toegepast worden, of de grondflag van alle bedoclingen moest iets anders zyn, als de re- don, ; c welk eene tegenilrydighdd influit , naar welt, fondern ift eihe Causfalitat von ganz hcteroge- ner Art mit alien \vas fich in der Sinnenwclt findet, Daher hat die Moralitat einen abfoluten unbedingten \Verth, wobe-i man nicht wiederum fragenkann, wo- zu fie nutzt oder gut ift, die aber fehr wohl zu ei- uem Endzweke teugt. Es erhellet cben dasfelbigeauch aus dem BegriiFe der Vcrnunft fcibft, wenn man ihu nur gehorig zergliedert. Denn , da derjcnige Grund wodurqh zweke miiglich werden , Vernunft heist, fo musfen alle zweke durch dicfelbe bcftimmt fcyn , fie felbft aber kann nicht wiederum durch einen noch lioheru, zwek als mittel zu ihm bellimt feyn. Denn fonft wtirde nicht einmal der Begriff der Vernunft auf fic pasfen, oder der Grund aller zweke miisfte einan- de OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 233 naardemaal de grond of het onderwerp der bedoelingen en rede eenzelvig of identifch 2yn. De reden vindcderhalvenhetctogmerk van het aanweezen der waereld, in de rede- lyke wezens , voor 20 ver dezelven zedely k fcyn. Volgendshaarisdienvolgendshet me- chanismus aan hec Technicismtis of de kuns- tige inrichting der waereld ondergefchikt, dan beiden 2yn betreklyk tot levendige en ten laatften tot zedelyke wezens. Het alge- meen gevoelen , volgends welk men den menfchals het eind-oogmerk derzinnelyke waereld gewoon is te befchouwen, is dien- volgends niet enkel aan trptfchheid toete- fchry ven , maar ontftaat uit een juist zelfs- gevoel, door de reden zeer wel te billyken, wanneer men flechts niet enkel den mensch by uitfluiting, maar elk ander wezen, met re- mus oogmerken voordoen , znl niets ons verhinderen , dezelven sis bedoelingen ecus wyzen Scheppers aantemerken , fchoon het ons asn genocgzaam doorzicht ontbreeke, om de- zelven nls gronden ter verklaaring te gebruiken. En eindelyk znl de proeve , om alles wnt wy van de.waereld wnargenomen hebben, met geraclde groote zedelyke bedoeling te Vergelyken , r.l- auch als die allermoralifchfte d. i. heilige Jntclligenz d. . h. als Gott gedacht werden. - r c Folgc dcr Gcdanken id nun swnr ganz ricli- fo bald mau die fache bios nach der Vernunft h'eilt. Aber dasf cin folches fyflem der zweke auch wirklich fey, fcheins doch daraus allein, dasf es nem zweke hcrVorzubrlngen wusfle* Wp fich nnn neben diefem Mechanismas zweke offenbaten, da wird uns nidus hindern lie als ^bfichten eines weifen Schopfers zu bemerken , ob wir gleich niche hi .'Uin. Cliche Einficht haben , fie als Erklarungs-grunde zu brauchen- Und endlich wird ein Verfuch , alles , was wir von der Welt erfah- ren Uabea, zu jeneuigrQsfea rooralifchen xsvek sufafnni/en.zu halten,iiT>- mer OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 241 met te volgea Van. hier de vraag : uit wet- ke gronden achtde rede zich bevoegd, om zodanig verband van alfcdingen, waarinal- les middcl top de zedciyke bedoeling is, voor ypezenlyk en r$eTi& houden? De oa- dervinding leerc, wcl is waar, de phyfi- n.et vcel en ontwylelbaarc zekerheid. Maar dat ailc deeze kunstige fchik- iosrfs[. ojasnsb \ nltoos ceu der edelfle onderneeipJngGn van otizen geest uitnm- Iren, byaldien wy ook nice hoopcn kunncn om tot volledige bevatting van dc overeenilemming aller \vetten en bedoelingeni tot hct groote en verbevene eiu'd*oogracrk der fchepping ca zullen geraaken. ; es unfrer Vernunft fo angemesfen ift, nichtzufolg^n^ Es entdeht daher die Frage: aus welchem Grunde halt fich die Vernunft fiir berechtiget eine folcheVer- kiiiipfung alJer'Dinge, in der allcs mittel z.um mora- liichen zweke ill, fiir wirkllch und real zu halten? Die Erfahrung lehrt zwar die phyfifchen zwekc mic vieler und unbezweifelten Gewisfheit. Aberdasfalla- diefe kiuifllicheu Anftalten in der Natur nm der mo- ralifchen wefen willeu dafcyen, kann die Erfabrun^ gewisf nicht lehren. Und de.sfeu ungeaclitet ift es \jvabr, dasf die Ueberzeugung des letzrern Satzcs wo nicht fefter doch gewisf v/eit aligemeiner ill, als die Ueberzeugung von phyfifchen zweken. Denn der al- - mer eine der edelften unternehmiuTgen unfres Geistes bleiben , wenn wir gleich nicht hoifen konnen zur vollftandigen Einfichtder Ueber- einftimmung alter Gefetze und aller zweke au deo: jgrosferi rji*be^ 242 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE fchikkingcn in de natuur om de zedelyke wezensplaats hebben, kan de ondervinding ons voorzeker niet leeren. En desnie,tte- genftaande is het toch waar , dat de overtui- ging van laatstgenoemde ftelling , byaldien niet meer gegrond, toch gewislyk veel alge- meener is, alsde overtuiging vande phyfi* keoogmerken, Want degeringfte, minst- geoeffendeen riiuwfte Mensch, welkeovei? de oogmerken in de natuur in 't geheel niet cdachc heefc, Ipudt het toch daarvqor at alles om den mensch beftaan hebbe, De grondflag deezer overtuiging kan alzo on- mooglykin de waarneeming gelegen weezen, ? er moet iets in het onderwerp zelve plaats hebben , "t welk deege algemeene overtui- ging lergemeinfte und rohcde Menfch , der fiber Natiuv zwckc gar nicht nachgedacht hat, halt doch dafiir, dasf alles urn der Mentcheu willen da fey. Der Griind diefer Ueberzeugung kann allb unuuigiich in der Err" f alining, fondcra es ouisf irgeqd etwas im Subjckfe licgen, vvas ejne fo allgcmeiiie Ueberzeugung hcrvor- bringr^ Diefes fiudet fich beigeniiuererUiUerrachung auch vvirklich, und zwar id es kein zufalttger Grand *ler bios hie uncl da ftatt flndet, fondern er beruhec auf einer allgemeinen wefentlichen Eigenfchaft unfrer Natur. Es ift nemlich die Vernunft felbft, welche fchou a priori fodert , dasf alles auf fie , befondcrs aber auf ihren moralifchenTlieillkziehunghabe, und wejche gleichfam indinkt" maslig diefes Hirer Natur nach voraus feht. Es i(t demnachkeia wundcr, dasf ovfck GODS AANWEEZEN, ENZ, 243 ging te weg'ebrengt. Dit vindt menbyeen naawkeuriger onderzoek ook zodanig, en het is geen toevallige grond , welke flechts hier of daar aangetroffen wordt , maar de- Zelve berust op eene algetneene wezenlykc eigenfchap van onze natuur. 'c Is naamlyk de rede zelve , welke reeds van voren vor* dert dat alles tot haar , byzonderlykechter tot haar zedelyk deel , bet reklykzy en wel- ke dit als 't ware volgends inftinkt, naar aanleiding haarer natuur, voor uit ziet. 'tis derhalven niet te verwonderen dat de meft- fchen zich alles in dewaereld tot hungebruik aanmaatigen> naardien zy eene zo krachtlge fpoor in hunne reden hebben om al wat zy aantreffen voorzich te gebruiken> en alwat zy doen en voortbrengen naar hunne bedoe* lingen interichten. Hier door nu, ^are, wel is waar, het aU ficli die Menfchen alles in det Welt zu ihrem gebrau- che ancnasien, da lie einen fp machtigen Sporn inih- rer Vernunft dazu finden, alles was fie antrcfFen fuif fich zu gebrauchen und alles, was fie thuri und her vorbringen , nach ihren zweken ein^urichten. Hicrnus ware nun zWar der allgemeine Glaube ail eine folche allgemeine moralifche Ordnungin der Welt erklart, aber ob diefer glaube auch die ftrengfte Prii- fung aushalte, d. h. ob er auch bei der genaueiten UnteffuChung fur einen folchen gel ten iftiisfe, dermit a Recht 44 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE algemeen geloofaan zodanig^eene algemeen zedelyke orde in de wacreld verklaard ; maar of die geloof de ftrengfteproeveuithoude, dat is, of hetzelve ook by hen naauwkeu* rigfl onderzoek voorzocianigeenigeloof gol- den moete , 't welk met recht voorwerpely- ke overtuiging in het onderwerp kan te we- ge brengen, blyft daarbynog fteeds onbc- llisr. En dir ftuk moeten wy nu nog met eenige woorden veihandelen. Zo veel mogen wy ten minsten alstoege- flaan vascftellen, dat.de zedelyke wetteneen gedrag voorfchryven, welkeOechts dan van de rede geheel goedgekeurd en van elk ge- volgd moec v/ordcn , wanneer alles in de waereld zodanig ingericht is, als of deze inrichting van een allerhoogst sedelyk we- zen herkomflig ware. Byaldien wy nu gron- Recht objektive Ueberziigung in dem fubjckte be- \virkcn kann, bleibt dabci docli noch unausgemacht. TJnd diefen Punkt miisfen wir noch mit einigen Wor- tcu crortern. Es musf vyenigstens fo viel cingeraumt werd.en , dasf die moralifclien Gefctzeeine Handlungsweife vor- ichrciben , die nur alsdann von dcr Vernunft ganz ge- billiget, und von iedermann befolgt werden nnifle , wen alles in der Welt fo eingerichtet ware, als ob es von eiiieinallerhochnen moralifchen Wefenangeord- aict ware. Weu wir nun Griinde genug haben, die uns OVER GODS AANWEEZEN, gronden genoeg hebben, welke ons volko- jnen van de verplichting overtuigen om de sedelyke wetten optcvolgen , en onsflechts de voorwerplyke etkendtenis der wezenlyk- heid van zodanig eene verordening nog ontbreekt, zonder dat er met dat al een reden voor het tegendeel deezer verordning jyoorhanden is, zo is het voor de reden fceer gevoeglyk , de wezenlykheid van den nog ontbreckenden grond aanteneemen en te gelooven. Zodanig is nu juist hec geval voorhanden. Want ik erken my zelve noodzaaklyk verpligt overeenkomftig met de zedelyke wetten te handelen , naardien myne geheele perfoonlyke waarde en inner- lyke ^aardigheid daarvan alleen afhangr,, Deeze waarde echter zou eene ydele ver- beelding en hersfenfchim zyn, byaldien uns vollkommen von der Verbindlichkeit iiberzeugen.i den moralifchcn Gefatzen folge zu leisten 9 und uns bios die objeluive Erkenntnisf der Realitiit einer fol- chen ordnuiig noch fehlt, olinedasfjedoch ein grund fur das gegegentheit diefer Ordnung da 1st; fo 1st es der Vernunft lehr gemasf die Realitat des nocli fehlenden Grnmles anzunebmen und zu giauben* Nuti 1st hier gcradc ein folcher Fall. Denn ich erkeuhe mich nothwendig fiir verpli'chtet den Moralgefezeu gemasf zu handelu , well mein grinzef perfonlieher Werth und meine iunere Wurde allein davon abfengt. Diefer werth wurde abev cine lecrc Einbikling feyil ^ wen mein moralifches We (In nichtauch wirklich ciiefei' R a WertU DERDE ANTWOORD OPDR VRAAGE myn zedelyk wezen niet ook met dedaad, deeze waarde bcvat en al het ovcrige tot het zedelyke betreklyk, dat is, aan dezel- ve ondergefchikt ware. Nu echter houdc ik myne zedelyke redcn geenzins voor een hersfenfchim en geloof dienvolgends ook cene algemeene zedelyke orde. Eene al- gerneene zedelyke orde nu, is noch uit het mechanismus noch uit de kunstoog- merken in de bewerktuigde natuur te ver- klaareft, naardien de zedelyke wetten en de zedelyke orde van geheel onderfcheiden aarc zyn, dande phyfiiche. Maar een aan- magt bepaald, fchoon voor 'toverige aan doorzicht, wysheid en wil volmaakt we- sen , kan zodanig eene zedelyke orde niet mooglyk maaken. Dezelve is alleen door een beginfel mooglyk ^ welk alles watbe- ftaat Werth hiitte und fich alles ubrige anf das Mora- lifchc beziige d. h. ihm untergeordnet ware. Nun haltc ich aber meine moralifche Veniunft nicbt fur eine leere Einbildung; alfo glaube ich auch eine algemeine moralifche Ordnung. Eine allgemeine mo- ralifche Ordnung ift aber weder a us dcm Mechanis- mus noch aus den Kunstzweken in der organiichen Natur erklarbar,.weil die inoraliichcn Gefeze unddte moralifche Ordnung von ganz verfcluedener Natur find, als die phyfifche. Aber auch ein an macht em- gefchranktes , obgleich librigens an Einiicht, Weis- heit undWillen vollkommenes Wefen kaiin eine folche fn^rajifche Urdnung nicht moglich machen. Sie is: al- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 247 ftaat in zyne magt heeft, en oorfpronglyk zo wel de ftof en haare wetten , als ook de kunftigeoogmerken tothetzedelykeind* oogmerk fainengevoegd heefr, Zodanig be- ginfelnu is niets anders dan een allerhoogst- zedelyk werkcnd verfband of God , welks aanweezen dienvolgends met elke zedely- ke reden a priori in verband ilaat. Wy moeten derhalven, als aedelyke wezens die aaneenfchakeling van zedelyke oogmerken trachten tot wezenlykheid te brengen; (te realifeeren) want doorzoda- nig eene handelwyze alleen betoont zich onze goede wil en de wezenlyke waardig- heid onzer natuur. Wy hebben wel is waar, niets in onze magt dan de opvolging der allein durch ein Princip raoglich das alles was da fst in feiner Gewalt hat uud urfprunglich fowohl dia Materie als ihre Gefeze als auch die Kunstlichen Zwe- ke zu dem moralifchen aweke verkniipfc. Eia folchea P-rincip ift nichts anders als eine allerhochtfte morali- fche Intelligenz oder ein Gott, desfen Dafeyn alia mit Jeder moralifch^n Yeniunft a priori verkiiiipft ist. Wir miisfen daher als moralifche Wefen jene mora- lifchc Zweckverkniipfung zu realifiren fuchen. Denn durch folche Handlungsart beweifet fich allein unfer guter Wille und die wahre WurdeunfrerNatur. Zwar ftsht nichts io unfrer gewalt, als die Bcfalgung d-er K 3 Me- 248 DERDE ANTWOORD OP DB VRAAGE der zedelyke Wetten zelfs. Hoe de gevol- gen daarv r an met de verordening der ze- delyke wezens famenloopcn , kunnen wy dikwy Is niet inzien, want deezen worden door de natuur bewerkt en zyn meestendeels niet in onze magt. Wy kunnen alzo deeze or* de niet zelfs voortbrengen. Evenv/el ech- ter moeten wy fteeds daartoe werken , ook byaldien wy geen gevolg of uitwerkfel van onze poogingen ontdekken. Maar in de vooronderftelling van Gods aanweezen , kan de reden evenwel zodanig eene zedelyke aaneenfchakeling der dingea verwach- ten. Zodanig eene aaneenfchakeling van zede- lyke bedoelingen, wordt b. v. in alle de ;|"hearien van Zedenleeren, zo wel puden Moralgefeze felbst. Wie die Folgcn daraus mit der Beflimmung der nloralifcljevi VVcfen zuiuminentreffen, konnen wir oft nicht einfeheu. Denn diefe wcrden darch die Natur bewirkt mid find grusdeniheils gar iiicbt in unfrer Gewalt. Wir konnen alfo. ielbst diefe Qrdiiung nicht hervorbringea. Dennoch abcr mus- ftn wir immer daliin arbeitcn , wenn wir auch gar keinen Erfolg Unfrcr IJemuhung wahrnahmen. Aber uuter cier Verausfezuiig eines Gottcs kann die Ver- nunft dcnnocb eine iblche raoralifche Verkniipfun^ der dingc-n erwartcn. Eine folche moralifche. zweckverbiudung wirdz. c. in OVSR GODS AANWEEZEN, ENZ. 249 alsnieuwen vooronderfteld, want alleftellen vast, dat er ter verwerving van waare en duurzaame Gelukzaligheid , geen ander nJddelvoorhanden is, als deugd of de onbe* paalde opvolging der zedelyke wetten. De zelven vooronderftellen dienvolgends, dat de waarneeming der wetten van deugd, zodanige omftandigheden moet veroorzaa* ken, welke den toeftand van Gclukzaiig- heid in ons voortbrengen. Deeze OTiitan- digheden echter zyn blykbaar niet aan on- ^e magt onderworpen, nogtezyn met de beoefening der deugd Phyfik verknogt, maar hangen in de natuur geheel en al van mechanike inrichtingen af. Zoude nu deze mechanike inrichting der waereld, aan ee- rie zo ongelykflachdgc kracht als onze re- den in alien Theorien der Sittenlehre, fowohl von den Altern als Neuern voraus gefezt. Den alle meinen , cs fe kein anderes Mittel iich cine dauerhafte und wahre Gliikfeligkeit zu erwerben als Tugen4, oder 4ie unbedingte Befolgung der moralifchen Gefe/;e. Sie fezen alfo zum voraus, das die Beobachtung der Tugendgefeze die jenigen Umftande herbeifiihren miisfe, die den zuftand der Gliikfeligkeit in nns be- \virken. Nun find aber jene Umflande ofFenbar nicht in unfrer Gewalt, flehen auch nicht mit der Tugend in eiuer phyfifchen Verkniipfung, fondern liiingen in der Natur ganz von mechanifchen Einrich- tungen ab. 'Solte alfo diefe mechanifche Weltein* richtung einen fo heterogenen Kraft als unfre Ver- R 4 nunft *5P DERDEANTWOORD oi> DE VRAAGE den is ondergcfchikt 2yn, fco'moestdezelve Zelfs volgends zedclyke beginfelen hoewel ppeene voor ons geheej onzichtbaarc wyze ontworpen weezen.Waarneeming nu konde zedenleeraaren sodanig verband niet l^eren, Wantter Gelukzaligheid behoort blykbaar jiieerdcr, als dat verheven zelfsgevoel, 't welk met de deugd verbonden is, en zelfs dit is al weder aan phyfike voorwaardenon- derworpen , welke de deugd niet alleen niet vportbrengc , maar fomtyds zelfs vernie- tigt (*> Dp natyur v^n hunne reden drong hen (*) By voorbeeld als eene- deugdzanme dand den dood pn- i;iiddelyk ten gevolge heefc. Ilier moesc volgends de Theorie de grootfte gelukzaligheid yolgeri en juisc volgc de berooving derzelvs. nunft ist , untcrworfen feyn ? fo musf fie fclbst nnch moralifchen Principien , obgleich auf eine uns ganz tinfichtbare Arc entworfen icyn. Die Erfahruug tonnte fi nicbt eine folche Verkniipfunglehren. Denu zur Gliikfeligkeit gehort ofFeubar mehr, als jenes er- habene felbstgefiihl, welches mit der Tugeud ver- Icnupft ist, und felbst diefes hiiiigt wiederum vonphy- fifche Bedingungen ab, welche die Tugend nicht'nur nicht heryorbringt , ibndcrn wohl gar zerftort (*). Die (*) Wie , wenn unmittelbar eine Tugenilhsfte Handlung den Totf jiach 2ich zieht. Hier foltte nach der Theorie die grosfte Gliikie- jgheit tolgen, undes erfoigt geiade die Beraubung derfe&ca. OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 251 hen in 't verborgen en ongemcrkt , zodanig een vcrband a priori aanteneemen, en door cene zcer natuurlyke ongemerkce in de plaatsftelling , (i7/0/?O hidden zydewaar- necming voor de bron der kennis van dee- ze waarhcid. Zo gaat het vecltyds. De zedenleeraars zyn dikwils van eene zaak vaftclyk overtuigd, Bonder de gronden dee- per overtuiging te keqnen. Beginnen zy de- 2elven optefpooren, zo necmen zy door? gaans geheel verkeerde aan , welke door dc befpiegelingen van andcren verworpen wor- den , 'c welk den fchyn veroorzaakt, als of de geheele zaak twyfelachtig ware. Maar deeze handhaafd zich door haare onbeken- de, maar onwrikbaare grondflagen , in.het menfqhlyk gemoed; terwyl de fpeculative fegenwerpingen flechts ftrekken om den gecst Die Natur ihrer Vernunft drang fie insgeheim fplche Verknupfqng a priori anzunehmen , und die Brfahrung hielten fie durch eine nati'irlichc Illufioa fur den Erkenntnisgrund diefer Wahrheit. So geht es den Menfchen oft. Sie find oft fest von einer fa- che iiberzcugt ohne die Griinde diefer Ueberzeugung zu kennen. Fangen fie an diefelven zu fuchen , fa fallen fie gewonlich auf falfche, welche die fpeku- lation anderer verwirft, und den fchein hervorbnngt, als ob die fache felbst zweifelhaft ware. Aber die- fe erlialt fich durch ihre unbekannten aber nncrfchiit- terliche Stiitzen indem menfchlichenGemutheunddie fpekulativen ciinviirfe dienen nurden unterfuchmigs.- DERDE ANTWOORD OP DB VRAAGE gecst van onderzoek levend te houden , tot het der reden eindelyk na veele ver^eeffche beproevingen gelukt , haare fpeculatien met deeze blinde werkingen , in harmonie te brengen. ' Men vergunne tny nog eene aanmerking. Ik beweer, dat byaldien eene ftelling door het gemeen verftand tegen de befpiegeling beweerd \vordt , eerscgenoemde doorgaans gelyk heeft en de befpiegeling zich alleen heeft bezig te houden om de gronden daar- van te ontdekken en byaldien de {Idling van zoodanigen aart is, dat de algemeene grond daar van in het onderwerp gelegen is, zo heeft de rede altoos recht en de befpie- geling behoef i niet anders te doen als de rtel* ling geistrege zu erhaltcu , bis es der Vernunft endlich nach vieleti vergeblichen Verluclien gelingt, ihre fpccuia- tlonen mit dieleii blindcn wirkungen in liannonie zu brio en. Man erlaube mir hir noch eine Beinerkung. Ich behaupte, wenn ein fatz voni gemeinen Verftande ge- 'gen die fpeculation behauptet wird , zo hat erfterer gemeiniglich recht and d'iQ J fpekalation rnusf fich nur bemiihen die Grande davoii aufzufinden; und wenn der fatz von einer folclien BefchafFenheit ist, dasf cSer allgemeitie Grund davon in dem fubjekre liegt: ib hat er allemal Recht 3 und die fpepulation kann nichrs OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 253- Jingjuist voorteftellen en de wa^re grondea van de valfchen aftezonderen. Dan het zy hiermede zo als 'twil Men dells dat de waarneeming leert, dat de ge> lukzaligheid door de deugd bepaald worde , zoo zou ook objektive volgen dat eene aan- eenfchakeling van zedelyke oogmerken in dewaereld, by gevolg ook jderzelver oor- zaak met de daad voorhandenzy. En naar- dien deeze oorzaakniet het mechanismus, ook geen enkel verftand zyn kan, maar zo- danig beginfei moet weezen, 't \yelk alles tot , zedelyke oogmerken verbinden kan ea wil, zodanigwezennu,Godgenaamdwordt, zoo isereen God, zozeker wezenlyk aan- weezig, als deeze zedelyke orde daadlyk plaats heeft. Het nichts thnn als ihn berichtigcn und die waliren Grunde von den falfchen abfandern. Es fey hier die fache, wie fie wolle. Gefezt Er- fahrung lehre, ddsf fich die Gliikfeligbeit durchdie Tugend betlimmen lasfe, fo wiirde fo gar auch ob- jektive Folgen , dasf cine moralifche Zwekverkniipfung; in der Welt folglich auch ihrc Uriachen wirklich ley. Und da diefe L y rracbe nicht der mechanismus, auch kein blosfer Verftand feyn kanu , fondern ein folches Princip: das alles zu moralifchen Zwcken vcrkniipfen kann und will, ein folches Wefen r.bcr Gore heisft, fo istein Gott fo gewisfwirkliclip als diefe moralifche Prdnung wirklich ist. 54 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE Het uitncemende van het Bvwys van KANT uit de pra&ifche rede, nu is daarin gelegen, dat volgends hetzelve de rede van vooren uithet zedelyk deel haarer natuur zodanig eene zedelyke verordening eischt, en uit dien hoofde dezclve als wezenlyk voorhan- den voorortderftelt , omdat haar zonder de* zelve haai^e Zedelykheid als een ongerymd ding zou moeten voorkomen , 't welk zy onniooglykkan onderftellen, naardien haar ganfche perfoonlyke of eigenc waarde daar op berust. Uit deeze verordening nu beiluit de rede tot het aanzyn van eene oorzaak , waardoor deeze verordning mooglyfc is; dat is , tot het beftaan van God, Die wezen nu wordt door de reden flechts in betrekkingtot ^odanig eene werking gedacht, naamlykter bepaaling van een doorgaande zedelyke or- de Das auszeichnende des Kantifcben Beweifes aus der prnktifchen Vernnnft, befteht nun daarinne , dasf tiach ihm die Vcrnunfc a priori aus dem moralifchett Theile ihrer Natur einc folche moralifche Ordnung j>Qstit!irt\ und aus^w Grunde fie als wirklich voraus- fezt, well ihr ohne diefelbe ihre moralitat als ein un- g^reimtes ding vorkommen miistle , welches fie abei- unmoglich zugehen kann , da ihr ganzer perfonlicher "VVerth darauf beruht. Aus dicier Ordnung aber fchliest die Veruunft auf dasDafeyn einer Uriache durch welche diefe Ordnung moglichist d. i. auf einenGotr, Diefen Gott braucht er nun bios beziehungsweife auf eiae folche Wirkung nemlich eiuc durchgiingige mora- GODS AANWEEZEN, ENZ. 25$ de in de waereld, Zonder te bepaa- len, welke hoedanighedcn die wezen wy- def s opzichzelve bcfchouwd moeten wordeii toegefchreeven. Eene bredere ontvouwing van bet bewys van KANT is onnodig, vermits de hooglofly- kc Maatfchappy hetzclye als bekend voor- onderftelt. Het verhandelde hadt flechts ten oogmerkc, de gronden van dit bewys nevens die der overige ter befchouwing voor- teftellen^ Intusfchen had ik voor deeze ont- wikkeling nog ecne reden^ welke ik niet vef- bergen wil. Men heeft naatnlyk by de be- oordeeling van het zedelyk bewys, zo als hetzelve in de plaatfen door de Maatlchap- py aangeweezen >wordt voorgefteld , zeer dikwyls het gevoelen te kennen gegeeven, als lifche Ordnung in der Welt zu bcfiimtnen , ohne a izugeben , was ihm fonst uoch aa lich fur Eigen- fjhaften zukommen. Eine weitere Darftellung des Kantifihen Beweifes 1st nicht ndthig, da die Hochpreifliche Akademie der- Jclben fchon als bekannt voraus fezt. Das bisher ge fagte war bios erforderlich , um clesfen Griladen ne. ben die Griinde der iibrigen zu (lellen. Indesiea ba- be ich by diefer Entwikelung noch einen Grund ge- habt, den ich hier nicht verzweigen darf. Man hat nemlich bei Beurtheilung des inoralifchen beweiies, fowie er in den YOU der Akademie angegebenen ftellcn dar- *56 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE alsof KANT daardoor een beweegreden tot deogd aan de hand wilde geeven, door ge- lukzaligheid, der deugd als belooning te verzekeren. Dan zulks kan 's Mans oog- merk in 'tgeheel niet weezen. De zedelyk- held beitaatgeheel ophaar zelve. Naderhand echter, als de-rede zo veele andere dingea ontbreekt , wejke met den menseh in verband ilaan , kan zy niet anders dan de dingen naaf derzelver waarde rangfchikken. Bijaldiennu de rede het geringile,ofaan de overigeoog- nmerken in de Natuur ondergefchikt ware, .20 kon dezclve onmooglyk hec eindoogmerk weezen. Zodra derhatven de rede de overi- ge dingen met sichzelven en hare zedelyke natuur in verband ftelt, kan zy z\ch dezel- ven niet anders voorllellen, dan alsonder- ,geichikt aan zedelyke wetten, ook in geval zy (largefcellt ist, fehr cit den Gedanken Geausfcrt , ds wolle Kant einea Bewcgungsgrund zur Tugend ge- ben, indera er der Tugend dadurch Gliikfeligkeit als Belohnung zufichern wollo. Allein diefcs kann die Abficht des Marines gar nicht feyn. Die Moral beiteht ganz fiir fich. Hintherher abcr , weun die Vernunfc ib vielc andere Dinge entdekt, die mitdem mcnfchen in Verkniipfung (tehen, fo kan fie nicht anders als die Dinge nach Ihrera Werthe fubordinireil. Wennnuu die Vernunft das Niedrigfte j oder deu iibrigen zvve- ken in der Natur untergeordnet wiire , fo konnte fie uumuglich lezter zwek Icyn. So bald alfo die Ver- nunfc die ubrigen Dinge mit fich uud ihrermoralifchen Na^ OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 2f deeze orde met kan gewaar word en , noch door waarneeming kan leeren kennen. De befchouwing is dus indedaad Theoretisch, hoewcl de bedoeling Pra&ikaal is. Byaldien ergends iets , dusdaanig befluit dc rede a priori, met het zedelyk wezen in verband itaat, zo moet zulks aan het zedelyk wezen ondergefchikt zyn , of dezedelyke wezens rnoeten de reden in zich vervatten , waarpm dat wat met dezelven in verband ftaat, zo en niet anders ingerichtis. Nu ftaat de phyfique orde der natuur met de daad met zedelyke wezens in verband , dienvolgends moet deeze, aan eerstgemelde zedelyke or- de geevenredigd weezen. Zodanig verband nuis zonderhetaanzyn van God niet moog- lyk. By gevolg is er een God. Dan men moet in aanmerking neemen dat deeze enkel theo- Natur in Verkniipfung fezt,. fo kann fie folche nicht anders als unter moralifchen Gefezen denken, wenrt fie auch gleich diefe Ordnung nicht anfchauen oder durch Erfahrung lernen kann. Die Betrachtung ist alfo wirklich theoretifch , obgleichderZvvekpraktifcli ist. Wenn irgend etwas, fo fchliesft die Vernunft a priori, mit dem moralifchen Wefen in Verkniipfung fteht, fo musf diefes den moralifchen Wefen unter- geordnet feyn, oder die moralifchen Wefen musfen den grund enthalten , warum das was mit ihnert Verkniipft ift, fo und nicht anders geordnet ist. Nim fteht die phyfifche Ordnung der Natur wirklich mit moralifchen Wefen in Verknupfung $ folglich mus c'5 8 DERDfi ANT WOORD OP DE VRAAGE theoretifche voorftelling der redenen,geen overtuiging kan voortbrengen ; de zedelyke pemoedsgefteldheid moet in het onderwerp daadlyk plaats hcbben en het geloove reeds hebben voortgebragt. De voorftelling der reden dient flechts tot deszelfs reehtvaardi- Thans ga ik over tot hettweede deel my- ner verhandeling , welke het opgegeeven voorftel onmiddelyk betrefFen en beantwoor- den zal. TWEE- i'e del- eriletri proporttonirt feyn. Nun ist aber ci- ne iblche Verkimpfung ohne einen Gottnichtmoglich* FolglichisteinGott. Jcdoch ist zu merken, dasf dkfe bloffc thcoretifche Darftellungder Griindekeine Ueber- 2cugung hervorbringen kann, fondern diemoralifche Geciiiths befchaffenheit mus-f ira fubjekte dafeyn und den Glauben fchon gewirkt habe 1 !. Die Darftollung fcincr Griinde dicnt nur zu fetner Rechtfertigung. Jezt fchrcite ich zu dem Zweiten Theile meiner Ab- Kandliing ; welcber die -vorge)egte Fragc unmittelbar bsancworten ibll. Z W E OVER GODS AANWEEZEN, *N& T W E D E D E E L. Of hit zcdelyk begrip van KANT voor hot van God, EERSTE AFDEELING. om deie vraag toeftcm- > te beantwoorden. Een Bewysrcden is dc Mnijjp, by aldicri allc overige redencn . haare overtui- gcndc kracht van dezelve ontleenen, of yeeleer by aidien dc overigen in 't geheet cenc overtuigende kracht iouderi i'bebben ^ IT ER THE I & to 'far Kantifche mortljfche Bewclsfur das Gotfes der ein^ige fey? ... r ' i -; : E R S T E R A B S C H N I T T. AUgemeine Gritrtdc dlefe Frage zu bejaheti. > E' in Bcwcisgrund ift. der e/^ ," : wcnn afle ub'H- gen Grande .ibre ubcrzeugendc Kraft davoa hernehmen odcr vielrnehr,y/enndieubrigen gar keine uberzeugende fCraft hattcn, wchn diefer nicht fchon zum voraus die Ucberzcugung gewirkt Jwttc. ^N DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE indien deeze niet reeds alvofens overtui- ging te wege gebragt hadt -- Nu bewcer ik dat de overtuiging van het aanweezen van cen hoogst- zedelyk - werkend ver- ftand, geheel alleen door dc zedelyke rede wordt voortgebragt , hoewel men de daar- in vervattc redenen zich niet afzonderlyk voorftelt, en dat dcrhalven alle kracht van overtuiging, enkel door ongemerkte ver- wisfeling (/7/^) aan anderc fpeculative theoretifche bewyzen wordt toegefchree- ven. Want het gebeurt immers dikwyls t dat men eene werking van ecn verkeerdc oorzaak afleidt, naardemaal het verftand 2eer geneigd is , dingen , welke te faamen 2yn of werken , met elkanderen te verwis- felen. Dienvolgends zyn de redenen , wel- kc van de zedelyke rede ontlcend worden, ' dc teliaupte ich aher, dafs die Ueberzeugung von Dafeyn einer hochften^ moralifcheu Intelligenz ganz allcin durch die moralifche Vernunft gewirkt werde, ob man gleich die darian liegenden Grunde nicht ab- gefondert fich vorflellt, imd dafs daher alle Kraft der Ueberzeugung bios aus einer Illufion andern fpe- kulativen, theoretifchen Beweisfen beigelegt xverdc. Denn es pflegt ja oft zu gefchehen , dafs man cine Wirkung aus einer falfchen Urfa-che ableitet , ^reil der Verftand fehr geneigt ift , Dinge zu vervvech- feln , die beifamnaen find und zufammen wirken. Folglich find die Griinde , welche aus der morali- fchcn Vernunft genommcn werdtn , die einzigca GODS AANWEEZEN, ENZ. 6* de eehige Waare redclykc bewyzcn voor hec aanzyn van God, tcrwyl de overigen al hun kracht, hoewel geheel ongcmerkt^ voor de werkingen der zedelyke redcn ont> vangen , en het zou gehcel verkeerd zyn temeeften, dat dezelven haare kracht be- houden zouden, in gcval hen dc nadruk welken zy van de zedelyke reden ontvan* gen, benomen wierde. Van daar dat ik het voorflel liever dusdanig ingericht venschte te zien : of de zedelykheid van bet onderiverp dc eenige ibron van een zeker en 'duurzaam- geloof aan God ah een boogst 2E- DELYK wezen zy , dan of nog andere Qorzaaken , by voorbeeld theoretijche bcwy* gencnz*, zonder gemelde zedelykheid van hrt onderwerp , eene zoo gegronde overluiging fcunnerite wteg brcngen? -Hier omtrenc nu go. wa-bren X^eTniinfrgrunde fik das Dafeyn Gottes ; die ti'brig'en aber erhalten i lire Kraft, wie wohl ganz un^ verttierkt von den 'wirkungen der moralifchen Ver- nunfc; und man halt E VRAAGE waren,dat onze rede enkelfpeculatifen flcchts in ftaat was het ftcifel der wacreid te befchou- wen ', ais dan kon 'er uit de Phy fike oog- znerkcn, welken zkh voordoen, onmoog- lyk tot hat aanzyn vanGod,alsdcnfl0g.tf- -zedelyken, veroorzaaker der waereld, belloten worden. Jn den Godsdienst echter is ons an .Gods zedelyke eigenfchappen alles ge- Icgen. Men zoude in \ gefteld geval in 't geheel geen faewys hebben, Dan gefteld , dat V7 geene Phyficque Teleologie duidelyk ontdekken konden , (een gevai ? t welk men fcich by de voor ftelling van eene onbewerk- tuigde Nauiur zeer welkan verbcelden) maar dat onzerede haare zedelykenatuur (lechts behield,danzou onze rede onstoch alcyd poopen om eene ^edelyke Teleologie te voor- keine moralifche Vernunft bekannt ; unfre Vernunft wa- re bios fpekulativ, konnte nur das Weltgebaude be- $rachten' 9 fo konnte inmmcrmchr a us deni fich ofFcnba- l-endenpliyfjlchen ^weken auf Gottals cine aljerhochr ilcii moraliich.en Welturheber gelchlosieu werdeii, An den moralifchen Eigenichaften Gotces 1st uns aber doch in der Jieligion alles gelegen. Man wiirde alfo in <3em gefczteii Falle gar keineu Beweis haben. Gefezt aber,es warefiiruns keine phyfiiche Teleologie deut- ifich zu entdekken(ein fall der in derVorftellung, ei- iierunorganifcheNatur wo hi denkbahr ist} iniire Ver- iniuftbehiek aber nur ihre raoralifchc Natur; fo wiir- de uns unfre Vernuft doch noch immcr antreiben eine jfioraiifvheTeleologic voniuszufezen, und aus derfeiben auf OVER GODS AANWEEZEN, EN*. 9.69 voorondcrftellcn, en van dezelve tot Gods beftaan tc befluiten. De zedelyke bewys- grond is dienvolgcns geheel onaf hanglyk van alle overigen , en dien volgends eenig ; hoewel dezelve eigenlyk geen betoog genoemd kan worden. Want ecn betoog overtuigt niet eerder, wanneer het ingezien of in *t a getrokkenc befchouwd word. De zedelyk- heid echter veroorzaakt het gelovc aanGod reeds vooraf, voor dat men zich de manier en wy^e voorftelt , hoe dat hetzelve wordt voortgebragt De voorftelling van de ma- nier en wyze van de voortbrcnging van dit geloof, ftrekt flechts den Geleerden tot yechtvaardiging, byaldien de overtuiging te eeniger tyd aangetast mogt worden. Gelyk echter pnze Voorftcllingen a prio- ri nuf Gott zufchliesfen. Der moralifche Bewcisgrund 1st alfo ganz unabhangig von alien ubrigen undfolglich einzig: wie wohl er eigcntlich kein Bevveis zunennen. Denn ein Beweis uberzcugt nicht eher, als bis er eingefehen , oder cr Abftrakto gedacht wird. Die Mo- ralitat abcr bringt den Glauben an Gott fchon vorher hervor ehe man die ^rt undWeife denkt, wene fie hervorgebracht wird. Die Vorftellung der Art und Weife der Erzeugung diefes Glaubens dient bios deri Gelehrtcn zur Rechtfer'tigung , wenn die Uebcrzeu- etwa angetastet werden folte, So wie aber unfrs Vorftellungen a priori ain und DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE ri aan fterkte en duidelykheid f en dienvol* gendsook aan invloed op de kracht derovert tuiging toeneemen , hoe meerder waarne* jningen met onze inzichten a priori overeen* ftemmcn, en dezelven fchynen te bevesti- 'gen , -en gelyk alle algemeene ilellingen a priori , byaldien dezelven niet op onmid- delyke 2uivere aanfchou wing, gelyk in de Mathefis, gegrond zyn, van Concreten voor- beelden kracht, ten minften als blyken van derzelver doentykheid, begeeren, zo is het ook met het zedelyk bewys, als het zelve ontwikkeld en in 't afgetrokkene word voor- gefteld , gelegen. De rede leidt , wel is waar , yan de natuur eener fystematkke aarieen- ichakeling van oogmerken altyd het denk- beeld af ,van een hoogst zedelyk verftand, 3pmaar byaldien d^ waameeining haar in het gc, und Lebhaftigkeit , folglich aucli am Einfltisf auf die ilarke der Ueberzeugung gewinnen , jemehr Erfah- jungen mit unfcrn Einfichten a priori ubereinftimmen, und diefelbige zubefl.atigen fcheinen; und fo wie alle allgemeine fatze a priori, wenn lie lich nicht auf unmittelbare reine Anfchauung wie in der Mathema- tik fliitzen,von konkreten Beifpielen Krafr wenigftens als Beweife ihrer Thunlichkeit verlangen ; fo 1st es auch mit dem moralifchen Beweife , wenn er entwi- feelt nnd in feiner Abfonderung vorgeftelt wird. Die Vernimft poftulirt zwar immer von der Natur eine SyflematiFdie Zwekverknupfung nach der idee einer hochflcu moralifchen Vernunft ; aber wenn ilir die ovER>GODS AANWEEZEN, Ufa ijrr geheel geen voorbeelden ter bevestiging aan- bood, dan zou haar belchouwlyk gedeelte des niettegenftaande, menigmaal aan *t wan- len geraaken * niet over het voorltel, of haare Zedelyke natuuf zodanig eene zedelyke aaneenfchakeling van oogmerken eisfchc^ want daar van is en blyft zy zeker, maar het zou haar moeilvk vallen, het vertrou- wen op zich zelven te behouden. zy zou, byaldien zy ons niet in ecne ruimere maa* tc ten deele gevallen ware als thans, dik- wyls kleinmoedig worden , en aan haare gc- heele natuur en inwendige waarde wanhoa- pen. Byaldien de praftifche rede enkel in- ftinktaartig , zonder alle overleg, noopte, zou de overtuiging zekerst bewaardblyven, naardemaal dezelve door geenc befchou- Erfahrung gar keine Beifpiele zur Beftatigung dar- jeichte, fo wiirdc der fpekulative Theii derftlbent doch fehr oftwanken, nicht dartiber, ob ihre mo- ralifche Natur eine folche zwekverbindung fodere; den davon ist und bleibt fie gewisf; fondern fie wur- de nur Miihe haben, das zntrauen zu fich felbst zir erhaken; fie wilrde ^ wen n fie uns nicht etwa in Pear* kern Maa'.sfe zu Theil gewordea ware, als j-ezt, oft klemmuthig werdcn tniisfen und an ihrer ganzen Na- tur und ihrem Werthe verzweifeln. Wen ohne alle Ueberlegung die praktifcbe Vernunft blosinfiinktnias- fig triebe , wilrde in diefem Falie feine Ueberzeugung am ficberilen behalten , weil ihn eine fpekulation gar icht iioreu koante. Nun aber koinmt uns die phyfi- iche DERDE ANTWOGRD OP DE VRAAGE wmgen benadeeld of verzwakt sou kunneri worden. Thans echter is ons de Phyfiekc Teleologie zeer treflyk ten dienste. Want deeze ftrckt om onze zedelykc overtuiging nog meer te verheffen en te verfterkcn , en die gevallig opkomende fpeculative tegen- werpingen, welken trachten te bewyzen, dat 'er geene oogmerken met iets bedoeld worden, tegente werken, hoewel dezel-^ ve niet vermogend is, op zich zelve alleen, fcodanige overtuiging te vestigen. Zelfs de mechanike regelmatige zamcnhang, en de blykbaare inriehting derzelvren tot Phyfike oogmerken, bezielt en breid hct denkbecld van God uit , wanneer het zelvc eens door zedelykheid vastgcfteld is, of roept hetzel- ve ook wel in de zedelyke rede op. Wane de aanleidingen , waar door de rede tot dc voor- fche Teleologie gar trefflich zu flatten. Denn diefe dient aufs befte wnfre moralifche Ueberzeugung noch mehr zu erheben und zu darken, und denn etwanni- gen fpekulativen Einwurfen ,- welche einen Mangel al- Ter zwekmasfigkeit zu beweifen sbzielen , entgegen zu arbeiten , wcnn fie gleich nicht tauglich ist fur fich allein eine folche Ueberzeugung zu begrunden. Selbst dcr mechanifche gefezmasfige Zuzammenhang und die offenbare Einriclitungderzelvenzuphyfifchen Xwckeu ervveitert und belebt den Gedanken anGott, wenn er Einmal durch Moral gefasft ist , oder ruft ihn auch wohl in der Moralifchen Vernunft hervor. Derm die Vtra-nlasfungen , wie die Vernuntt zurVor- OVER GODS AANWEEZEN, ESS. 275 voorftelling van eene zedelyke orde in de waefeld tn derzelver voorwaarde geraakt, kunnen zecr verfcheiden weezen. De denk- freelden van de Godly ke Magt en Wysheid worden door zodanigc in \ oog loopcnde werkingen, hoewel zekerlyk flechts zecr orivolkomen, eenigetmaate voltooid,cn de afgetrokkene voorftelling verkrygt leven en verwekt aandoening. V an daar dat ? cr niets Irctcr tot bezieling der erkendtenis van God kan aanbevolen worden, dan de ftudie der natuur.in dcvooronderilellingvan eendoor* gaande daddyke orde , \vant het zai nim- iner aan voorbeelden ontbreeken, welke met dit denkbeeld. overeenftemmen > en hoewel dezelven, wel is waar, niet genoegzaam i&yn, om zodaanig eenc doorgaande een- paa- jlcllung ciner moralifchen Orclnung in der Welt imd deren Bedingung kommt, konnen fehr mannigfaltig ieyn. Die Begriffe von der gottlichen macht umt Weisheit vvcrden obgleich freilich nuhr fehr unvoll- jkommen, durch dergleicheti in die AnfchaiUing fal- lende Wirkungen einigermasfeti erfiillt, und die ab- itrakte Vorftellung erhak Leben und wird ruhrend. Daher kann nichts besfer zur Bclebung derErkennt- nifs Gottes empfohlcn vverden, als das Stadium der Natur unter der Vorausfezung eirier durchgangiger moralifchen Ordnimg, dcnn cs wirdnie an Beifpielen fehlen, welche mit diefer Idee harmonieren ; und ob diefelben gleich niclit hinreicliend find, eine folcho Ordnung zu faweijen , fo dienen fio docli DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE paarige orde, tebewyzcn, ftrekken dezel- ven egter cm de voorftejling van het ver- band, reeds als wa^rlyk voorhanden be- fchouwd, te verfterken en leven te doen verkrygen, en die waarneemingen, welke het tegengeftelde fchynen te bewyzen, in de befpiegeling ^an kracht te ontbloo- tcn. II. Ikgeloof dat men my gereedelyk tocftaan , dat by alle menfchen, welke van Gods aanweezen overtuigd zyn, dieover- tuiging eerder beftaan heeft , dan de kennis van eenigTheoretisch bewys. Hieruit volgt, dat ditgeloof door begin- fcelen moet zyn voortgebragt , welke van gemelde TheoretifcKe bewyzen geheel en' al doch die Vorftellung der fchon fiir wahrgehaltenen Ver- knupfiing zu ftiirken und zu beleben, undden Erfah- Tungen ,wulchedafs Gegenthcitzu beweifenfcheitien, 5a der fpekulation ihre Kraft zu benelimeri. II,.) Ich glaube man wird mir ieicht einraumen 9 dasf bei alle menfchen , dievoii einemGottuberzeugt find 5 die UeHcrzeugung von desfen Dafeyn friiher fey, als die Erkiinntnisr irgend pines theoretifcherf Beweifes.- Hicraus fliesft, das diefe'r Glau'be durch Principien bewirkt werden miisfe, die von jenen' theoretifchen Bevveifen ganz verfcliieden find. Aeus- fere Urfachen , wie Erziehung, uhterricht, Anfehen u. f. vv. find aber keinc' hinreicheride Urfachen, die* OVER GODS AANWEEZEN> EKZ. 275 al onderfcheiden zyn. Uitv/endige oorzaa ken, gelyk opvoeding, onderwys, gezach, en dergelyken, zya echter geenzins toerei- kende om van deeze over-tinging reden te geeven ; want dceze zouden niets yerrich- ten kunnen , bij aldien dezelven aiet door een begmfel, 't welk of voorwerpelijk is of de menfchelyke natuur wezenlyk toebe- hoort, wierden^ygeftaanjen'twclk vooraf te wegc bragt dat gemelde uitwendige oor- zaaken, zo bepaald zyn en zo werken kun- nen. Dan gelyk getoond is , geen voorvver- pelyk beginfel veroorzaakt hec denkbeeld van Gods aanweezen, dien volgends moet zulks door een onderwerpelyk gefchieden. Nu worden de menfchen wcl is waar, door veeie onderwerpelyke oorzaaken tot het denkbeeld van Bovenzinnelyke wezens ge- diefe Ueberzeugung zuerkloren. Denn diefe wiirdeu inches ausrichten koanen, worm ihuen nicht ein Prin- cip , das entvveder objektivist oder der menschljchea Natur wcicntlich anhangt, beiftunde , tind erft.ver- urfachte j dasf jciieauslereUrfachen fo beftimmt find, und-fo wirken konneri. Es bewirkc aber , wie ge- zeigt worden , kqin objektives Printip .den Begriff von der \Virklichkeit Oottes 5 alfo musf es ein fub- jektive-s feijn; Nun fuhren zvvar viele fubjektitfe Ur- iachen den meiifcaca auf die Jdee iiberfmnlicher We- jfcn , wie andcrsins gezctgt worden. 1st, aber auf die jdee eines hochften moraljfchen Wefens kann nicljtsi als die moralifche Venuinl't felbft fahren. Daher.wird T z?6 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE bragt , gelyk elders getoond is ; maar tot het denkbeeld van een opperst zedelyk we- zen kan niets als de zedelyke reden zelfs ge leiden. Van daar dat men ook het zuiver denkbeeld van God, (als een zedelyk wer- kend verftand,) bijgeen volkzai aantrefFen, welks zedelyke rede niet genoegzaam geoe- fend is. De vrees kan het denkbeeld van Goden, maar flechts derede kan, uit hoof- dc van haarc zedelyke beginfelen, het denk- beeld van God voortbrengen, ook by aldien dezelve ten aanzien der teleologie der na- tuur , gelyk doorgaands 't ge val is , nog zeer onkundig en in hetonzekere is. Want haare eigeneinnerlykezedelyke verordening , vol- gends welke zy zichzelven als het laatfle en volftrekte aanmerkt , roept haar veel hu- man auch die reine Jdee vom Gott (als moralifcher Jntclligenz) bei keinem Volke finden, desfen raorali- fche Vernuiift noch nicht gehorig Kultivirti ist. Die Furcht kann den BegrifF von Gottern^ aber nur die Verminft kann vermoge ihrer moralifchen Principien den BegrifF von Gott hervorbringcn , wenn lie auch gleich in Anfehung der Teleologie der Natur wie ge- wonlich nach fehr unwisfend und zweifelhaft ist. Denn ihre eigene innere moralifclie Beftimmung, nach der fie fich felbst als das lezte un'd abfolute anfieht, ruft ihr weit lauter als die finnenwelt felbst zu , dasf allc Dinge nur urn ihret willen dafeyen , und dasf diefes nicht anders feyn komie , als dasf die oberfte Urfache it EigenfchafFen ausgeriistet ist 5 wo durch fie nicht OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 277 luider als de zinnelyke waereld zelve toe, dat alle dingen flechts 001 haarentwille be- ftaan, en dathetniet anders zijnkan, als dat de opperfte Oorzaak met eigenfchappen toegerust is, waardoor dezelve niet flechts magtig, maar ook genegenis, de geheele hacuur aan gemclde eenige bedoeling te on- derwerpen. Eveneens wordt ook zdrider dat de mensch van deezen loop kennisfe draagfc, hetgeloofaan God gegrond. In 't vervolg, wanneer de befchouwelyke rede Ontwaakt, tracht dezelve dit geloof door vdorwerpelyke redenen te rechtvaardigen , enbezigtde boven bygebragte objective be- wyzen,welke wel is waaralle misfen, maar aan welke toch , door vcele dnderwerpen ^ de kracht van overtuiging , uit hoofde van eene verwisfeling van de grondflagen der- zel- nicht nur vermogencl fondern atich wllhns 1st, die gauze Naturjener einzigen Abfichtzuunterwerfen. So tvird alfoauch ohne. dasf fich der menfch diefes Gan- ges bewust 1st, der Glaube an Gott gegrtiildet. la derFolge, wenn die fpekulative Vernunft ervvacht, fucht fie diefeu Glauben durch objektive Grinide zu rechtfertigen 9 und fait auf die oberi erwahnten objek- tiven Beweife , die zwar alle fehl fchhgeii , abef de- nen doch viele Subjekte die Kraft der Ueberzeugung dtirch eine Verwechielung der Griinde bciJegen. Sie find nemlich , durch innerliche Grande oder durcli die Wirkfanikeit ihrer moralifchen Vernunft von Gott uberzeugt, aber fie legen diefe Kraft falschlicft T a nach! DERDE ANTWOORO OP DE VRAAGE , wordt toegefchreeven. Zij zijn naam- lyk, door innerlyke gronden of door de werkzaamheid van hunne zedelyke rede, van Gods aanweczen overtuigd, maar fchrij- ven deeze kracht , volgends eene seer be- kendeongemerkteindeplaatsftellingC^/^/?^) valfchelyk aan de Theoretifche bewyzen toe. En dit is de manier en wy ze hoedanig alle Theoretifche bewyzen van dit foort, voor enkele onderwcrpen den fchijn van ob- je&if geldende bewyzen verkrygen. Datzy echter deeze objeaif overtuigende kracht niet hebben , blykt daar uit ten klaarften , dat dezelven by elk een niet denzelfden in- vloed hebben. Want het eenigonbedrieglyk kenmerk van waare Theoretifche bewijzen is, dat dezelve by een ieder die dezelven verftaat , onmiddelyk overtuiging te weeg brengen. Van nach einer fehr bekannten Ilufion , den theoretifchen Beweifen bei. Und dieies ist die Art und Weife , wie alle theoretifche Bewcife diefer Art fiir einzelne fub- jekte den fchein objektiv gultiger Beweife erhalten. Dasf fie aber diefe objektive iiburzeugende Kraft nicht haben erhellet daraus am deutlichften, dasffie nichtauf jedermann gleiche Wirkung thuii. Denn das einzige UHtriigliche Merkmal wahrer theoretifcher Beweife ist dasf fie bei jedermann der fie verfteht un- mittelbare Ucberzeugung hervorbringen. Un- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ, 2751 Van alien moec de Phyfisch-Tcleolo- gische, den flerkften voorwerpelyken fchyn verkrygen. Want deeze trefc het allermeest het hart , verwekt aandoeningen en brengt de zedelyke gronden in beweeging; naardien <}ezelve gemelde zedelyke gronden door voorbeelden, die met deeze overeenftetn-^ men, bevestiging verfchaft, en doordezel- ven eene gedeeltq van gemelde zedelykq. vooronderfteliing alsdoor waarneming be- vestigd tc vertoonen, de van vooren opgo- vatte hoop, dat alles aan de zedelyke be- doeling onderworpen is, eene zeergroote fterkte en zekerheid doet verkrygqrK Ei- genlyk derhalven is het ookde zedelyke re- 3e welke het meest en best doet , by de te- leologifche befchouwingen der Naruun ^aatstgenoemde doen niets anders dan dat Unter alien musf der pliyfikateleobgifche den ftark- ften obj'ektiven fchein crhalten. Denn diefer riihrt das Herz am _ ftarkflen, erregt, AfFekten , und bringt die moralircben Griinde in Bewegung , indem er ihnen an Beifpielen , die mit ihnen harmoniren BeftS- tigung ertheilt, und dadurch dasf er einen Theil ]e- ner moralifchen Vqrausfezung aVs in der Erfahrung fchon erfiillt zeigt, und der a priori gefasften HofF- nung, dafs alles demmoralifchen zwek;e untervvorfeii feyn werde , eine grosfe Starke und G.ewisfheit er-. theilt. Im Grunde alfo thut doch auch die moralifche Verniinft das Beftebei den XeleologifchenBetrachtun, in der Natur. Leztere thun nichts 5 als dasf fie T E VRAAGE 2y de rede ftouter en meerder verzekerd, in derzclver vooronderftelling maakt , en de befchouwelyke rede de moogly kheid aan- toont , om met de praftifche vooronder- ilellingen in harmonic te geraaken, weshal- yen dezelven ten ilerkften zyn aantepryfen. 9 t Komt 'er ook in 't geheel niet op aan , of het gewoon verftand de gronden welken 2yn harttreffen , metde bronnen uit wel- ken zyne overcuiging eigenlyk ontftaat , verwisfele , dan niet. Want fry een ver- fchynfel waaraan veele verborgene oorzaa- ken deel hebben , is dit zeer ligt mooglyk. Ook is zodanige onderfcheiding, welke tc bevatten voor "tmeerendeel zeer veelfcherp- ^innigheiden afgetrokken denken vereischt, VQOf ^die Vernunft ctyeufter und ^uverficlitllclier in- Verausfezungen niachen 9 und der fpekulativen Ver- nunft die Mpglichkeit zeigen mit den praktifcheu Vorausfezungen in Harmonic zu komrnen, und find. um des willen allerdings gar fehr zu empfehlen. Es ko.mmt auch gar nicht darauf an, ob derge- meinc Verftand die Griinde welche fcin Herz riihreri mit den qiielJen aus wclchcn eigentlich feinc Uebcr- zcugung entfpringt, verwechfele odcr nicht. Dann, bei einer Erfcheinung, wo viele verftekte Urfachen Theil haben , ist diefes gar leicht moglich. Audi ist dergleiche Unterfcheidi-ng, wclchc zufasfen gros- fentheils viel Scharffinn und abllraktes Denkew erfor- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. voor het gemeen verftand noch verftaanbaar, nochnuttig. Slechts de Wijsgeer moetaan elke oorzaak haar aandeel naauwkeurig be- paalen, ten einde hy de tegenwerpingen , w el- ke tegen zyne vastftellingen ingebragt worden, regelmaatig (methodisch) wederleggen kun- ne. Dit is het eenig voordeel van zyn on- derzoek* Want zyn geloof aan Gods be- ftaan, kan hy met alle zyne fcherpzinnig- beid niet fterker maaken als hetzelve by den geringften zedelyken Landbpuwer gevon- den wordt Zijne bedoeling is flechrs zich- zelven tcgen fpeculative aanvaUen in deezq fterkte te bewaaren. III. Ik beweer dat de zedelyke rede, het geloof aan Gods beftaan jqist zo voort- brengt, dertwird, dem gemeinen Verftande weder verftand- lich noch nuzlich. Nur der Philofoph musf jeder Urfache ihnen Antheil genau beftimmen, damlt er die- Angrtffe , welche gegen feine Behauptungen gefchehen , methodisch zuruktreiben konne. Diefes 1st der einzige Vortheil feiner Unterfuchung. D-enn feinen Glauben an Gott kann er mit alien fcinem Sch^rffmne nicht llarker machen 9 als er bei dem gemeinften morali- fchen Bauer anzutreffen 1st. Seine Abficht 1st nur ihm gegen^fpekulative Angi'iffe in diefeE Starke zuer- halten. III. Ich behaupte.j dasf die moraHfche Vernunft den Glaubeu an das Dafeyn Gottes gerade fo hervor- T 4 brill- DERDE ANTWOORD OP DE VRAAG0 brengt, als de befchouwelyke rede-, "heb geloof aan het beftaan van uiterlyke zelf^ f landigheden , oorzaaken, deziel, etvder-, gelyken te wecge brengt.Hct geloof omtrent hec aanweezen van deeze dingen, hangc ge< heel niet van de afgetrokkene voorftelling der fpeculative gronden af: wantbyaldien deeze hetzclve voortbrengen zouden, zo zou hec zeer langen tyd, ten aanziene der. overtuiging hiervan, zeer zonderling uit- zien. Maar alles , zonder welk men zich 5:ekere uitgemaakte fafta in't gcheel niet als riiogeiyk zou kunnen voorftellen, denktde rede van zelve daarby en llelt zulks , als reeel voorhanden , vast , zo dra zy zich openbaart; zonder dit verband te analy- iseeren , of zich het bewys van zodanig veK band duidelyk bewust te weezen. Vandaar is bringe, wie diefpekulativc Vernnnfr den Glauben.an das. t)afeyn von ausieren Subftanzcn , Urfachcn , der Scele lii. f. w. hervorbringt. Der Glaube an diefe Dinge liangt gar nicht vender abgefonderten Vorflellungder fpekulative-n Griindeab, 'dcnn wenn diefe ihn hervor- "tringen follren , fo mochte es lange zeit hindurch um dieUcberzeugung davon fehr misflich ausfehen. Son- dern alles 9 ohne welches gewisfe ausgemachte Fakta gar nicht als moglich gedacht werden konnte , denkt die Vernunft von felbst hinzu und nimt es als real an, fo bald fie fich ausfert, ohne diefe Verknupfung zu analyfiren ,, oder fich des Beweifes einer folchcu Vcrbindung deutlich bewusft ziifeyn. Dalier. ist der, Glau- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ, 283 is hct geloof, aangaande het beftaan van utterly ke zelfftandigheeden , aangaande de wezenlykhcid der oorzaaken, zo lang aan- weezig als de rede werkzaam is, maar men zpekt nog deeds bondige bewyzen voor deeze dingen. De voorwerpelyke realiteit deezer denkbeelden, is met de rede wezen- lyk verknocht, en van daar neemt zy de- ix^lven voor waarheid aan, hoewel men cchter dikwyls valschlyk waant , de voor- werpelyke wez^nlykheid der^elven door opmerking gelcerd te hebben. Deeze val- fche voprdragt der denkbeelden intysfchen , ontneemt derzelver waarheid niets, wclke niettegenftaande alien ftryd over derzelver oorfprong, geduuriglyk in gebruik blyven. Eveneens nu is het beilaan van God met de Glaube an iiusfere Subflanzen an die Wirklichkcitder Urfachen, fo lange dar als die Vernunftwirkfam 1st, aber man fiicht noch immer bundige Beweife dafilr. Die objektive Realitiit diefer Begriffe ist met der Ver- nimfi; wefentlich verkniipft, und deswegen nimmtfie. folche fiirwahr an; ob. man gleich ofters fich falsch- lich einbildet die objektive Realitiit derfelben durch Erfalmmg erlernt zu liabcn. Diefe falfche Deduktion der Begriffe benimmt indesicn der Wahrheit der Be- griffe uiclus, welche alles ftreitens liber ihren Ur- fyrung ungeachtet , immer fort im Gebrauche bleiben. Eben fo ist nun das Dafeyn. Gottes mit der Morali- T 5 tat DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE de zedelykheid der menfchen , als met een voorval, in het ondcrwerp noodzaaklyk , verknocht , naardien naamlyk , de men- fchelyke zedelykheid ecn ending zouzijn, bij aldien ook niet met de daad alles wat met den menfch verknocht is, aan zede- lyke wetten onderworpen ware. Zodanige voorwaarden echter komen totde menfche* lyke bewustheid , zonder alle geleerde ont- wikkeling of zonder voorftelling van de ma- nier en wyze der aaneenfchakeling zelve. Zy vertoonen zich aan de rede by eenige ontwikkeling , even gelyk het voorval zei- ve; zo dra een mensch veranderingen aan boomen , planten en andere bewerktuigde of onbewerktuigde lichaamen ontdekt , zo vooronderftelt hy. dat iecs bcfta, ^twelk; blyft tiit des menfchen als einem Fakto notbwendig iai Sub- jekte verkniipft , well nemlich die menschliche mora- litat ein Unding ware, wenn nicht auch wirklich al- les, was mit dem menfchen verkniipft 1st, unter mo- ralifchen Gefezen ftunde. Dergleichpn Bedingungeu aber gelangen zu dcm menschlichen Bewufst feyn , ohne alle gelehrte Entwikelung oder ohne Vorftellung der Art und Weife der Vcrkiuipfimg felbst. Sie drin- gen fich der Vernunft bci einige Entwikelung der- felben auf , wie die Thatfache felbst. So bald ein anensch veranderungen an Baumen , Pflanzen , und andern organifche oder unorganifchen Korpern wahr- nimt, fo fezt er auch voraus, dasf etwas dafey , welches beharre und vcrandert werde, und drukt in al- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 285 blyft en verandert , err drukt in allc zyne uitdrukkingen , hec denkbeeld zelfftandig- heid uit , even alsof hetzelve een denkbeeld ware, welks voorwerp zelve hy onmidde- lyk gewaar wierdt , hoewel hetzelve toch flechts met gewaar wordingen zelve als voorwaarde der mooglyke waarneemingver- knocht is. Zo dra het zedelyk gevoel in den mensch ontwaakt, wordt hy ook by dui- 2end aanleidingen , waarby hetzelve recht levendig is, tot God gedreeven , en leert het noodzaaklyk verband van zulk een we* ^enmet zynegeheele natuur, envoornaam' iyk met zyne zedelyke rede , fteeds meer en meer gevoelen. Wanneer een mensch yol van zedelyke aandoening, rondorn zich ?iet en oplet , hoe alles tot^hem betreklyk en vopr zyne behoof ten ingericht is, wan- peer alien feinen Ausdruken, den Begriff S.ubflanz aus, gleichfam als ob erfelbst eiri Begriff wa're , desfen ob- jekt er unmittelbar anfchauete, da er doch nur mit Aiifchauungen felbst, als Bedingung dcr moglichen Erfahrung verkniipft ist. So bald dasmoralifche Ge- fa'he in dem Menfcben ervvacht ? fo wird er auch bei taufend Veranlasfimgen 5 wo dasfclbe recht lebhaft iis , zu Gott bin getrleben , und lernt die notliwendi- ge Verkni'ipfung eines folcben Wei ens mit feiner gan- zen Natur, und vorziiglich mit feiner moralifchen Vernunft immer mehr und mehr empfinden. Wenn ein mensch voll von moralifcher Empfindting urn fich herfchauet,, und bemerkt, wie fich alles auf ihm be- DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGJP neer de hem omringende fchpone natuur op hem werkt en hem met genoegen ver- vult , wanneer eene balzemachuge lucht zyn gezond lichaam omgeeft, en zyne ziel met helderheid doorftroomt, wanneer hy siet hoe alle krachten der natuur zich ver- eenigen, am hem voedfel voorttebrengen en visfchen, vogelen en kudden tenzynen dienfte zich aanbieden, wanneer hy zich, dusdanig van het genot syns gerusten en genoeglyken aanweezens bewust is : dan wordt hy met hec denkbeeid van de God- heid doordrongen , en tevens met het ge- voel der dankbaarheid jegens dat Wezen, ? welk zo veele fchikkingen voor hem ge- maakt heeft , en dit gevocl van dankbaar- held verfterkt zyn voorneemen , om zynen zielit, und zu feinen Bcdiirfnisfen eingerachtet 1st; wenn die ihn utngebenue f^hone Natur auf ihu \virkt und ihn mit Lust erfullt , wenn eine balfa- inifche Luft feinen gefimden Korper anhaucht und feine Seele mit Heiterkeit iiberitromt, wenn er Ceht wie alle Kriifte der Natur fich vereinigen fur ihn Nahrung hervorzutreibeu , und Fifche, Vogel und Heerden zu feinen Dienst fich darbietcn; wenn er fich fo des Geriusfes feines ruhigen undheitern Dafeyns bewust ist ; dann drangt fich in ihm die Idee der Gottheit und zu gleich ein Gefuhl der Dankbarkeip gcgen das Wefen, das fo viel Anftalten^fur ihn ge- trofFen hat hervor, und diefes Gefuhl der Dankbar* kd.t verftarkt feinea Vorfaz feine Pfiicht zuerfiilleu,, weil OVER GOBS AANWEEZEN, ENZ. plicht te volbrengen , naardien hy gelooft dat flechts daarom om dat by goed is en zynen pligt doet, zo veele fchikkingen zynenthalve luinnengemaaktweezen. : Ofmenftelle, dat hy door eene hanstocht beftreden wor- de , tot wclker voldoening flechts wanze- delyke middelen, bedrog en fchelmery dienen kunnen , het gevoel van plicht ftrydt met de tegengeflelde driften , en de zedelyke rede wordt met een heirle- ger van drogredenen aangevallen. Men tracht zich diets te maaken dat het zedelyk gevoel een ydele door gewoonte en opvoe- ding zo diep ingedrukte hersfenfchim is , dat debehoefte der hartstochten veel natuurly- ker , het denkbeeld van menfchelyke waarde een kunftig van ftaatkundigen uitgedagte en gevormdeldeeis; menzoekt naarwaarnee- well er glaubt , dasf nur urn des willen well er gut ist und leine Pflicht thut 5 fo viele Anllalten fiir ilia getroffen feyn kdnnen- Oder man feze , dasf ihii eine Leidenfchafft befturmt, 211 deren Befriedigung ihm nur ein moralifche Mittel , Betrtig und Gleisnerei verhelfen konnen ; das Gefiihl der Pflicht kampft mit den entgcgenftehenden Trieben , und die moralifche Vermmft wird mit einem Heere von Sophiftereien be- fturmt. Man fucht fich zuuberreden , dasf das mo- ralifche Gefuhl eine leere, diirch Gewohnheit und Erziehunglb feft eingepragte Grille ist, dasf das Be- durfnifs der Leidenfchaften weit natiirlicher , die Idee vou raenfchen wurde ein erkiinllelter und von. den 83 DERDE ANTWOORD 'OP D VRAAGE mingen , waaraan het ook niet ontbrekcri 2al , welke ten bewyze ftrekkcn zullen, dat de zedelyke maximen onuitvoerlyk zyn> en on^s onheil befokkenen. Maar als dan dringt toch nogfomtyds de bewustheid van onze waardigheid door, vernielt alle fofisteryen der hartstocht rondom zich , en de vaste overtuiging ontftaat > dat niette- genftaande de overredende fchyn van 't tc* gcngeftelde ^ echter eene zedelyke orde in de waereld ^befta , en dat wy toch op geen andere wys eene duurzaame en waare ge- lukzaligheid|deelachtig kunnen worden, dan wanneer wy ons onwankelbaar aan onzen plicht vasthouden. Door deeze bewustheid van onze zedelyke waardigheid, verkrygen wy een vast en zeker vertrouwen tot den ver- den Politikefn ansgeldiigelter BegrilF fey; man fieht fich nn.eh Erfahrungen um , woran es auch nicht fchlcn wird , wclche beweifen follen 9 dasf die mora- Jifche Handlungsart unthunlich fey und unfer Un- gliik beteite. Abcr dann dringt doch noch zuweilcn das Bewuist feyn unfrer Wiirde hindurch , fchlagt al- le Sophiftereien der Leidenfchaft um fich herum riie- der, und es tritt die fefte Ueberzeugung hervor^ dasf ohnerachtet des ubcrredenden Scheins vorh Gegen- theile, doch eine moralifche Ordnung in der Welt fey, und dasf wir doch nicht anders elner beftaudi- gen und wahreri Glilkfeligkeit theilhaftig werden kori- nen, als wenn wir uns Unverriikt an uiiH-e Pflicht halten. Wir fasfcn durch diefes Bewufst fpyn unfrer mo- OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. veroorzaaker der waereld* en worden vas- 1 telyk overtuigd , datHy almagtig engoed- gunftig , de waereld niet dan onder zedely ke wetren gefchapen heeft. Ja \vannecr wy tusfchen plichten hartstocht wankelen, dan doordringt ons dikwerf onwillekeurig het denkbeeld van een Opperheer, 't welk ons dc wet van piichc laid toeroept; er ontftaat een foort van eerbied en onrzach, en wan- neer wy dan onzen plichtgsvolgdhebben^ 20 gevoelen wy eene zekere te vredenhcid met ons zelve, en worden bezielt met be- wustheid dat onze Opperheer met ons te vrede zyn en ons lot zo zal inrichten , als overeenkomftig is met onze zedelykheid* ; Of heeft een mensch , by welken het ge- voel van plichtfterk werkt , tegen zyn plicht misdreeven, zonder dat hy behoeft tevree*- zen moralifchcn Wiirdc ein festes und ficheres Vertrauen zu dcm Urheber der Welt, und wcrden fest uber- zcugt , dafs er alJmachtig und gut 5 die Welt niiruu- ter moralifchen Gefezen erfchafFen habe. Ja wenu wir zwifchen Pflicht und Leidenfcliaft wanken, daa driingt fich oft unwillkiihrlich der BegrifF eines Ober- herrn uns auf , der uns das Gefez der Pfticht laut zuruft ; es entftehteine Art Von Ehrfurcht und fcheu; und wenn wir dann der Pflicbt gefolgt find , fo tritt eine gewisfe zufriedenheit mit unsfelbst, und das Bewufst feyn ein, dais unier Oberherr mifuns zu frieden feyn und unfer Schikfal fo einrichten werde , wie es unfrer Moralitat angemesfcn 1st. Oder hat fich ciu i> 9 o DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE 2en om deswegeh door menfchen ter ver- antwoording geroeperi te worden; 20 ont- ftaan toch, ten minfte in de kalme oogen- blikken, wanneer de begeertens flil zyn, zelfverwytingen en befchuldigingen, alsof hy voor eenen hoogeren, onzichtbaaren en alweetenden Rechter als fchuldig verfcheen , ja byaldicn ons ook de fortuin by zodanig eene gemoeds gefteltenis nog zo gunftig is, en onze wanzedelyke, misfchien zelfs laag- hartige daaden, nog zo gelukkig uitvallen, 20 worden wy toch in 't verborgen door de gedachte gekwelt, dat wy ons voor zo- danig geluk onwaardig gemaakt hebben , en dat ten laatften alledeeze fchijnbaar zo voor- deelige omftandigheden, zodanig een keer zullen neemen en zodanig een gemoedsge- fleld- ein Mensch, indera das Gefiihl der Pflichts flark ist^ gegen feine Pfllcht vergangcn , ohne eben deshalb' vor Menfchen Vcrantvvortung furchten zu durfen ; fa erfolgen doch wcnigftens in ruhigen Augenbliken wo die Begierden flille find , Vorwiirfe tind Selbstver- weife , als ob er vor einem hohern unfichtbarcn uud alhvisfendeii Richter als fchuldig erfchien; ja wenn uns auch die Gliiksumftande bey einem folchen Ge- miiths zuftande noch |fo gunftig find j und unfre un- moralifchcn veillcicht niedertrachtigen Handlungcn noch fo gut ausfehlagen , ib quiilt uns doch ins ge- heim der Gedanke, dasf wir uns einesfolehen Gliiks imwiirdig gemacht haben , und dafs zulezt alle die dem Anfeheiue naeh vortheilhafteu Umltiiudc eine folche Wea- OVER GODS AANWEEZEN* ENZ^ 91 fteldheid voortbrengen sullen , als wy door tons gedrag verdiend hebben, welk denk* beeld evcneens met dat van cerien zedely- ken Schepper en Beheerfcher van alles oi> xniddelyk verknocht.is. Uit dit alles nu blykt zeerklaar, dat met het zedclyk gevoel de voorftclling van ee- ne zedelyke orde en met deeze het denk- fceeld van Gods Aanweezen op veelerhan- de wyze en aan verfcheiden zy den verknocht is en dat men de zedelykheid in eencn mensch flechts te bevor^ere hebbe om hern tot het denkbeeld van een hoogstzedejyk y/erkend verflatid , welke .Scnepper en Rechterder waereld is, te geleiden. Geea dwaaling is blykbaarer zodanig, als wan- neer Wenclung nehinen und einen folchen Gemiiths^uftand bewirken werdcn , wie wir es durchunfre AufFiihrung verdient haben, welcher'Gcdankeebenfals niit einem' rnoralifcheu Weltfchopfer uiimittclbaj' Verkniipft ist. Ans alien diefen crhellet nim ganz deiitlich , dafs mit der moralifchen Empfindiuig die Vorllellung eineir moralifchcn Ordnung und mit rdiefer die Vorileilung eincs Gottes ( an vielen Seiteri zufammenbange , und dafs man nii.r. einen menfchen recbt ihoralifch machen diirfe, urn ihn auf dem BcgriiF einer boch'fleii mora* lifchen Intelligenz ,die Schopfer und Richter der Welt ist, zuleiten. Kein Irrtbuiu 1st oifenbarer, als weim cian glaubt die moralifche Empfiudung eiuftefce erst: V 292 DERDE ANTWOORD OP DE VRAAGE neer men zich verbefcld, dat het zedelyk ge- voel eerst ontftaat door -de voorftelling van God , want men zou zich immers God in 't geheel Bonder zedelyke betrekking niet kun- nen voorftellen, byaldien men dezelve niet alvorens ujt zyne eigcne natuur door onrmd- ctelyke voorftelling kende. 'tis derhalven fceker onze ^edelyke naituur eischt zulks, dat ook in de geheele overige natuur ee- ne zedelyke orde heerfche, en eene alge- irieehe fccdelyke orde, kan men zich zon- der Gods aanweezen in \ geheel nietvcr- tegenwoordigcn. Derhalven zyn deeze drie voorftellen zeer naauw aaii elkanderen ver- knocht, en zp dra als de eene*zich voor- doet, vertegenwoordigen zich ook de an-' deren en zo zeker als^ons-de eene toefchynt, zo zeker komen ons ook de anderen voor. Wie durch die Vorftellung Gottes^ denn man konnte fich ja in Gott gar nicht das mor'alifche Vcrhaltnifs dehken , wenn man es nicht ziivor aus feiner eige- nen Natur durch unmittelbare Vorftcllung . kennete. Es ist alfo gewifs, unfre moralifche Natur crfadert, dafs auch in der ganzen ubrigen Natur eine mora- lifche Ordnurig' herrfchc, und eine allgemeine mdra- life he Ordnung ist ohne einen Gott nicht dchkbar. Daher find diefe drei^ Vorftellungen genau hi it ein an der verkniipft, und fo wie die eine erwacht, find auch die andern da und , fo gevvifs uns die eine vorkommt 9 fo gewifs kommen uns auch die andern "vor. Wer iaher gewisf ist, dais er mora- iifch OVER GODS AANWEEZEN, Wie derhalven zeker is dat hy fcedelyk behoort te weezen, zal zich ten mjnften verplicht gevoeleri , om ahyd zo te hande- len als of God aanweezig ware , hy zalook hetdenfcbeeld van God in 'tgehe?! niet vei> myden kunneh, maar onophoiidelyk tot. Hern gedrecrar warden , en zichzelfs als een^eeuwig raadfel moeten voorkbmen 3 byaldicn hy niet gelooft dat God met de daad beflaat. . i i ; . .. . , . Byaldien hy daaraan twyfelt , of ztclfc i^elfe door drogredenen van -t tegendeel meent overtuigd te hebben, 20 ontftaat zulks dleen van daar, dat hy zich ver- beeld dat zyn geloof noodzaaklyfc door theoretifche bewyzen en objective inzicht der reden moet gerechvaardigd worden. Naar- lifchreyn ; miisfe , der wird auch: wenigflens imt^ iich fo ziihandeln vcrbunden fiihlen, als db" eia Gott ware , er wird auch der Idee von Gott gar nieht ausweichen lionilen ,' fonderri irnaufhdrlieh za ihn getrleben vverdcii, un-d fich ieibst als cin c\vi- gesRiitzel vorkoninien miisfen , wenn er nicht iiiubt f dafs eiu-Gott wirklich 1st. > 'A Wenn er clarari Zv/cifclt , oder fich gar durch fophismeu vofn gegentheile uberredetzu-haben gtaubt* To kommt diefes bios dahe-r, well er fic'h einbildet, feiri Glaube 'rniisfe notiiw^ndig durch theorctifciie BeWeiie -mid- durch' rbi-krive ^ernunfc emficht .150,- V ? . reeht- 294 DERt)E ANTWOORD OP DE VRAAOS Naardien nualle theoretifche bewyzcnvoor den rechterftoel der befchouwelyke reden als ongenoegzaam verfchynen , zodra de kractit welke zy van heti ondcrwcrp zelfs ontleenfcn , van dezelven gefcheiden wordt * zo blykt hieruit , hoedanigzich de befchou- welyke r&den overreden kunne dat in 't geheel geen redenen voor zodanig eene vastftelling voorhanden zyn- Dan deeze befpiegelingen betekenen nice veel, Dezel- ven kunnen best met dezulken vergeleken worden, door welken hetbeftaan deruiter- ]yke zelfftandigheden aangevallen wordt. Men ontkent derzelver aanweezen , omdat men geen theoretifche bewyzen voor derzel- ver beftaan in de enkele reden ontdekt; men ontkent het beftaan van God, omdat er geen voldoend theoretisch bewys voor het- zel- reclitfertigct werdert. Da nun alle theoretifclie Be- weife vor dcm Richterftuhle der fpekulativeu Yer- nunft als unzureichend crfcheinen , fobald c|ie kraft, welche ibnen das fubjekt felbst ertheilt d.avop getrent wird ; fu erklart fich hieraus , wie fich die fpeculati- ve Vernunft iiberreden konne; das gar keine Griinde fur eine folche Bchauptung dafind. Es hat aber mit diefeu fpekulationen nicbt viel zufagen. Sie lasfen fich am- "bellcn mit denen vergleichen , wodurch das Dafeyn der ausfern Subftanzen angetasftet wird. Man leug- nct die ausfern Subftanzen, weil man keine theoreti- fche Beweife fur deren Dafeyn in der blosfen Ver- findct 5 wan leugnct das Dafeyu Gotten, well iccift OVER GODS AANWEEZEN, ENZ. 295 2elve voorhanden is. Zodra men in 'teer fte geval de waarneeming met de reden verbindt, en in het tweede'smenfchen ze- delyke natuur in aanmerking neemt , zo doen zich wel is waar verfchillende, 1 maar echter met minder genoegzaame gronden op voor het wezenlyk aanzyn van beide voorwerpen. In geen gcval echter benadee- len .de befpiegelingen het pra&ikaal ge- drag. In 'tgemeene leven werkt dat, wat onmiddelyk met het gevoel vcrknocht is, fteeds voort, terwyl men in de befpiege- ling , 20 niet het aanweezen deezer voor- ftellingen , althans derzelver gegrondheid in twyfeltrekt. Het zedelyk bewys, zo als het boven voorgedragen is, zai derhalven de befchouwelyke reden nooit yoldoen, noch kein befriedigender tbeoretifcher Beweis fiir dasfel- be da i^c. Sobald man aber im erftern Falle die Er- fahruilg uait der Vernunft verbindet, und im zvveiten die moralifche Natur des Menichen ervvagt , fo erge- ben fich zvvar ande-re- aber doch nicht minder zuver* liisfige Griinde fiir die Realitat beider Gegeuflande. lu keinem Falle thun aber die fpekulationeri dem prak- tifcheu Leben Eintrag. Im gemeinen Handeln wirkt das, was unmittelbar mit dem Gefuhle verkniipt isr, immer fort , wahrend dns man ,in der fpekulation nocfa, wo nicht das Dafeyn diefer Vorftellungen doch die Wahrheit derfelven bezweifelt. Der moralifche Beweis, fo wie er oben aufgeftelk 1st, wird daher fur die fpekulative. Vernunft nie befriedigend feyn, V 3 noch DEPvDE ANT WOORD OP DE VR AAGE ffoch Voldoen kunnen ; want deeze zal fteeds voortgaan om naar theorerisch objektee bevvyzen te zoekeJi, byaldieiuy oak reeds van de onmooglykheid overtnigd is immer dezelven te zu-llen ontdekken. Van daaris het door KANT zogenaamd zedefyke 'fawys / veeleer eeno verklaaring yon "vns Geloof aqn Gods beftaan, dan een eigenlyk betoog, van welken titel KANT ook aan verfcheiden plaatzen afftand doet, en derhalven vo0r hetzelve, gemelde uitdrukking van zedetykyof onderzverplyk bewys uitgcdachc heeft,.naar dien toch in hetzelve redelykegrondenyoor ons geloof opgegeeven worden. Want eeh eigenlyk betobgonderftelt akyd-eene inzicht in hec voorwerpvan hetzelve, \velke echter in *t geval voorhande-njr -geheel en al ont- breekt noch feynkonnen; denn diefe wird immer fortfahren nach theoietisch objektiyen Bcvveifen zu ftrcben , wenn lie fich auch gleich ichon von der Unmo-glich- keit uberzeugt liat , jezu denfelben zu gelangen. Da- her ist der von Kant fo genalin-te moralifcfae Beweis mehr eine Erkltirung unfres Glaubens an doit, als eiu eigentlicher Beweis j auFwelebGii Titel auch Kant an riiehrerern flellen Verzicht leistct, und daher den ausdruk morallfehen o&w fubjektivcn Beweis fiir ihn erfunden hat; well doch in deiiifelben vernunftige Grunde fur unfrer Glauben aufgedellet werden. Denn ein cigenlicher Beweis fezt immer eine Einficht in das Objekt desfen , was bewielen wird -voraus , die aber hier ganzlich fehlt. In desfen fieht man doch vermit- telst GODS AANWEEZEJM, ENZ. breekt. Intusfchen bemerkt men echtes door hetzelve, dat hct geloof aan het be- ftaari van God op zeernatuurlykeenredelyr kegronden rust, dat hetzelve in 'snienfchen natuur zelve gegrond en met zyne voot" treflykfte hoedanigheid onmiddelyk ver- knocht is, \welkgewoonlyk een genoeg^. fcaame reden is om ook Gods aanzyn in dc befpiegeling vastteftellen,inzonderheid w^n^ neer men zich door oordeelkunde overtuigd heeft, dat noch reden noch waarneeming tegen zodanig eene vobronderftelling lets dat van belang is , kunnen inbrengen en dat integendeel beidc -eene menigte aanlei- dingen verfchafFen, om zulks tc bcvesti- gen. Uit deesse bygebragte redenen nu , & ook telst desfelben ein , dafs diefer Glaube an Gott auf lehr naturliclien und verniinftige Gruiideii beruhet, dasf er in der Natur des Menfchen felbst gegniindet tvnd unmittelbar mit feincr vortreflichflen Eigenfekaft verkimft 1st, welches allerdings ein hinreichender Grund ist einen Gott auch in der fpekulation anzu* nehmen , bezonders wenn man Tick durch Critik uber* zeugt hat , ,dals vvedcr Vernunft noch Erfahrung ge^. gen eine folche Vorausfezung etwas bedententes auf* briugen , und dafs vielmehr beide eine grosfe menga yon Veranlasfungen d;arbieten , fie zu beftiiiigen. diefen Gruncten 1st es nun auch erklarbar, woher Y 4 . ^ 198 DERDE ANTWQORD'op m VRAAGB took te verklaaren van waar het komt , dat die bewys , wanneer hec in 't afgetrokkene wordt voorgefteld,zynewerking niet doet, fcelfs by de zulken niet, welke Gods aan- ^weezen vastelyk gelooven en by welkea dit geloof ook niet anders dan door de bewust- heid van eigene zeddykheid voortgebragt is. Het is en kan naaralyk, voor de be* fchouwelyke reden niet geheel ..eh-al vol- <3oende weezen , naardicn deeze akyd aan- fchouwing [of gewaarwording] voor haarc denkbeelden vereischt , wanneer zy zich voldaan zal houdcn. Maar dit gebrek doec de zekerheid derovertuiging zelve , tot wel* ke ons onze eigene natuur brengt, geen na^ cleel , maar fpoort ons aan om ook dooc waanieeming geduurig mcerder fpooren van Go^is aanwcezen te ontdekken , welker, aan- ; " tai cs kommt , -dasf diefer Beweis; wenn er in Abflrakto dargeftellt wird, feine Wirkung niclit thut 5 felbstbei denen nicht, die fest an Gottglauhen, und in denen diefer Glaube auch nicht anders als durch das Bewust leya ihrer Moralitat erzeugt isr. Er 1st und kann nemlich fur die fpekulativen Vernunft nicht ganz be- friedigend feyn , weil diefe allemal . Anfchaimngen fiir ihre BegrifFe verlangt, wenn fie befriediget werden foil* Abcr diefer Mangel thut der gewifsheit der Ueberzeu- gung felbst, wozii uns unfre eigene Natur treibt,kei- nen Abbiuch , fondern treibt uns. nur an auch in der Erfahrung immermehr objektive fpuren feines Dafeyns , deren zahl uncndlich feya mufs. Die ue- om GODS AANWEEZEN, ENZ. feal oneindig moet weezen. De overtuiging of het geloove groeit aan met ons zedelyk gevoel, en verkrygt ten laatften door de over en wederwerking der zedelykheid. en der voorftelling van God, eenen graadvan fcekerhcid,. welke met de objeftive zeker- heid volkomen evenaarten een vertrouwen inboezemt/twelk te verby fteren alle kracht van beipiegeling veels te zwak is. ' Het is derhalven geen feewys dat de ze- delykheid het geloove met voortbrengt , om dat de afgetrokkene voorftelling van deeze wyze van werking-, het geloove niet ver- oorzaakt. Want niet h^t voorftel der ze- delykheid, maar de zedeiykheid zelve als hoedanigheid des gemoeds, veroorzaakthet "berzeuguag oder der Glaube waclitft mir unfrer mo- ralifchen Emplhicjung, u?id erhalt zukzt durch Hin und Herwirken der inoralitiit imd der Vorflellungvou Gott einen Grad von gewifsheit , der der objektiveti Gewifsheit volkommen gleich 1st , und eine Zuver- ficht einflofst , welche irre zumachen , alle macht der fpekulation viel zu fchwach 1st. Es ist daher kein Eeweis, dafs die der Moralitat den Glaubcn nicht hervorbnnge , well die Abgefon- derte Vorftellung diefer Wirkungsart nicht den Glau- ben bevvirkt. Denn nicht die Vorftellung der Mora- litat, fondern die Moralitat felbst al's Eigenfchaft des Gemiiths bringt den Glauben an Gott herbor. Es Y 5 it joo DERDE ANTWOORD OP DE \*RAAGE geloove aan het beftaan der Godheid.. . hier de plaatfe niet om alle de redenen te, pntvouwen , welke veroorzaaken dat de inenfchen zo gereedelyk en zo gaarne de oorzaaken hunner overcuiging vef wisfeicn , en 20 zeer genegen zyn am hynne overtui- ging van Gods beftaan, aan objedtive theo- retifche : bewyzen toetefehr^ven. 't Voldoet hier ter plaatze aantemerken , dat de ge- grondheid van ons gevoelen zich daardoor genoegzaam voordoetj dat degronden van welken wy deeze overtuiging afleiden, ten alien tyde in de menfchelyke natuur gevon- den worden, ^illerwegen waar die geloof ^ich openbaart en werkzaam hetoont; ter- wyl aan de andere zyde de fpeculativc theoretifche bewyzen eene infpanning van hec denkyerniogen yereifehen, waartoe de 1st hier nicht der Ort .alle die Urfachen aus ein ander ^tifezen 9 welche machen , da.fs .die Mejifchen foleicht \md fo gern dieUrfachenihrcr UeberzengiAiig vcrweeh- feln, und fo 'fehr geneigt find., ihre Uebcrzeugung von Gott von objektiven theoretifchenBevycifeii.abzii- leiten. Es ist hier fchon genug zu bcnierkcn , dais fich die Wiihrheit unfrer Mcinung dadurch hinlanglich verriith , dafs die Griinde von .welchen wir diefe Ue- oerzeugung ableiten 5 zu jeder zeit in dermenfchlichen Natur fiiUd , wo dider Glaube entlleht und ^ich tha-tig bevveist, da hingegen die fpekulativen theoretifcheii beweiie eine Anilrengung des Ve.rflan.des crfodern,de- ren die mthrefieu xnenfchen in :ihrea Leben gar nicht fi- OVER GODS AANW EEZEN, ENS. 30} gaeeste mensfchen in bun geheel leven , in 'tgefaeel riiet in ftaat warden, en welkoa Oak zy , die voon dezelven vatbaar zyn I ten tydcals zich hec gdbof aan God werk- &aam zal betoonen, niet levend be\^aarn fcunnen. Byaldien nu .bet geloove ^an Gods beftaan van gemelde :fpeGulativ^'gi:ondeit afhanglyk ware, zou .hetzeltfc bok met de* Zelven rhoeten ^echvajUen. * Wani als dc porzaak ophoudt, hauderv de uitwerkfels mede op. Boe zeer zeldzaam qchtef ver- tegenwoordigen wy obvS de fpeculative be-^ wyzen.in derzelver behoorlyke orde! "En welke van dezelven zal men dit uitwerkfel toefchryven, daar de fchranderile Vemttfr' ten bet over dezelven zo zeer oneens zyn! De zedelykheid : echter is eene' beftendige in de menfchelyke natuur selv-c ge* . fahjg wer'den., und die auch dicjcnigen wclche ihret fiihig find, zu der zcit, wo iich der Ginube von Gott am wirkfaniftcn beweifeu foil,, nicht hci' tich. -erhalten konnen. Wenn nun der G-laube an Gott von jeoen fpekulativen Griindeii abMugen miisftc , fo wur- de er auch niit ihnen wegfallen miisi'te. Demi ces- fante cans fa cesfat efe&tts. AVic fehr felteu ftellcil \vir uns aber die fpekulativcn Beweiie in der gebori- gen Ordnung vor ! und welchen winter ihnen fol-1 man dieie Wirkuug zufchreiben, da -die grosilen Gcister fo uneinig iiber diefelbcn find ! Die Moralit-at aber ist eine fhctige Urfache in der menfchlichen Natur, und wohntdera geraeinen Hirten eben fowohl als demTief- fin- 302 DERDE ANTWOORD OP m VRAAGE legen , welke by den gemeenen daglooner 20 welals by denfchranderften Wysgeer ge- vonden wordt. Hierom heeft net geloof Ban Gods beftaan daarin dat , wat het be- boeft, naamlyk eene voortduurcnde grond* 2uil, welke hetzelve ook blindeling onder fchraagt , zonder dat men zich dc manier en wyzebehoeftvoorteftellen hoedanig het- selve onderhouden en bezielt wordt- Dus- danig moest de natuur eene overtuiging voortbrengen, welke elk een hebben 2011, en welke dienvolgends in 't geheel niet van *$ menfchen bekwaamheden af hangen , of een eigendom van flechts enkele menfchen zyn moest, Wat de natuur door haare eigene krachten voortbrengt , kan geen drogrede- naar vernielen en geen ydel geklap uit- roojen, fmnigften Philofophen bei. Daher findet der Glaubc am Gott in derfelben das ^ was er bedarf nemlich ei- ne kontinuirlichc Stiitze , die ihn auch blindlings halt, ohne dafs man fichdieArtund Weife vorzuftel- 2en nothig hat, wic cr gehalten und belebt wird. So musfe auch die Natur eine Ueberzeugung bewirken, die jedermann haben follte, und die alfo fchlechter- dings nicht von den Talenten der Menfchen abhangen; oderein Eigenthum einer kleinen Khsfen von Menfche feyn durfte. Was die Natur durch ihre eignen Kraf- te bewirkt , kann kein fophisr ^erfloren , und keiu Geicwhaz ausrotten, ZWEI-* OVER. GODS AANWEEZEN, ENZ. 30* TWEEDE AFDEELING. Nuttigheid en voortrcflykheid van het zeJe lyk bewys. *t /TTal niet ondienftig weezen ten befluite'; /^ nog bepaaldelyk de nuttigheid en dienftigheid van het zedelyk bewys tp overweegen. Men ziet: I. Dat het sedelyk argument , buitenge-i meen populair en gemaklyk te bevatten is. By elk, ook het geringst mensch, ontftaat het ZWEITER ABSCHNITT- Nutzen und Forzug dcr Moralifchen, Es kann nicht uniiiiz feyn zulezt noch insbefonde- re die Nuzlichkeit und Brauchbarkeit des mora- lifche Grundes in Erwagtung zuzieheia. Dena da findet fich I. Dafs das moralifche Argument ausfer ordeiitlich popular und gcmein fasflich 1st. ledem , auch dem gemeinften Mehfchen bietet fich der Gedauke, dafs 304 bfi&QB ANTWGORD OPDE VRAAGE bet elenkbeeld dat alles om far zedelyke we- ens wilh? , aaftzyn heelt , als van zelvs, en by vind hierin zo min aanftootelyks , dat hy fciilks Veeleer by alle zyne daaden onder- ftelt. Dat alzo ook een zedelyk wezen de ordeder w^ereld ontworpen en overeenkom- flig dbzedelyke bedbelinglngericht hebbe> fchynt hem zo mtuurlyk en gemaklyk te begrypen, dac hy de bedenkingen welke daartegen ingebracht worden in 't geheel niet bemerkt en derzelver kracht in 't geheel niet gevoelt. Aan deanderezyde; behoorttot debovennatuurkundige bewyzen , vooreepst een allerfcherpzinliigst dodrzicht , en er Vordt veel vooringenomenheid voor debo- vennatuurkunde vereifcht , wanneer men toverreed zal zyn dat zodanige fubtile en^ wankelbaare befluiten (by welken, ook voor slles tim.der INloralircIien Wefen Wilkn c lam von fclbst dar, und er findet hicrinne fo wcnig Anftos ? dafs er viel melir diefes bei alien ieinen liand- itingen toraus fczt. Das alfo auch ein raoralifches Wefen die Ordnung der Welt felbst entworfen und 'dem moralifchen Zwck gemafs' eiiigerichtet ha^e-;^ fchelnt ibm fo tiatiirlich und fo bcgreiilich zu feyn, -tlasf er die ztveifel, welche dagegen vorgcbra'chtwer- den garnicbt einficht Und ibr Gewicbt gar nichtfiiblt. Anderer feitz gehort vrftllch zu den metapbyfifcbeii Deweifcn der allerfubtilfte'Verftarid , und cs wirdvicl Vorliebe ziir Metapbyfik erfodert , wenn man fich iiberreden foil 3 dafs dergleichca fubtile und- wankcn- de OVER- G'ODS A AN WEE ZEN, ENZ. 305 voorden fcherpinnigftendenker,het voor- werp 'enitel als door eenen nevel fchynt door te fchemeren ,) een zo vast geloove zouden voortforertgen. Deezc metaphyfifche befpie- gelingen honderi zich enkel met afgetrokke-